Roerende voorheffing

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De roerende voorheffing is in België een voorschot (voorheffing) op de inkomstenbelasting die geheven wordt op inkomsten uit roerende goederen. In België wordt het woord "goederen" ook gebruikt voor niet-tastbare waarden. De roerende inkomsten bestaan dus voornamelijk uit intresten en dividenden. De gewone aanslagvoet is 30%.[1] Ze wordt ingehouden door de bank of de onderneming die de intrest uitbetaalt of de vennootschap die het dividend uitkeert. Het uitbetalend organisme moet de belasting onmiddellijk doorstorten naar de overheid.[2]

Deze roerende voorheffing is voor particulieren bevrijdend. Dat wil zeggen dat er geen afrekening van personenbelasting meer gebeurt. Er is dan geen aangifteplicht voor intresten of dividenden die deze voorheffing ondergaan hebben. Personen met een laag inkomen kunnen deze roerende inkomsten toch aangeven in de personenbelasting om een (gedeeltelijke) terugbetaling te vragen.

Voor de wettelijk gereglementeerde spaarboekjes is er een vrijstelling tot € 1.880 (inkomstenjaar 2014 / aanslagjaar 2015) aan jaarlijkse intresten (en een belasting van 15% voor het deel boven het vrijgestelde bedrag).

Historiek[bewerken]

Voor de inkomsten 2012 is er wel een aangifteplicht ingevoerd, plus een dematerialisatietaks van 1%. Voor personen die meer dan € 20.020 aan jaarlijkse roerende inkomsten genieten wordt een supplementaire taks van 4% geheven op het supplementaire bedrag. Men kan vrijgesteld worden van de aangifteplicht door onmiddellijk 25% voorheffing te betalen. Later werd de roerende voorheffing terug geheel bevrijdend en is er geen aangifteplicht meer.

Sinds 2013 is voor zowel interesten als voor dividenden een uniforme roerende voorheffing van 25% van toepassing. Hierop zijn slechts enkele uitzonderingen: gereglementeerde spaarboekjes, bepaalde overheidsobligaties en vastgoedbevaks die in residentieel vastgoed investeren. Hier geldt 15%.

Sinds 2016 geldt er een roerende voorheffing van 27%.

Vanaf 2017 geldt een roerende voorheffing van 30%. Bepaalde uitzonderingen (spaarboekjes, ...) blijven evenwel van kracht.

Tot in de jaren 1980 was er al een roerende voorheffing van 25%, die nadien werd verminderd tot 15% om het sparen aan te moedigen, en om de kapitaalvlucht te ontmoedigen (interesten ontvangen in het buitenland was eenvoudig omdat er nog geen internationale uitwisseling was tussen de banken en de overheid). Dit was niet meer mogelijk na 2006.

Varianten[bewerken]

Daarnaast wordt ook de opbrengst van verhuur van tastbare roerende goederen, zoals schepen, auto's of toneelkostuums tot deze inkomstencategorie gerekend. In dit geval zijn veel situaties waarin er vrijstelling van roerende voorheffing voorzien is. Met name wanneer deze opbrengsten inbegrepen zijn in de boekhouding van een onderneming, maken zij gewoon deel uit van de belastbare winst.

Zie voor de internationale aspecten van de roerende voorheffing: belastingverdrag.