Robert McFarlane

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Robert Carl (Bud) McFarlane (Texas, 12 juli 1937) was Nationaal Veiligheidsadviseur (National Security Advisor) van de Verenigde Staten onder president Ronald Reagan. Hij bekleedde deze functie van 1983 tot eind 1985. McFarlane was één van de belangrijkste spelers in de Iran-Contra-affaire.

McFarlane bekende uiteindelijk schuld nadat hij was aangeklaagd wegens het wederrechtelijk achterhouden van informatie voor het Amerikaanse Congres. Hij kreeg echter gratie van voormalige president van de VS George H.W. Bush.

Opleiding[bewerken]

McFarlane studeerde van 1951 tot 1959 aan de United States Naval Academy in Annapolis Maryland. Eerder hadden zijn oom Robert (1925) en zijn broer Bill (1949) aan dezelfde academie gestudeerd.

Bij de marine[bewerken]

Na zijn afstuderen kwam McFarlane als tweede luitenant bij de Amerikaanse marine. Bij zijn pensioen in 1979 zwaaide hij af met de rang van luitenant-kolonel.

Als marine-officier was McFarlane onder andere Executive Assistant bij het Marine Corps' Operations Deputy. In deze functie bereidde hij ontmoetingen voor met de Gezamenlijke Stafchefs. Hij diende verder als Action Officer bij de Marine Corps Operations Division voor Europe (NAVO), het Midden-Oosten en Zuid-Amerika.

McFarlane nam twee keer deel aan de Vietnamoorlog, waar hij in 1965 betrokken was bij de eerste landing van de Amerikaanse strijdkrachten. Tijdens zijn deelname werd hij uitgekozen voor de opleiding strategische studies aan het Graduate Institute of International Studies(Institut de Hautes Etudes Internationales, HEI) in Genève (Zwitserland}.

Na voltooiing van deze opleiding keerde McFarlane in 1967-1968 terug naar Vietnam als Regimental Fire Support Coordinator bij de [3rd Marine Division, dat werd ingezet tijdens het Tet Offensief. Verder was hij onder andere actief in Con Thien, Cam Lo, Dong Ha en Khe Sanh. Na terugkeer in de VS werd hij in 1971 als eerste marine-officier benoemd tot White House Fellow.

McFarlane werd aangesteld bij het Office of Legislative Affairs van het Witte Huis en was vervolgens Military Assistant van Henry Kissinger bij de Nationale Veiligheidsraad. McFarlane zorgde tussen 1973 en 1976 voor de uitwisseling van inlichtingen met de Volksrepubliek China. Hij vergezelde Kissinger bij Nixons bezoek aan China in 1972. Bovendien was McFarlane betrokken bij andere aspecten van het buitenlandbeleid, onder andere in het Midden-Oosten, de betrekkingen met de Sovjet-Unie en wapenbeheersing. McFarlane werd door president Gerald Ford aangesteld als Special Assistant voor Nationale Veiligheidsvraagstukken. Hij eindigde zijn marineloopbaan in Okinawa in 1979.

Burgerlijke functies[bewerken]

In 1979 werd McFarlane door senator John Tower aangesteld bij de Senate Committee on Armed Services, waar hij verantwoordelijk was voor personeelsbenoemingen bij de uitvoering van wapenbeperking volgens het Amerikaans-Russische SALT II-verdrag. Tijdens de presidentiële verkiezingscampagne van 1980 was hij het brein achter veel van Ronald Reagans voorstellen over de buitenlandbeleid.

In 1981 stelde president Reagan McFarlane aan als assistent van minister van Buitenlandse Zaken Alexander Haig.

In 1982 werd McFarlane door president Reagan benoemd tot adjunct-Nationaal Veiligheidsadviseur waarmee hij verantwoordelijk werd voor de integratie van beleidsadviezen van de ministeries van Buitenlandse Zaken, Financiën en Defensie. In 1983 kwam hij in dienst als speciale vertegenwoordiger in het Midden-Oosten, waar hij verantwoordelijk was voor onderhandelingen in het kader van de conflicten tussen Israël en de Arabische landen.

Na deze benoeming keerde hij terug naar het Witte Huis en werd hij Reagans Nationaal Veiligheidsadviseur. op deze post was hij verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het Amerikaanse buitenland- en defensiebeleid.

Iran-Contra affaire en ontslag[bewerken]

De Iran-Contra-affaire heeft betrekking op geheime wapenverkopen aan Iran waarna de verkregen inkomsten werden gebruikt voor de financiering van Contra's in Nicaragua. McFarlane en zijn opvolger John Poindexter waren sterk betrokken bij zowel de leveringen aan Iran als de steun aan de Contra's.

