Naar inhoud springen

Robrecht I de Fries

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Robrecht de Fries
ca. 1030 - 1093
Robrecht I de Fries
Graaf van Vlaanderen
Graaf van Artesië
Graaf van Zeeland
Periode 1071-1093
Voorganger Arnulf III de ongelukkige
Opvolger Robrecht II van Jeruzalem
Graaf van Holland
Periode 1063-1070 (regent voor Dirk V)
Voorganger regentes Geertruida van Saksen
Opvolger Dirk V van West-Frisia
Familie
Vader Boudewijn V van Vlaanderen
Moeder onbekend

Robrecht I de Fries (ca. 1029/32Kasteel van Wijnendale, 13 oktober 1093) was graaf van Vlaanderen van 1071 tot aan zijn dood en regent van West-Frisia van 1063 tot 1070 namens de minderjarige Dirk V.

Jongere jaren

[bewerken | brontekst bewerken]

Robrecht de Fries was de eerstgeborene zoon van graaf Boudewijn V van Vlaanderen uit diens eerste huwelijk met een onbekend gebleven echtgenote (te onderscheiden van Adela van Frankrijk).[bron?] Volgens Lampert van Hersfeld trok hij als jonge man de wereld rond en streed hij in Spanje en Griekenland, maar die verhalen berusten op fantasie. Vermoedelijk bracht hij zijn jeugd door in Friesland, tot zijn vader hem koppelde aan Geertruida van Saksen, de weduwe van Floris I, graaf van Holland. Op 7 april 1045 benoemt de keizer hem tot markgraaf van Ename. Omdat hij samen met zijn vader de opstandige hertog Godfried II van Lotharingen steunde, verloor hij, evenals zijn vader, wegens felonie hun rijkstitels in september/oktober 1047.

Regent van West-Frisia

[bewerken | brontekst bewerken]

Na zijn huwelijk met Geertruida van Saksen in 1063, vestigde Robrecht zich in West-Frisia. Het graafschap was vanouds een deel van Frisia, vandaar dat Robrecht al tijdens zijn leven de bijnaam "de Fries" kreeg. Hij deed aanvankelijk afstand van zijn aanspraken op het graafschap Vlaanderen ten gunste van zijn jongere broer Boudewijn VI, en diens zoon Arnulf III. In het najaar van 1070 werden hij echter uit West-Frisia verjaagd door Willem van Gelre, de bisschop van Utrecht en hertog Godfried III van Neder-Lotharingen. Ze moesten vluchten naar Gent.

Nadat Boudewijn VI sneuvelde te Cassel op 20 februari 1071 eiste Robrecht Vlaanderen terug op bij de Franse koning Filips I. Hij greep de macht in het graafschap ten koste van zijn neef Arnulf die to dan toe als rechtmatige erfgenaam werd aangezien. Arnulfs moeder, Richilde van Henegouwen, zocht steun in Normandië bij haar zwager Willem de Veroveraar, de man van haar schoonzus Mathilde van Vlaanderen. Ook kreeg zij de steun van die de belangen van zijn rechtmatige vazal verdedigde.

Nauwelijks een maand na de nederlaag bij Cassel trok Richilde met een verenigd Henegouws en Frans leger ten strijde tegen Robrecht de Fries. Robrecht was in het defensief, maar haalde toen een slimme diplomatieke zet uit. Hij had voordien in Kassel Eustaas, graaf van Boulogne, gevangen genomen. Deze was tevens de broer van Godfried, bisschop van Parijs en kanselier van Filips I. Door een goed woord van laatstgenoemde bij de Franse koning en de vrijlating van Eustaas, zag Filips I af van verdere steun aan Richilde. Robrecht de Fries verzoende zich met de Franse koning en gaf hem zijn stiefdochter Bertha van Holland tot vrouw.

