Naar inhoud springen

Rwenzoritoerako

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Rwenzoritoerako
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2025)
Rwenzoritoerako
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Chordata (Chordadieren)
Klasse:Aves (Vogels)
Orde:Musophagiformes
Familie:Musophagidae (Toerako's)
Geslacht:Gallirex
Soort
Gallirex johnstoni
Sharpe, 1901
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Rwenzoritoerako op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Vogels

De rwenzoritoerako (Gallirex johnstoni, synoniem Ruwenzorornis johnstoni) is een vogel uit de familie Musophagidae (toerako's). De vogel is genoemd naar de Engelse ontdekkingsreiziger Henry Hamilton Johnston en is een opvallende verschijning in de bergbossen van de Albertine rift [en] in centraal Afrika.

De rwenzoritoerako is een middelgrote toerako met een lichaamslengte van ongeveer 45 cm en een gewicht tussen 211 en 259 gram. De vogel heeft korte, afgeronde vleugels en een lange staart, kenmerkend voor toerako's. De snavel is opvallend krachtig en hoog aangezet, met een sterk afgeronde bovensnavel die duidelijk groter is dan de ondersnavel. Het verenkleed is zeer kleurrijk: voorhoofd en kuif zijn smaragdgroen en lopen achter de kop over in paarsblauw, met een matkarmijnrode nekvlek. Kin en keel zijn zwart maar kunnen bij bepaalde lichtval donkerpaars glanzen. Borst en wangen zijn lichtgroen, terwijl de onderrug, staart en vleugels diepblauw tot vrijwel zwart ogen. De handpennen tonen een felle karmijnrode kleur met zwarte punten, een typisch turaco-kenmerk dat in de vlucht goed zichtbaar is. Op het midden van de borst zit een grote perzikkleurige vlek. Rond de ogen ligt een onbevederd, citroengeel veld, soms met een rode rand. De iris is donkerbruin, poten en voeten zijn grijszwart.

Verspreiding en leefgebied

[bewerken | brontekst bewerken]

De rwenzoritoerako is een endemische soort van de bergbossen langs het westelijke deel van de Albertine rift in centraal Afrika. De vogel komt voor op hoogtes tussen ongeveer 1770 en 3700 meter en wordt vooral aangetroffen in dichte bamboebossen en bossen die door steeneiken worden gedomineerd. Volgens BirdLife International is de soort vastgesteld in negen Important Bird Areas, waarvan een groot deel onder formele bescherming valt. Belangrijke gebieden zijn onder meer het Mgahinga-gorillapark en het Kibale-nationaalpark in Oeganda, het Kahuzi-Biega-nationaalpark en het Itombwe-gebergte in Congo-Kinshasa, het Vulkanenpark en het Nyungwe-woud in Rwanda, en het Kibira-nationaalpark in Burundi.[2]

De soort telt twee tot drie ondersoorten, die geografisch van elkaar gescheiden zijn door laaggelegen, ongeschikte gebieden:[3]

De rwenzoritoerako is in principe een standvogel; in het Rwenzori Mountains-nationaalpark trekken vogels bij langdurige zware regenval naar lager gelegen gebieden.

Voedsel en gedrag

[bewerken | brontekst bewerken]

De vogels leven meestal in kleine groepjes van rond de vier exemplaren. Het voedsel bestaat overwegend uit vruchten en bessen, onder meer van Ficus, Maesa, Olea, Schefflera en Polyscias. Daarnaast worden insecten en slakken gegeten. Bladeren maken ongeveer zes procent van het jaarlijkse menu uit en zijn vooral afkomstig van lianen en epifyten. De roep van de rwenzoritoerako is opvallend en doet eerder denken aan het geschreeuw van apen dan aan de zang van andere toerako's.

Voortplanting

[bewerken | brontekst bewerken]

Het broedseizoen verschilt per regio. Het best onderzocht is de populatie in Oeganda, waar de eieren in mei worden gelegd en pas uitgekomen jongen vooral in juni en juli zijn waargenomen. Het nest is een kleine schaal van droge twijgjes op drie tot vijf meter hoogte, vaak in een dichte bamboepol. Het vrouwtje legt een tot twee dofgrijswitte eieren van ongeveer 41,5 bij 32 mm, die door beide ouders worden bebroed. De jongen hebben zwartachtig dons en blauwe, onbevederde oogringen.

De rwenzoritoerako staat op de IUCN-rode lijst als niet bedreigd (Least Concern). De populatie wordt als stabiel beschouwd; in het beperkte verspreidingsgebied is de soort plaatselijk vrij algemeen. Habitatverlies door ontbossing in de Albertine rift vormt op langere termijn niettemin een aandachtspunt.[2]

Bronnen, noten en/of referenties

[bewerken | brontekst bewerken]