Russische Revolutie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Russische revolutie)
Ga naar: navigatie, zoeken
Russische Revolutie van 1917
Sovjets vallen de tsaristische politie aan
Sovjets vallen de tsaristische politie aan
Datum 8 maart8 november 1917
(23 februari26 oktober 1917 O.S.)
Locatie Rusland
Resultaat Troonsafstand van Nicolaas II
Einde van het Keizerrijk Rusland
Bolsjewieken nemen de macht over
Begin van de Russische Burgeroorlog
Strijdende partijen
Flag of Russia.svg Keizerrijk Rusland Flag of Russia.svg Russische Voorlopige Regering Socialist red flag.svg Sovjet van Petrograd
Socialist red flag.svg Bolsjewistische Partij
Leiders en commandanten
Flag of Russia.svg Nicolaas II van Rusland Flag of Russia.svg Aleksandr Kerenski Socialist red flag.svg Vladimir Lenin

De Russische Revolutie (Russisch: Русская революция, Russkaja revoljoetsija) was een grootschalige omwenteling in het Keizerrijk Rusland tijdens de eerste decennia van de twintigste eeuw. In zekere zin was sprake van een reeks van revoluties. Deze hadden de verdwijning van het tsaristische regime en de oprichting van de Sovjet-Unie, de eerste communistische staat ter wereld, tot gevolg. Bij de Februarirevolutie in 1917 werd de tsaar afgezet en vervangen door een voorlopige regering. Bij een volgende omwenteling, de Oktoberrevolutie, werd de voorlopige regering vervangen door een bolsjewistische (communistische) regering. Hierna brak er een burgeroorlog uit tussen de "Roden" (bolsjewieken/communisten) en de "Witten" (mensjewieken en Russische adel), die meerdere jaren duurde. Uiteindelijk wonnen de bolsjewieken. Op deze manier had de revolutie de weg vrijgemaakt voor de Unie van Socialistische Sovjetrepublieken (USSR).

De Russische Revolutie was een van de allerbelangrijkste, meest ingrijpende gebeurtenissen van de twintigste eeuw. De revolutionairen streefden naar een totale herstructurering van maatschappij en economie. Het was hun bedoeling een wereldrevolutie tot stand te brengen.

Oorzaken en uitkomst[bewerken]

Zoals iedere grote omwenteling had ook de Russische Revolutie tal van oorzaken. De vraag is ook of en in hoeverre de revolutie onafwendbaar was. In ieder geval was de rigiditeit van het politiek bestel een van de voornaamste oorzaken.
De liberaal Peter Struve was van mening dat de wortels van de revolutie waren gelegd tijdens het bewind van keizerin Anna (1730-1740). Om de troon te verwerven had Anna verregaande beloften aan de adel moeten doen waardoor de macht van de tsaar/tsarina sterk werd beperkt. Kort na haar troonsbestijging verklaarde zij haar toezeggingen nietig. Een volgende poging om de macht van de tsaar te beperken vond pas plaats in 1825 tijdens de Dekabristenopstand.

Richard Pipes wijst erop dat de aanwezigheid van een intellectuele elite, de intelligentsia, een noodzakelijke voorwaarde is voor een revolutie. Zonder politiek program, zonder ideologie kan geen revolutie plaatsvinden. "Opstanden gebeuren bij toeval; revoluties worden gemaakt."[1] Kenmerkend voor Rusland was het bestaan van een relatief grote en actieve groep radicale intellectuelen, die er bewust naar streefde aan de macht te komen.

De revolutie leidde uiteindelijk niet tot een democratischer of liberaler regime in Rusland; integendeel, de despotie van de tsaren bleek niet opgewassen tegen de combinatie van binnenlandse spanningen en een moderne oorlog; de anarchie die op de ineenstorting van het regime volgde, maakte de weg vrij voor de stalinistische dictatuur. In zekere zin was sprake van een cirkelbeweging.
Een complex van factoren was de oorzaak van het verloop van de gebeurtenissen en het uiteindelijk resultaat van de revolutie. Orlando Figes wijst op de afwezigheid van onafhankelijke staatsinstellingen naast de monarchie, de geringe invloed van liberalen, de geïsoleerdheid van de boerenmassa en het ongekende fanatisme van de revolutionaire beweging in Rusland.

Afbakening[bewerken]

Grote historische gebeurtenissen hebben zelden een duidelijk afgebakend begin- en eindpunt. De Russische Revolutie is wat dat betreft geen uitzondering. Veel studies behandelen hoofdzakelijk de gebeurtenissen in de jaren 1917, 1918, 1919 en 1920. Orlando Figes en Richard Pipes komen allebei tot een ruimere invulling van het begrip. Pipes constateert dat er vanaf de jaren 60 van de negentiende eeuw een revolutionaire beweging in Rusland actief was. Nadat de bolsjewieken de burgeroorlog in 1920 hadden gewonnen, duurde het enkele jaren voordat zij hun politiek program daadwerkelijk konden uitvoeren. Pas aan het eind van de jaren 20 kregen de revolutionairen de kans hun ideologie in de praktijk te brengen. Pipes ziet de dood van Stalin (1953) als het keerpunt: het door de revolutie opgebouwde systeem werd nadien gaandeweg afgebroken.

Voorgeschiedenis[bewerken]

Het Russische Rijk was aan het einde van de negentiende eeuw een van de weinige landen in Europa waar de macht van de vorst vrijwel onbeperkt was. Sinds 1613, het jaar waarin de bojaren de kroon aan Michaël I hadden aangeboden, werd het land geregeerd door de Romanovs. Zij hadden het rijk in alle windrichtingen uitgebreid.
Rond 1900 telde het Russische Rijk ongeveer 126 miljoen inwoners. In 1897 was er voor het eerst een volkstelling gehouden. Volgens de telling waren de 56 miljoen Russen (Groot-Russen) weliswaar de grootste nationale groep binnen het rijk, maar desondanks een minderheid. Andere Oost-Slavische volkeren waren de Oekraïners of Klein-Russen en de Wit-Russen. Door de 22 miljoen Oekraïners als Russen te beschouwen - zoals de regering deed - leek de meerderheid van de bevolking uit Russen te bestaan. Iedere oprisping van Oekraïens nationalisme werd door de regering onderdrukt.[2]

Naar omvang was het Russische Rijk de vijfde economie ter wereld. Ruim driekwart van de bevolking was boer. De landbouw was de belangrijkste sector van de economie. Rusland exporteerde hoofdzakelijk landbouwproducten. In dit opzicht leek het Russische Rijk meer op een Aziatisch dan op een Europees land.