Richilde probeerde nog een laatste keer om Vlaanderen te heroveren voor haar jongere zoon Boudewijn. Ze sloot een nieuw bondgenootschap met de bisschop van Luik, Godfried III met de Bult, hertog van Neder-Lotharingen, Willem I, bisschop van Utrecht, en de bisschoppen van Trier en Kamerijk alsook de aartsbisschop van Keulen. Robrecht besloot echter om keizer Hendrik IV te huldigen voor Rijks-Vlaanderen. In ruil daarvoor zorgde Hendrik ervoor dat zijn bondgenoten Richilde niet meer steunden. De grote veldtocht tegen Vlaanderen, die Richilde in gedachten had, kwam er niet, en het conflict doofde uit.

Strijd tegen de bisschop van Utrecht

[bewerken | brontekst bewerken]

Toen Robrecht in Vlaanderen stevig in het zadel zat, hielp hij zijn stiefzoon Dirk V om het graafschap West-Frisia te heroveren. Ze organiseerden samen een aanslag op de hertog van Neder-Lotharingen Godfried met de Bult. Deze werd in Vlaardingen, toen hij 's nachts het toilet bezocht, gespietst met een scherp wapen. Hij stierf op 26 februari 1076. Een paar maanden later, op 8 juni 1076, versloegen Robrecht en Dirk de bisschop van Utrecht in de Slag bij IJsselmonde. Dirk V kwam weer terug als graaf en hij bestuurde Holland tot zijn dood in 1091.

Betrokkenheid bij de Engelse troon

[bewerken | brontekst bewerken]

De betrekkingen met de Engelse koning Willem de Veroveraar waren na de slag bij Kassel in 1071 verre van vriendschappelijk. Willem de Veroveraar had een contingent Normandiërs gestuurd om Richilde te steunen in haar strijd tegen Robrecht. Robrecht steunde de aanspraken van zijn schoonzoon Knoet IV van Denemarken op de (verloren) Engelse troon. Samen waren zij van plan een vloot van 1600 schepen naar Engeland sturen. Het kwam echter niet zover; door een broedertwist tussen de twee Deense prinsen Knoet IV en Olaf. Olaf werd gevangen genomen en naar Robrecht gestuurd. Maar kort daarop, op 10 juli 1086, werd Knoet IV vermoord. Olaf I van Denemarken mocht na betaling van een aanzienlijke som losgeld naar Denemarken terugkeren.

Pelgrimstocht naar Jeruzalem

[bewerken | brontekst bewerken]

Robrecht de Fries had het plan opgevat om op pelgrimstocht naar Palestina (het "Heilige Land") te trekken (1086–1091) (dus nog geen decennium voor de Eerste Kruistocht).[1] In 1086 vertrok hij vergezeld van een klein leger. Hij liet het bestuur van het graafschap Vlaanderen in handen van zijn zoon, de latere Robrecht II van Jeruzalem.

Robrecht de Fries verbleef twee jaar in Jeruzalem. Bij zijn terugkeer knoopte Robrecht betrekkingen aan met de Byzantijnse keizer Alexius Comnenus, aan wie hij militaire hulp verleende in diens strijd tegen de Seltsjoeken.[2] In een gevecht reden Robert en drie van zijn metgezellen voor de hoofdmacht van het leger uit in een aanval op Kerbogha, wiens troepen door de christenen volledig uit elkaar werden geslagen.[3]

Graaf Robrecht I, de Fries (afbeelding uit Flandria illustrata, 1641)

Robrecht de Fries staat bekend om zijn binnenlandse hervormingen die hem in staat stelden het grafelijk gezag te verstevigen ten nadele van de voorrechten van de adel en de geestelijkheid. Dit ging niet vanzelf. Arnoldus, bisschop van Soissons en latere stichter van de abdij in Oudenburg, ging in 1083 op reis door het graafschap om de vrede te herstellen tussen de graaf en de adel. Arnoldus zou sterven op 15 augustus 1087 te Oudenburg gedurende een tweede vredestocht. Robrecht de Fries voerde het ambt in van grafelijke kanselier en bevorderde de ontluikende handel. Hij toonde ook interesse in letteren en wetenschappen.