McFarlane was assistant van de minister van Buitenlandse Zaken Alexander Haig toen hij in 1981 het plan Taking the War to Nicaragua opstelde en een staf vormde (de Restricted Inter-Agency Group, RIG) om dit beleid in Midden-Amerika uit te voeren. Als Nationaal Veiligheidsadviseur spoorde hij Reagan aan te onderhandelen over geheime wapentransacties met een gematigde groep Iraniërs, die oppositie voerden tegen Ayatollah Khomeini. In ruil hiervoor zouden de Iraniërs Hezbollah bewegen tot het vrijlaten van Amerikaanse gijzelaars die werden vastgehouden in Libanon. Dit ging in tegen het advies van Caspar Weinberger, adviseur van minister van Buitenlandse Zaken George Shultz.

Hoewel inmiddels gepensioneerd, trad hij in mei 1986 op gezant bij de levering van wapens aan de Iraniërs. Toen na de eerste levering er geen gijzelaars vrijkwamen, weigerde McFarlane de volgende leverantie te laten plaatsvinden en zou hij de president hebben aangeraden om het plan te stoppen.[bron?]Toen het nieuws over de geheime missie gepubliceerd werd in de Libanese weekblad Ash-Shiraa, compleet met details en de bevestiging van het nieuws door topambtenaren uit Iran, reageerde stafchef Donald Regan met de verklaring dat McFarlane de enige topambtenaar was achter de wapentransacties. McFarlane weigerde met de pers te spreken maar werd door Regans uitlatingen voor het blok gezet. McFarlane stuurde vervolgens een e-mail naar Poindexter waarin hij dreigde met een aanklacht wegens smaad en waarschuwde dat hij "van Don Regan geen leugens zou tolereren".[bron?]

Nasleep[bewerken]

McFarlane probeerde zelfmoord te plegen met een overdosis valium op 9 februari 1987. Hij verklaarde hierover dat hij zijn land had teleurgesteld.[1]

In 1988 bekende hij schuld wat betreft vier aanklachten over het achterhouden van informatie voor het Congres in het kader van de geheime Iran-Contra operatie.[2] Hij werd veroordeeld tot twee jaar voorwaardelijk en een boete van 20.000 dollar maar hij kreeg gratie van president George H.W. Bush op kerstavond in 1992, samen met andere hoofdrolspelers in het schandaal, tijdens de nadagen van de regering-Bush, de zogenaamde 'lame duck'[3] periode.

Huidige functies[bewerken]

McFarlane bekleedt bestuursfuncties bij:

  • Aegis Defence Services
  • Vadium Technology, Inc.
  • Partnership for a Secure America
  • BioEnergy International, LLC
  • Adviseur van de campagne van John McCain bij de presidentsverkiezingen van 2008
  • Lid van het Committee on the Present Danger

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Timberg, Robert, The Nightingale's Song, Simon and Schuster, 1996 ISBN 0684826739. Tells the stories of John McCain, James Webb, Oliver North, Robert McFarlane, and John Poindexter; the impact of the Vietnam War.
Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen

  • “Complaint That Donald Regan May Be Placing Blame for the Iran Initiative on Robert McFarlane,” Secret PROFS email (November 7, 1986). Original source: US National Security Council.
  • Kornbluh, Peter and Malcolm Byrne, eds. The Iran-Contra Affair: The Making of a Scandal, 1983-1988 (Document collection). Alexandria, VA: Chadwyck-Healey; Washington, D.C.: National Security Archive, 1990.
  • Kornbluh, Peter and Malcolm Byrne, eds. The Iran-Contra Scandal: The Declassified History. New York: New Press, Distributed by W.W. Norton, 1993.
  • McFarlane, Robert C. / Smardz, Zofia: Special Trust. Pride, Principle and Politics Inside the White House. Cadell & Davies, New York, NY, 1994
  • Walsh, Lawrence E. Firewall: The Iran-Contra Conspiracy and Cover-up. New York: Norton, 1997.
  • Timberg, Robert, The Nightingale's Song. New York: Free Press, 1996.
  • Parry, Robbert, "Firewall: Inside the Iran-Contra Cover-up". The Consortium (1997) Geraadpleegd op 3 februari 2009
  • Daalder, Ivo H., James M. Lindsay, Robert C. “Bud” McFarlane, Carla Anne Robbins (panelists). Assessing the Bush Foreign Policy Transition (PDF). American Enterprise Institute (April 18, 2001)

Noten

  1. Okie, Susan Okie and Chris Spolar. "McFarlane Takes Drug Overdose;Iran Probe Figure Hospitalized Shortly Before Testimony Due", Washington Post, February 10, 1987.
  2. Pichirallo, Joe. "McFarlane Enters Guilty Plea Arising From Iran-Contra Affair; Former Reagan Adviser Withheld Information From Congress", Washington Post, March 12, 1988.
  3. Letterlijk: vleugellam