De politieke en sociale structuur van Rusland verschilde fundamenteel van West-Europese staten. De bureaucratie was zeer machtig, de sociale mobiliteit gering. Het rijk probeerde een leidende rol te spelen in de internationale politiek; het was een van de grote mogendheden. Om internationaal bij te blijven was modernisering van de economie noodzakelijk; die was dan ook relatief modern en dynamisch. De dynamiek van de economie ondermijnde de traditionele, rigide structuren. In de praktijk beperkte ook de uitgestrektheid van het rijk de macht van de tsaren. Veel beslissingen werden feitelijk genomen door de bureaucratie.

Peter de Grote (1682-1725) had de positie van de tsaar in zijn militaire verordening van 1716 als 'onbeperkt' en 'autocratisch' soeverein vastgelegd. Zijn verordening bleef tot het begin van twintigste eeuw van kracht. Ook alle wetgevende macht berustte bij de tsaar. Het idee van een grondwet, die hun macht zou beperken, was de meeste tsaren een gruwel. Peter de Grote had Rusland ook een nieuwe hoofdstad gegeven: Sint-Petersburg. Midden in de Neva had hij de Petrus- en Paulusvesting laten bouwen. De vesting was het symbool van het autocratisch bewind van de tsaren. Binnen de vesting was ook de beruchte gevangenis, waar vele politieke gevangenen gevangen werden gehouden.

Alexander II en Alexander III[bewerken]

In 1861 schafte tsaar Alexander II de lijfeigenschap af. De boeren moesten hoge belastingen betalen aan de overheid en schadevergoedingen voor de afschaffing van de lijfeigenschap betalen aan de edellieden. De voormalige lijfeigenen konden een stuk land kopen en sloten daartoe hypotheken af, waarvoor ze rente aan de bank moesten betalen. De bevrijdde boeren werden eigenaar van kleine stukjes land of pachtten land van de grootgrondbezitters.[3] De 75 miljoen agrarische gezinshoofden bezaten gezamenlijk slechts 1/3 van het land, terwijl de rest in eigendom bleef van de grootgrondbezitters, zoals de adel, de keizerlijke familie en de kerk.[3] De vrijmaking van de boeren zorgden daardoor niet voor een grote verbetering voor de boeren. Voornamelijk studenten en andere "intelligentsia" sloten zich aan bij de narodniki. Idealistische leden van de intelligentsia, veelal afkomstig uit de middenklasse, hoopten het leven van de boeren te verbeteren. Tegelijkertijd idealiseerden zij het boerenleven. De narodniki moesten hun activiteiten in het geheim ontplooien. De autoriteiten bezagen hen met groot wantrouwen. Velen van hen werden naar Siberië verbannen. De organisatie Narodnaja Volja (Volkswil) voerde op 1 maart 1881 een aanslag uit op tsaar Alexander II. De narodniki gooiden twee bommen naar de keizerlijke koets, waarbij Alexander II om het leven kwam.

De opvolger van Alexander II, tsaar Alexander III, sloeg deze groepen met grof geweld neer. Vele opstandelingen werden naar Siberië getransporteerd. Veel latere communisten, onder wie Vladimir Lenin, Jozef Stalin en Leon Trotski, zaten in Siberië vast. Alexander III draaide de decentralisering van zijn vader terug en verving het door het oude, bureaucratische, centrale bestuur. De elite die het rijk bestuurde, had een uitgesproken aristocratisch karakter. Dit gold in het bijzonder voor de hoogste rangen van de bureaucratie. Om carrière te maken binnen de bureaucratie was het van groot belang om over de juiste relaties te beschikken. Bijna iedereen die tot deze elite behoorde, was lid van de keizerlijke zeilvereniging. In veel opzichten leek Rusland een kolonie. De elite en de boeren waren verregaand van elkaar vervreemd. De elite was sterk verwesterd en stond onder invloed van westerse ideeën. De boerenmassa was het oude Rusland trouw gebleven. De boeren betaalden belasting en dienden in het leger, maar zagen de staat als een vijandige macht.

In 1891 werd het zuidoosten van Rusland, het gebied rond de Wolga, getroffen door een zware hongersnood. Er was in de winter weinig sneeuw gevallen, terwijl de vorst vroeg was ingetreden. Er volgde een lange zomer waarin heel weinig regen viel. Op veel plaatsen viel er gedurende drie maanden geen regen. Een groot deel van het vee stierf; de roggeoogst bedroeg in de zwaarstgetroffen regio nog niet het twintigste van een gemiddelde oogst. Zeventien provincies tussen de Oeral en de Zwarte Zee werden door de ramp getroffen. In het getroffen gebied leefden 36 miljoen mensen. Velen van hen vluchtten weg. In 1892 sloegen cholera en tyfus toe; ongeveer een half miljoen mensen vond als gevolg hiervan de dood. Er kwam grote kritiek op de overheid, omdat die pas medio augustus een exportverbod op graanproducten invoerde.[4][5]

Nicolaas II[bewerken]