Hij maakte van Brugge een Europees handelscentrum. Door de godsvrede na te leven, bevorderde hij ook de relaties met naburige graafschappen. Brugge werd ook een politiek centrum en hierdoor verplaatste zich het overwicht van het zuiden naar het noorden. Hij verbleef vaak in Brugge en bouwde een kasteel teWijnendale. Daarnaast verbleef hij soms ook in het kasteel van Veurne.

Robrecht was een bondgenoot van paus Gregorius VII, maar in de praktijk hield hij zich niet aan diens Gregoriaanse hervorming, o.a. bij de bisschopsbenoemingen.[4]

Graf en opvolging

[bewerken | brontekst bewerken]

Robrecht en Geertruida van Saksen kreeg mogelijk zes kinderen:

Robrecht liet in Kassel in 1072 de Sint-Pieterskerk bouwen op de Terrasse du Château, bovenop de Kasselberg), om zijn overwinning op de Franse koning te vieren die hij het jaar voordien op de naamdag van Sint-Pieter had behaald. Robrecht werd in 1093 in de crypte onder de kerk begraven. Bij de afbraak van de kerk werden zijn asresten opgegraven en in een goot gegooid.

Robrecht werd opgevolgd door zijn zoon, Robrecht II van Jeruzalem, aan wie hij reeds vóór zijn vertrek op pelgrimstocht gedeeltelijk het bestuur van zijn graafschap overdroeg (na 1080).

Voorouders van Robrecht I de Fries
Overgrootouders Arnulf II van Vlaanderen
(960-988)
∞ 968
Suzanna van Italië
(950-1003)
Frederik van Luxemburg
(965-1019)
∞ 995
Irmtrud van de Wetterau
(ca. 987-1020)
Hugo Capet
(940-996)

Adelheid van Poitiers
(ca. 952-1004)
Willem I van Provence
(956-993)
∞ 1003
Adelheid van Anjou
(?-1026)
Grootouders Boudewijn IV van Vlaanderen (980-1035)
∞ 1012
Otgiva van Luxemburg (986-1030)
Robert II van Frankrijk (972-1031)

Constance van Arles (986-1034)
Ouders Boudewijn V van Vlaanderen (1013-1067)
∞ voor 1028
onbekend
Robrecht I de Fries (ca. 1029-1093)
  • C. VERLINDEN, Robert Ier le Frison comte de Flandre, De Sikkel, Antwerpen, 1935.
  • J. DHONDT, Korte geschiedenis van het ontstaan van het graafschap Vlaanderen van Boudewijn de IJzeren tot Robrecht den Fries, Brussel – Den Haag, 1943.
  • G. VAN DE WOUDE & R. WATTHY, Vlaanderen's territoriale en militaire ontwikkeling onder de graven, Antwerpen, 1944.
  • F. L. GANSHOF, Vlaanderen onder de eerste graven, Antwerpen, 1944.
  • A. C. F. KOCH, Het graafschap Vlaanderen van de 9de eeuw tot 1070, in: Algemene geschiedenis der Nederlanden I. Haarlem, 1981, 354-383.
  • T. DE HEMPTINNE, Vlaanderen en Henegouwen onder de erfgenamen van de Boudewijns 1070-1244 in: Algemene geschiedenis der Nederlanden II. Haarlem, 1982, 372-398.
  • Bram BRUTSAERT, Boudewijn VII Hapkin, een Witte Ridder uit de 12de eeuw, graaf van Vlaanderen (1111 - 1119), licentiaatsthesis (onuitgegeven), Katholieke Universiteit Leuven, 2004.
  • Frans BAEKELANDT, Robrecht de Fries, in: Kontaktblad Gidsenbond Brugge en West-Vlaanderen, mei, 2007 - idem in: Historische opstellen, Brugge, 2011.
  • Kees NIEUWENHUIJSEN, Robrecht de Fries. Graaf van Vlaanderen, held van Holland, Omniboek, Utrecht, 2022.