Sakoku

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Sakoku (Japans: 鎖国, letterlijk 'land in ketens" of "afsluiting van het land")[1] was het buitenlandse beleid van Japan op grond waarvan geen enkele vreemdeling of Japanner het land zonder toestemming kon binnenkomen of verlaten op straffe van de dood. Een uitzondering gold voor de Nederlanders en de Chinezen.

De eenmaking van Japan (1573-1603) was moeizaam en bloedig verlopen en werd geconsolideerd door de stichter van het Edo-bakufu, Tokugawa Ieyasu. De sakoku werd ingesteld om het absolute gezag over Japan in Edo te behouden.

Aanvankelijk handelden, naast de Nederlanders, ook de Portugezen en Engelsen met Japan. De Engelsen verlieten Japan in 1632 om economische redenen. De Portugezen hadden in 1543 al voet aan land gezet en aan hen werden aanvankelijk geen beperkingen opgelegd. Met de Portugezen kwam ook de missie van de jezuïeten in Japan. Dit baarde het shogunaat zorgen omdat de gebruiken van de christenen niet overeenstemden met de tradities van Japan, en de angst ontstond dat deze groep een politieke factor van belang zou gaan betekenen. In 1612/1613 verbood de shogun de verspreiding van het christendom in Japan. De Portugezen werden in 1639 verbannen na een opstand te Shimabara in 1637, waarin de toenmalige shogun Iemitsu een excuus zag de christenen actief te vervolgen. In 1641 werden de Nederlanders gedwongen hun factorij te Hirado te sluiten en voortaan uitsluitend te opereren vanop het door de Portugezen achtergelaten kunstmatige eiland Dejima in de baai van Nagasaki. Nagasaki was onder de sakoku de enige haven waar men Japan mocht verlaten of binnenkomen. Edo kon op deze manier ook de economische machtspositie van de Japanse kustprovincies beteugelen. Daartoe werden aan de Japanse koopvaardij ook beperkingen opgelegd.

Het sakokubeleid werd tussen 1633-1639 vastgesteld door het shogunaat onder Tokugawa Iemitsu door middel van een aantal edicten en wetten, en bleef van kracht tot 1853. Japan was echter onder het sakokubeleid in de praktijk niet volledig geïsoleerd. De handel en kennisuitwisseling waren onder de dit beleid toegestaan, zij het onder het ijzeren toezicht van de bureaucratiche en autoritaire dictatuur die de Tokugawa's van Japan hadden gemaakt.

Einde van afzondering[bewerken]

Op 8 juli 1853 eiste Commodore Matthew Perry van de Amerikaanse marine met vier oorlogsschepen dat Japan de handel met het Westen openstelde. Het volgende jaar (1854), kwam Perry terug met zeven schepen en dwong de Shogun het "Verdrag van Vrede en Vriendschap" te ondertekenen, om officiële diplomatieke betrekkingen tussen Japan en de Verenigde Staten te bewerkstelligen. Het was het eind van twee eeuwen afsluiting.[2]

Zie ook[bewerken]