Alexander III overleed in 1894 en werd opgevolgd door zijn zoon, Nicolaas II. Nicolaas was een gelovig man, in zichzelf gekeerd en ervan overtuigd dat hij net als alle andere tsaren de door God aangewezen autocraat van Rusland was en dat hij daardoor niemand verantwoording schuldig was. Nicolaas II zei in 1902: “Ik beschouw Rusland als privaat grondbezit, waarvan de tsaar de eigenaar is, de adel het bestuur, en de boeren de arbeiders.[6] De tsaar zag zichzelf als de belichaming van God op aarde. Hij stond daarom boven de wet en regeerde volgens zijn eigen opvattingen.[7] Nicolaas II beweerde dat zijn beleid “door God was ingegeven”.[8] Tot 1905 was het strafbaar om van de Russisch-orthodoxe kerk over te stappen naar een ander geloof of andere christelijke stromingen. Filosofische en religieuze boeken werden gecontroleerd door de kerkelijke censuur. Overspel en "godslastering" werden berecht in kerkelijke rechtbanken.[9] De kerkelijk rechtbanken veroordeelden ook mensen wegens tovenarij.[10]

Volgens de volkstelling van 1897 vormden de etnische Russen ongeveer 44% van de bevolking en waren ze de langzaamst groeiende bevolkingsgroep.[11] Minderheidstalen waren verboden in rechtbanken, scholen, universiteiten, literatuur en straatnamen. Het was verboden om het woord Oekraïne af te drukken.[11]

De Ochrana, de geheime politie, hield iedereen scherp in de gaten. Zij infiltreerde zelfs in revolutionaire bewegingen door middel van spionnen. Er ontstonden politieke partijen, die, hoewel ze vaak een semi-illegaal bestaan leidden, toch groeiden. In 1898 ontstond de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij, die uiteenviel in de mensjewieken en de bolsjewieken.

In 1901 ontstond de Sociaal-Revolutionaire Partij, die door de regering het meest gevreesd was vanwege haar groot aantal leden, de aanslagen die zij pleegde en de boerenopstanden die zij aanmoedigde. In 1905 ontstond de Constitutioneel-Democratische Partij (ook bekend als de kadetten). Deze partij was, in tegenstelling tot de andere, gematigd. Ze wilde een democratische staat met een grondwet, een parlement en algemeen kiesrecht. Als dit niet stap voor stap te bereiken was, waren haar leden wel bereid tot een revolutie.

De revolutie van 1905 en haar gevolgen[bewerken]

Soldaten blokkeren de triomfboog bij het Winterpaleis op Bloedige Zondag, 1905.
1rightarrow blue.svg Zie Revolutie van 1905 voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Russische nederlagen in de Russisch-Japanse Oorlog van 1904 en de daarmee gepaarde economische problemen leidden tot grote ontevredenheid en onrust in het tsarenrijk. Op zondag 9 januari 1905 (volgens de gregoriaanse kalender 22 januari) liepen 150.000 mensen met kerkvaandels, religieuze iconen en afbeeldingen van de tsaar naar het Winterpaleis in Sint-Petersburg om een petitie aan de tsaar te overhandigen. De petitie smeekte aan de tsaar om arbeidsrechten en economische hervormingen door te voeren. De demonstranten werden aangevallen door het leger, waarbij er tussen 200 en 4600 doden vielen en de dag staat sindsdien bekend als Bloedige Zondag.[12] Dit leidde tot demonstraties in verschillende steden, waarbij in sommige gevallen demonstranten gedood werden. Dit leidde onder andere tot de Łódź-opstand, waarbij 200 tot 800 mensen omkwamen.[13] Op 14 juni 1905 (O.S.) brak er een muiterij op de kruiser Potjomkin. Op het platteland werden verschillende boerenrepublieken opgericht met hun eigen bestuur. Op initiatief van de Bond der Bonden werden er ook arbeidsraden (sovjets) opgericht. De Bond der Bonden was een door liberalen en mensjewieken opgerichte vereniging van verschillende vakbonden. In Moskou en Sint-Petersburg waren grootschalige opstanden. De tsaar steunde de Zwarte Honderden die liberalen, socialisten en Joden aanvielen en vermoordden. Tussen half oktober 1905 en april 1906 waren er volgens de autoriteiten ongeveer 15.000 mensen geëxecuteerd en ongeveer 20.000 mensen doodgeschoten of verwond tijdens de gevechten. Tussen april 1906 en 1909 werden ruim 5000 politieke gevangenen ter dood veroordeeld. Er zijn geen officiële cijfers van vóór oktober 1905 bekend.[12] Uiteindelijk werden de protesten onderdrukt, maar met het 'Oktobermanifest' beloofde de tsaar hervormingen. De tsaar was gedwongen door de Revolutie van 1905 om een parlement (de Doema) in te stellen. Volgens het Oktobermanifest moesten nieuwe wetten door dit parlement bekrachtigd worden. De tsaar had echter het recht om de Doema op iedere moment te ontbinden.

Op 27 april 1906 vond de eerste bijeenkomst van de Doema plaats. Al tijdens de openingsceremonie bleek dat de betrokken partijen nauwelijks bereid waren om de kloof tussen monarchie en volk te overbruggen. De Doema had weinig invloed. De eerste Doema werd op 8 juli 1906 ontbonden omdat het te veel kritiek leverde op de tsaristische regering. De tweede Doema werd in februari 1907 geopend, waarin 54 oktobristen, 98 kadetten, 60 leden van andere centrum-rechtse partijen, 65 marxisten, 37 sociaal-revolutionairen, 16 volkssocialisten en 104 troedoviken zitting namen.[14] Premier Stolypin besloot de tweede Doema op te heffen, omdat hij te veel kritiek van de Doema kreeg. De derde Doema werd gekozen volgens een nieuw kiesrecht, waarin de stemmen van de adel, rijken en industriëlen nog meer zwaarte kregen, terwijl de invloed van de boeren en arbeiders bijna nihil werd.

