Rutte-doctrine

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Dit artikel komt mogelijk voor verwijdering in aanmerking.
Het overleg hierover wordt gevoerd op deze discussiepagina. Iedereen is welkom daaraan bij te dragen. Zie voor meer informatie: Help:Waarom staat mijn artikel op de beoordelingslijst.
Voel je vrij het artikel te bewerken. Haal de pagina echter niet leeg en verwijder deze boodschap niet voordat de discussie gesloten is.

Rutte-doctrine verwijst naar de visie van Nederlands minister-president Mark Rutte dat interne discussies tussen ambtenaren onderling en met bewindspersonen niet gedeeld hoeven te worden met journalisten en met de Tweede Kamer. Volgens Rutte is dit om vrijuit te kunnen discussiëren zonder bang te hoeven zijn om aangekeken te worden op onverstandige ideeën.[1] Critici verwijten dat dit bijdraagt aan een cultuur van verhullen en misleiden.[2][3]

Achtergrond[bewerken | brontekst bewerken]

De doctrine was gebaseerd op een richtlijn die vastgesteld werd in 2002 door minister van Binnenlandse Zaken Klaas de Vries. Deze stelde dat persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren niet vallen onder de informatieplicht. Formeel was de richtlijn ongewijzigd gebleven, maar volgens critici was het gebruik ervan wel veranderd, zoals het feit dat om die reden meer stukken weggelaten werden.[1]

De term dook voor het eerst op in een sms van een ambtenaar aan Rutte, welke tijdens het verhoor over de toeslagenaffaire op 26 november 2020 werd besproken.[4][5][6] Vanwege een kritisch rapport over deze affaire, waarin er onder andere kritiek was op de informatievoorziening, trad op 15 januari 2021 kabinet-Rutte III af.

Sindsdien werd de term Rutte-doctrine gebruikt om het algemene handelen van premier Rutte te omschrijven bij een aantal zware dossiers en thema's, zoals de discussie van de afschaffing van de dividendbelasting. Kamerleden ergerden zich tijdens de ambtstermijn van Rutte aan het ontbreken van openbaarheid, onder wie Renske Leijten, Farid Azarkan en Pieter Omtzigt die nauw betrokken waren met de als gevolg van de toeslagenaffaire gedupeerde gezinnen.[7][8]

Naar aanleiding van het rapport van de parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag beloofde Rutte dat het argument "persoonlijke beleidsopvattingen" van ambtenaren niet meer als weigeringsgrond gehanteerd zal worden.[9]