Rijksstad Nördlingen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Reichsstadt Nördlingen (de)
Land in het Heilige Roomse Rijk Wapen Heilige Roomse Rijk
1215 – 1803 Keurvorstendom Beieren 
Symbolen
Stadtwappen Noerdlingen.svg
Kaart
De rijksstad Nördlingen en de graafscchappen Oettingen
De rijksstad Nördlingen en de graafscchappen Oettingen
Algemene gegevens
Hoofdstad Nördlingen
Oppervlakte 83 km² (ca. 1800)[1]
Bevolking 16.000(ca. 1800)[2]
Talen Duitse dialecten
Religie Rooms-katholiek
Lutheraans (vanaf 1522)
Politieke gegevens
Regeringsvorm Rijksstad
Rijksdag 1 stem op de Zwabische Bank in de Raad van Steden
Kreits Zwabische Kreits

De rijksstad Nördlingen was een tot de Zwabische Kreits behorende rijksstad binnen het Heilige Roomse Rijk.

De plaats wordt voor het eerst vermeld in 898 als de koningshof wordt overgedragen aan de bisschop van Regensburg. In 1215 verwerft keizer Frederik II de hof door een ruilverdrag van Regensburg voor het rijk terug. Tevergeefs proberen de graaf van Oettingen en de hertog van Beieren in het bezit van de heerschappij te komen. Het oudst overgeleverde stadsrecht van Nördlingen dateert uit 1290. Het is al snel een vrije Rijksstad. In 1323 weet de stad het ambt van ambtman aan de graven van Oettingen te ontnemen en in 1383 krijgt de stad dit ambt zelf in bezit. In 1522 wordt de Reformatie ingevoerd.

In de Reichsdeputationshauptschluss van 25 februari 1803 wordt in paragraaf 2 de inlijving bij het keurvorstendom Beieren vastgelegd, die op 1 september 1802 al had plaatsgevonden.

Het gebied van de rijksstad bestond naast de stad zelf uit Enkingen, delen van Nähermemmingen en Herkheim, Goldburghausen, Schweindorf e.a.

Noten[bewerken]

  1. (en) P. H. Wilson (2004): From Reich to revolution: German history, 1558-1806, eerste druk, Palgrave Macmillan, Basingstoke, blz. 379
  2. Waarvan 8000 binnen en 8000 buiten de stadsmuren, (en) P. H. Wilson (2004): From Reich to revolution: German history, 1558-1806, eerste druk, Palgrave Macmillan, Basingstoke, blz. 379