Na de revolutie van 1905 kregen minderheden het recht om in hun eigen taal te publiceren.[15] Na de revolutie van 1905 werden enkele discriminerende wetten tegen rooms-katholieken en protestanten herzien. Nadat het revolutionaire gevaar in 1907 was geweken, werden katholieke scholen weer verboden. De katholieke pers werd vervolgd en verschillende katholieke kerken werden gesloten of omgevormd tot oosters-orthodoxe kerken.[16]

In april 1912 werden 500 mijnwerkers gedood die demonstreerden voor hogere lonen.[17]

Russische deelname aan de Eerste Wereldoorlog[bewerken]

Tijdens de Eerste Wereldoorlog hoorde Rusland bij de Geallieerden en vocht tegen de Centralen (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en het Ottomaanse Rijk). De Eerste Wereldoorlog werd de oorzaak voor de ontevredenheid die de Russische Revolutie liet losbarsten. De Eerste Wereldoorlog vormde een splijtzwam die dwars door alle socialistische partijen heen liep. Er was een verdeling tussen defensisten en internationalisten. Defensisten vonden dat Rusland het recht had om zich te verdedigen en vonden dat de centrale mogendheden de agressoren waren.[18] De internationalisten wilden vrede sluiten met de Centralen. Lenin was tegen de oorlog en iedereen met een andere mening werd uit de bolsjewistische partij gezet. Jozef Stalin en Lev Kamenev hadden in de doema uit patriottische overwegingen voor mobilisatie gestemd, maar veranderden hun mening om in de partij te blijven. In tegenstelling tot de mensjewistische internationalisten was Lenin voorstander van defaitisme. Lenin wenste de nederlaag van Rusland en een overwinning voor de Duitsers.[18][19]

De oorlog verliep slecht voor Rusland en meer dan twee miljoen Russische soldaten stierven in de oorlog. De Russische wapenindustrie had niet genoeg capaciteit om voldoende wapens en munitie aan te leveren. Soldaten kregen te horen dat ze zich moesten beperken tot tien schoten per dag. Daarnaast was er een tekort aan schoenen en laarzen, waardoor vele soldaten in 1916 blootsvoets vochten. De Russische kampementen werden geteisterd door epidemieën van vlektyfus en cholera.[20] Doordat het tsaristische regime veel geld bijdrukte verachtvoudigde de geldhoeveelheid met als gevolg een hoge inflatie. Prijzen schoten omhoog door een tekort aan consumentgoederen. Op momenten dat bijna alle locomotieven in gebruik waren voor militaire transporten waren grote hoeveelheden graan aan het rotten. De calorie-inname van ongeschoolde arbeiders daalde met een kwart en het kindersterftecijfer verdubbelde tussen 1914 en 1916.[21] Er gingen geruchten dat de keizerin (die van Duitse afkomst was) en Grigori Raspoetin voor Duitsland aan het saboteren en spioneren waren.[22] De militaire nederlagen, grootschalige verliezen van manschappen, stijging van prijzen en het gebrek aan voedsel en brandstof voor de burgers leidden tot grote ontevredenheid bij de Russische bevolking.

Februarirevolutie van 1917[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Februarirevolutie (1917) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Stakers van de Poetilov-fabriek op 23 februari (O.S.)

In februari stonden vrouwen hele nachten in de broodrij. Op 23 februari (oude stijl, 8 maart in West-Europa) was het Internationale Vrouwendag. Vrouwen demonstreerden in het stadscentrum voor gelijke rechten. Op dezelfde dag begonnen vrouwelijke arbeiders in de Petrogradse wijk Vyborg te staken tegen het broodtekort. Zij riepen de mannen van de nabijgelegen staalfabrieken op om mee te doen met de staking en sloten zich aan bij de vrouwelijke demonstranten in het centrum. Aan het einde van de middag deden ongeveer 100.000 mensen mee met de demonstratie. Op 24 februari gingen 150.000 mensen de straat op in Petrograd. Op 25 februari werd er gestaakt in alle grote fabrieken van Petrograd. Ongeveer 200.000 mensen sloten zich aan bij de staking en demonstraties. Er vonden gevechten plaats tussen de demonstranten en de politieagenten.[23]

De belangrijkste revolutionairen leiders zaten in het buitenland, zoals Lenin en Trotski. Het totale ledental van de bolsjewistische partij in het begin van 1917 werd door de bolsjewistische leider Schapljikov geschat op 10.000.[24]

Op 27 februari werd de Sovjet van Petrograd opgericht. Bij de vergadering van 28 februari waren er ongeveer 600 afgevaardigden gekozen door de arbeiders en soldaten. De soldatenafgevaardigden domineerden de vergadering, want twee derde van de stemgerechtigden bestond uit soldaten. Het aantal afgevaardigden zei niks over de grootte van de groep achter de afgevaardigde, want een groep van tien soldaten kon al een afgevaardigde hebben, terwijl een fabriek met duizenden werknemers ook een afgevaardigde had.[23]

Leden van de Doema weigerden het bevel van de tsaar tot de opheffing van de Doema op te volgen. Deze Doemaleden riepen zichzelf uit tot de officiële leiding van het land. De Sovjet van Petrograd besloot op 1 maart de oprichting van de Voorlopige Regering te steunen. Op 2 maart werd de Voorlopige Regering gevormd. Georgi Lvov werd de minister-president.[23] Op 2 maart stuurde de Doema twee afgevaardigden naar de tsaar met de eis dat hij zou aftreden. Nicolaas trad af namens zichzelf en zijn zieke zoon. Zijn jongere broer Michail weigerde de kroon. Dit betekende de val van de monarchie en dat werd met vreugde onthaald door het merendeel van de bevolking. Er werd feest gevierd in de grote steden van Rusland en ook in gebieden met veel leden van etnische minderheden. Op het platteland, waar veel etnische Russen woonden, werd het einde van de monarchie iets minder gevierd, want veel oude boeren zagen het afzetten van de tsaar als een religieuze zonde. Anderzijds waren er vele dorpen en steden waar grote feesten werden gevierd, waar God werd bedankt voor de val van de tsaar en waar religieuze processies werden gehouden ter ere van de republiek.[23]

Periode tussen februari en oktober 1917[bewerken]

De Voorlopige Regering voerde vrijheid van meningsuiting, pers en vergadering in. Wettelijke discriminatie van religie, klasse en etniciteit werden afgeschaft net zoals de doodstraf. Er werd algemeen stemrecht voor mannen en vrouwen ingevoerd en voorbereidingen werden begonnen voor de verkiezingen van de Russische Grondwetgevende Vergadering (Constituante). Eerst zouden de verkiezingen beginnen op 17 september, maar dat werd later uitgesteld tot 12 november. De arbeiders en boeren begonnen zichzelf te organiseren in sovjets en fabriekscomités met daarin mensjewieken, sociaal-revolutionairen, bolsjewieken, anarchisten en ideologieloze afgevaardigden.[25]

In de meeste industriële centra in Rusland werden fabriekscomités opgericht om de productie op peil te houden en fabriekssluitingen tegen te gaan. Waar de eigenaren weg waren gevlucht namen de fabriekscomités de macht over, hoewel bij terugkeer van de eigenaren de betreffende fabrieken werden bestuurd door fabriekscomités in samenspraak met de eigenaren.[26] De fabriekscomités zagen toe op de toevoer van grondstoffen en op het ontslagbeleid. Er werden milities opgezet om de fabrieken ’s avonds te bewaken. De meeste fabriekscomités wilden geen arbeiderszelfbestuur, maar zeggenschap van de arbeiders naast het management of eigenaren. Veel fabriekscomités riepen de regering op om hun fabrieken te nationaliseren in navolging van de mensjewieken en bolsjewieken. De anarchisten wilden juist dat de arbeiders zelf het bedrijf zouden besturen en waren tegen nationalisatie. In sommige fabrieken werden bestuursraden gevormd met daarin afgevaardigden van de arbeiders, technici en het management.[27]

Boeren onteigenden stukken land van de grootgrondbezitters, waarna die verdeeld werden door de dorpsraad. Soms ontstonden er gevechten tussen verschillende dorpen over landverdeling, maar die werden opgelost via arbitrage door sociaal-revolutionairen. Veel gemeenschappen wilden wachten met de landverdeling tot de goedkeuring door de Constituante. De Voorlopige Regering liet landcomités oprichten die werden gekozen door de boeren om de orde op het platteland te bewaken en die na toestemming van de Constituante de landherverdeling zou coördineren. De dorpsovjets en landcomités hielden van 4 mei tot 25 mei het eerste Al-Russische Congres van Boerenafgevaardigden dat het onteigeningsproces door de boeren bekrachtigde.[25] De sociaal-revolutionaire minister Viktor Tsjernov gaf in juli het recht aan de landcomités om alvast over de gronden te beschikken en zo nodig te verdelen.[28]

De Voorlopige Regering gaf geen steun aan de wensen van etnische minderheden voor autonomie, want de Voorlopige Regering vond dat alleen de Constituante hierover mocht beslissen. De Voorlopige Regering gaf alleen onafhankelijkheid aan Polen op 16 maart, omdat Polen toentertijd geheel bezet was door Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Tot grote woede van de Voorlopige Regering en de Petrogradse Sovjet riep Finland haar onafhankelijkheid uit op 23 juni. De Voorlopige Regering stuurde troepen om het Finse parlement te ontbinden. De Voorlopige Regering en de Oekraïense Rada kwamen een compromis overeen op 2 juli, waarbij de Rada van Oekraïne werd erkend als autonoom orgaan in Rusland. Dit leidde tot grote woede bij de liberalen, waardoor drie kadetten op 4 juli ontslag namen uit de regering.[27]

Aprilcrisis[bewerken]

Op 14 maart publiceerde de Petrogradse Sovjet een Oproep aan alle volkeren ter wereld, waarin gepleit werd voor “vrede zonder annexaties of schadeloosstellingen”. De Petrogradse Sovjet vond dat Rusland zichzelf mocht verdedigen en dat er een algemene vredesregeling moest komen waar alle geallieerden en centrale mogendheden aan mee zouden doen. De Voorlopige Regering steunde deze oproep op 27 maart en nam afstand van de imperialistische doeleinden van het voormalige tsaristische regime. Alleen Pavel Miljoekov – de minister van Buitenlandse Zaken – verzette zich tegen de vredesplannen. De Voorlopige Regering stuurde een verklaring met een pleidooi voor vrede naar de ambassades van alle oorlogsvoerende landen. Miljoekov voegde zonder toestemming een notitie toe aan de verklaringen die gericht waren aan de geallieerde bondgenoten, waarin hij schreef dat Rusland nog steeds streefde naar een “volledige overwinning”, wat impliceerde dat de imperiale oorlogsdoelen van het tsaristische regime nog van toepassing waren.[29] Op 20 april werden demonstraties gehouden door arbeiders en soldaten in Petrograd nadat het bestaan van deze notitie bekend werd. Een muitend bataljon trok op naar het Mariinskipaleis – de zetel van de Voorlopige Regering – om steun te verlenen aan de Petrogradse Sovjet die tegen de notitie van Miljoekov was. De Petrogradse Sovjet veroordeelde de gewapende demonstratie en riep op tot steun aan de Voorlopige Regering en wilde dat de betogers naar huis gingen. De notitie van Miljoekov werd veroordeeld door de Voorlopige Regering. Miljoekov werd ontslagen en zijn medestander Aleksandr Goetsjkov – de Minister van oorlog – nam zelf ontslag. Op 21 april waren er nieuwe demonstraties en er waren gevechten tussen enerzijds betogers tegen de oorlog en anderzijds voorstanders van de oorlog en monarchisten, waarbij meerdere doden vielen. De Petrogradse Sovjet stemde met 44 stemmen van de 63 voor deelname van meer socialisten aan de Voorlopige Regering als de socialisten op persoonlijke titel zitting namen. De Voorlopige Regering werd opnieuw gevormd met 10 liberalen, 3 sociaal-revolutionairen, 2 mensjewieken en 1 volkssocialist.[29][30]

In april 1917 kwam Lenin met Duitse hulp terug uit ballingschap met een “verzegelde” treinwagon, dat wil zeggen dat er niet gecontroleerd werd op paspoorten door Duitsers. Lenin had zeventien jaar lang buiten het Russische Tsarenrijk gewoond met uitzondering van een halfjaarlijks verblijf in 1905 en 1906.[31] Lenin leefde van de inkomsten van het landgoed van zijn moeder tot aan haar dood in 1916 en kreeg ook geld uit de partijkas.[31] De Duitse regering hoopte dat Lenin mee kon helpen om Rusland vrede te laten sluiten met de Centralen. Kort na zijn aankomst in Petrograd maakte Lenin zijn aprilstellingen bekend. Lenin eiste de nationalisatie van alle land, banken en het grootkapitaal. Als nationalisatie niet mogelijk was, moesten de sovjets over deze zaken controle uitoefenen.[26] In de ogen van Lenin zouden fabrieken niet door hun werknemers bestuurd worden, maar zouden de fabriekscomités ondergeschikt moeten zijn aan vakbondsfederaties.[26] De meeste leidinggevende bolsjewieken waren tegen de aprilstellingen van Lenin.[31]

Stalin en Kamenev pleitten voor steun aan de Voorlopige Regering met het argument dat er volgens de marxistische theorie eerst een kapitalistische fase moet voorafgaan aan een proletarische revolutie. De lijn van Stalin en Kamenev werd aangenomen door het Al-Russische Congres van de Bolsjewistische Partij van eind maart en hetzelfde congres gaf voorwaardelijke steun aan de Voorlopige Regering en de voortzetting van de oorlog. Op hetzelfde congres werd een onderzoek afgekondigd over de hereniging van de bolsjewieken met de mensjewieken. Lenin was tegen de regering en de mensjewieken. Bij het congres van bolsjewieken in april kreeg Lenin een meerderheid achter zich doordat hij erkende dat de Voorlopige Regering niet direct afgezet moest worden, maar dat er eerst een lange periode van agitatie voor nodig was.[31]

In juni 1917 kwam het eerste Al-Russische congres van Sovjets bijeen met meer dan 800 afgevaardigden, waarvan 285 sociaal-revolutionairen, 248 mensjewieken en 105 bolsjewieken.[32] De bolsjewieken wilden op 10 juni een gewapende demonstratie houden om hun macht te laten zien. De regering zag de acties in juni als een mogelijk voorspel van een bolsjewistische staatsgreep, omdat Lenin op het eerste Al-Russische Congres van de Sovjets had beweerd dat zijn partij klaar was om de macht te grijpen. De Petrogradse Sovjet verbood de demonstraties van 10 juni, waarbij de bolsjewistische leiding besloot om de geplande demonstratie af te blazen.[31]

Julidagen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Julidagen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Demonstraties in Petrograd, juli 1917.

Tussen 3 en 7 juli 1917 (o.s.) waren er gewapende demonstraties van bolsjewieken in Petrograd. De leiding van de bolsjewistische partij was tegen de opstand, maar koos er later voor om de opstand te steunen. De soldaten en arbeiders gingen op 3 juli de straat op en gooiden trams om. Het bolsjewistische bestuur had tot toen opgeroepen tot rust, maar tijdens de afwezigheid van Lenin riep de leiding op tot demonstraties op 4 juli. Een grote groep opstandelingen kwam samen onder het balkon van het bolsjewistische hoofdkwartier, wachtend op Lenin die net was teruggekeerd uit Finland. In eerste instantie wilde Lenin niet spreken, omdat hij niet wist wat te zeggen. Nadat hij was overgehaald, hield Lenin een toespraakje van een paar secondes. Uit het toespraakje was het niet eens duidelijk of Lenin vond dat de opstand voortgezet diende te worden. Teleurgesteld door het uitblijven van een bevel van Lenin gingen deze opstandelingen naar het Taurische Paleis. Deze stoet werd onder vuur genomen, waarbij tientallen demonstranten om het leven kwamen. Op 5 juli kwamen loyalistische troepen aan om de Petrogradse Sovjet en de Voorlopige Regering te steunen. Lenin publiceerde op die dag een artikel in Pravda waarin hij opriep tot een beëindiging van de opstand. Op 18 juli werd het hoofdkwartier van de Sovjet verplaatst naar het Smolny-instituut. Lenin vluchtte naar Finland.[33]

Kornilov-affaire[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Kornilov-affaire voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Lavr Kornilov werd benoemd tot opperbevelhebber, want dat was een voorwaarde van de kadetten om deel te nemen aan de Voorlopige Regering. Er waren geruchten dat de bolsjewieken eind augustus een staatsgreep wilden plegen. Kornilov pleitte daarom voor de beteugeling van de macht van de soldatencomités en een verbod op soldatenvergaderingen. Na 3 augustus eiste hij de afkondiging van de staat van beleg in het hele land, de wederinvoering van de doodstraf voor burgers, stakingsverbod en een verbod op arbeidersvergaderingen. Kerenski weigerde om deze plannen door te voeren. Op 21 augustus werd Riga veroverd door de Duitsers, wat leidde tot angst dat de Duitsers zouden doorstoten naar Petrograd. Kornilov wilde de Voorlopige Regering dwingen met dreiging van geweld om diens hervormingen te verwezenlijken. Op 26 augustus werd Kornilov beschuldigd door Kerenski van het organiseren van een contrarevolutie. Toen Kornilov werd ontslagen dacht hij – naar eigen zeggen – dat Kerenski door de bolsjewieken was gevangengenomen. Kornilov gaf de opdracht aan zijn troepen om Petrograd in te nemen. De vakbond van spoorpersoneel zorgde dat de soldaten geen beschikking hadden over treinen en saboteerden de spoor. Socialistische agitatoren overtuigden de troepen om de opmars te stoppen. Op 1 september werd Kornilov gearresteerd. De Kornilov-affaire leidde tot afbrokkelijking van de steun aan Kerenski, want er waren geruchten dat Kerenski in eerste instantie de opmars van Kornilov had bevolen. Op 31 augustus kregen de bolsjewieken voor het eerst een meerderheid in de Sovjet van Petrograd.[34]

Honderden landhuizen van de adel op het platteland werden aangevallen door boeren. In de provincie Penza werden in september en oktober ongeveer 250 landhuizen geplunderd of in brand gestoken, dat was ongeveer een vijfde van alle landhuizen in de provincie.[35] Ongeveer een miljoen soldaten deserteerden uit het leger tussen maart en oktober 1917, waarbij het merendeel van de deserteurs bestonden uit leden van etnische minderheden.[36]

Oktoberrevolutie van 1917[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Oktoberrevolutie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Oktoberrevolutie was een staatsgreep door de bolsjewieken onder leiding van Lenin. Lenin wilde de staatsgreep beginnen voor de opening van het Tweede Al-Russische Sovjetcongres op 20 oktober, zodat hij de heerschappij van de bolsjewistische partij kon afschilderen als een voldongen feit, waardoor het Sovjetcongres niet kon kiezen voor een coalitieregering van de sociaal-revolutionairen, mensjewieken en bolsjewieken. Kamenev kon zich niet vinden in dit besluit en uitte op 18 oktober zijn mening in de krant: “Op dit moment zou de ontketening van een gewapende opstand voor het begin en onafhankelijk van het sovjetcongres een ontoelaatbare en zelfs fatale stap zijn voor het proletariaat en de revolutie.[37] Door dit artikel namen de geruchten over een toekomstige staatsgreep van de bolsjewieken toe. Hierdoor werden de autoriteiten bang en werd het Al-Russische Congres van Sovjets uitgesteld tot 25 oktober.[38][39]

Op de avond van 24 oktober (o.s) zetten de bolsjewieken wegversperringen op. In de vroege ochtend van 25 oktober hadden de bolsjewistische troepen de treinstations, telefooncentrale, elektriciteitscentrale en telegraafkantoren bezet. De Voorlopige Regering zat verschanst in het Winterpaleis. Nadat het kruiser Aurora losse flodders om tien over half tien afschoot, werd het Winterpaleis aangevallen door de communisten. Rond twee uur ’s nachts kwamen de bolsjewistische bestormers van het Winterpaleis de ministerraadkamer binnen, waar ze alle ministers arresteerden uitgezonderd de afwezige premier Kerenski. Volgens Trotski waren er hooguit 25.000 tot 30.000 man die meededen met de Oktoberrevolutie aan bolsjewistische zijde.[38]

Tijdens het bombardement van het Winterpaleis werd het Tweede Al-Russische Sovjetcongres geopend en bij de opening van het congres waren er 670 afgevaardigden, bestaande uit ongeveer 300 bolsjewieken, 193 sociaal-revolutionairen en 82 mensjewieken. De soldatenafgevaardigden uit het noorden waren oververtegenwoordigd en daar waren de bolsjewieken sterk, terwijl de soldatenafgevaardigden uit het zuiden met veelal mensjewieken en sociaal-revolutionairen ondervertegenwoordigd waren. De Letten vormden ongeveer tien procent van de afgevaardigden, terwijl dat niet overeenkwam met de relatieve grootte van het aantal Letten in Rusland. De Letten waren voornamelijk bolsjewieken. Een groot deel van de mensjewieken en “rechtse” sociaal-revolutionairen veroordeelden de aanval op het Winterpaleis en verlieten demonstratief het congres. De bolsjewieken wisten met steun van de linkervleugel van de sociaal-revolutionairen verschillende moties aan te nemen. Lenin werd de voorzitter van de Raad van Volkscommissarissen die zich uitriep tot de nieuwe regering.[38]

Het Al-Russische Sovjetcongres schafte op 26 oktober 1917 (o.s) de doodstraf af. Lenin was niet bij de vergadering aanwezig en werd woedend op de aanvaarding van de resolutie. Lenin zei toen volgens Trotski: “Wat een onzin! Hoe kun je nu een revolutie voltooien zonder executiepelotons? Hoe moet je je dan van je vijanden ontdoen? Door je te ontwapenen? Wat voor andere repressiemiddelen zijn er nu helemaal? Gevangenissen? Wat heb je daar nu aan tijdens een burgeroorlog?[40]

Op 27 oktober sloten de bolsjewieken de kranten van de oppositiepartijen en werden redacteurs gearresteerd. Op 29 oktober stelde de vakbond voor het spoorwegpersoneel een ultimatum aan de bolsjewieken, waarin stond dat de bolsjewieken gesprekken moesten beginnen met de sociaal-revolutionairen en mensjewieken om gezamenlijk een coalitieregering te vormen. Honderden soldatenvergaderingen, fabrieken en garnizoenen stuurden petities om deze eis van de spoorwegvakbond te ondersteunen. De vakbond dreigde om het gehele treinverkeer stil te leggen als de bolsjewieken niet aan deze eis voldeden. De gesprekken werden op 6 november afgebroken.[38]

Op 4 november namen vijf leden uit het bolsjewistische Centraal Comité ontslag, zoals Kamenev en Zinovjev. Zij schreven een open protestbrief voor de krant Izvestia. In dezelfde editie stond ook het ontslagbrief van vijf volkscommissarissen. Zij schreven dat zonder een coalitieregering er niks anders zou opzitten dan “politieke terreur” en dat zou leiden “tot het ontstaan van een regime dat aan niemand meer verantwoording schuldig was en tot de vernietiging van de revolutie en van het land.[41] De ambtenaren bij ministeries, banken, gemeentehuizen, rechtbanken, telegraafkantoren en andere instellingen staakten tegen de bolsjewistische staatsgreep.[38][39]

Onder Lenin (1918-1924)[bewerken]

Lenin spreekt de soldaten toe op 5 mei 1920 voor het Bolsjojtheater in Moskou. Dit is de linkerhelft van een foto waarop oorspronkelijk ook Leon Trotski stond.

Als een van de weinigen zag Lenin in dat beëindiging van de oorlog met Duitsland noodzakelijk was om aan de macht te kunnen blijven. Voor hem had het sluiten van een wapenstilstand of vrede daarom hoge prioriteit. Duitsland stelde hoge eisen, die voor velen onaanvaardbaar waren. Om de oorlog te beëindigen ondertekenden de bolsjewistische leiders in maart 1918 de Vrede van Brest-Litovsk met Duitsland, maar pas na drie jaar burgeroorlog was het regime van de bolsjewieken stevig gegrondvest.

Lenins regering bestond uit vertegenwoordigers van de Bolsjewistische Partij (in januari 1918 omgedoopt tot Russische Communistische Partij) en de Linkse Sociaal-Revolutionaire Partij (een afsplitsing van de Sociaal-Revolutionaire Partij), waaronder Stalin als volkscommissaris voor nationaliteiten en Leon Trotski als volkscommissaris voor buitenlandse zaken (in deze functie wist hij begin 1918 vrede te sluiten met de Centralen in de Vrede van Brest-Litovsk, waarbij Rusland enorme verliezen in grondgebied, bevolking en industrie leed en enorme contributie moest betalen aan het al verliezende Duitsland en bewerkstelligde zodoende het einde van de Russische deelname aan de Eerste Wereldoorlog).

De bolsjewieken streefden doelbewust een machtsmonopolie na. In korte tijd werden vrijwel alle rivaliserende partijen en organisaties uitgeschakeld. Regering en partij bleven twee gescheiden organisaties, maar de leiders ervan waren de facto dezelfde personen. Aldus ontstond een dictatoriale eenpartijstaat.[42][43][44][45]

De derde Russische Revolutie, ook wel 'Russische Revolutie van 1918', werd gevormd door een aantal anarchistische opstanden en revoltes tegen zowel de bolsjewieken als de 'witten'. De revolutie begon op 6 juli 1918 en duurde voort tot 30 december 1922, al vonden de meeste gewelddadigheden plaats in de eerste maand na de revolutie. De revolutie brak uit tijdens het Vijfde Pan-Russische Congres der Sovjets, waar anarchisten en links-socialistische revolutionairen van een overweldigende meerderheid van de gedelegeerden geen steun kregen en daarop het Verdrag van Brest-Litovsk probeerden te saboteren en daarmee Bolsjewistisch Rusland mee te slepen in een oorlog met Duitsland, door de Duitse ambassadeur graaf Wilhelm von Mirbach te vermoorden in Moskou en daarop de revolutie te starten. Onderdelen van de revolutie vormden de Kronstadtopstand, de Tambov-opstand en de Arbeidersoppositie. Opstanden braken uit in vele steden, waaronder Petrograd, Vologda, Arzamas, Moerom, Jaroslavl, Veliki Oestjoeg en Rybinsk. Ook de Zwarte Garde was betrokken bij de opstanden.

Burgeroorlog[bewerken]

De gewelddadigheden vormden de opmaat voor de Russische Burgeroorlog; daarbij stond het Rode Leger van bolsjewieken en communisten tegenover het Witte van anticommunisten (meest voormalige tsaristische officieren), het Zwarte Leger van Oekraïense anarchisten en de Zwarte Garde van anarchisten. De burgeroorlog werd hoofdzakelijk in 1919 uitgevochten. In november van dat jaar leden de Witten enkele nederlagen die naderhand beslissend bleken. De oorlog werd in 1921 definitief beslecht in het voordeel van het Rode Leger.

Buitenlandse politiek[bewerken]

De bolsjewieken verwachtten, evenals vele andere linkse groeperingen, dat er op korte termijn een 'wereldrevolutie' zou uitbreken. Hun buitenlandse politiek was er hoofdzakelijk op gericht deze 'wereldrevolutie' naderbij te brengen. Van deze verwachtingen kwam zo goed als niets terecht. Dit leidde op termijn tot een verschuiving in het buitenlands beleid. Meer en meer werd aan de belangen van de Sovjet-Unie, de enige communistische staat ter wereld, prioriteit gegeven.

Slachtoffers[bewerken]

Het aantal mensen dat (mede) ten gevolge van de revolutie stierf, loopt in de miljoenen. De meeste mensen stierven door honger en ziekten. Tijdens de burgeroorlog kwamen meer dan een miljoen mensen om. Zowel de terreur van de Witten als die van de Roden maakte vele slachtoffers. Volgens historicus Orlando Figes hebben de burgeroorlog, terreur, hongersnoden en ziektes geleid tot een dodental in de buurt van 10 miljoen mensen.[46] Figes schatte daarnaast dat ongeveer 2 miljoen mensen waren geëmigreerd.[46] Al voor de omwenteling in 1917 waren er vele slachtoffers gevallen als gevolg van aanslagen door revolutionairen en de staatsterreur van de tsaren. Er vonden in deze jaren ook meerdere pogroms plaats.

Gevolgen[bewerken]

Straatkinderen gedurende de burgeroorlog

In 1922 waren er ongeveer 7 miljoen weeskinderen, waarvan de meesten zich in leven hielden door criminaliteit.[47] Uit een onderzoek uit 1920 bleek dat 80% van de ondervraagde weesmeisjes zich één of meerdere keren hadden geprostitueerd.[47] Het Rode Leger gebruikte weeskinderen als kindsoldaten.[47]

Eric Hobsbawm vergelijkt de omwenteling met de islamitische veroveringen in de zevende eeuw na Christus. Hoe dan ook waren de gevolgen van deze revolutie op de geschiedenis van de twintigste eeuw enorm. Dertig tot veertig jaar na de gebeurtenissen leefde een derde van de mensheid onder dictatoriale regimes die een afspiegeling waren van het bewind van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]