Samenstelling Tweede Kamer 1836-1839

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De samenstelling van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 1836-1839 biedt een overzicht van de Tweede Kamerleden in de periode tussen oktober 1836 en oktober 1839. De zittingsperiode ging in op 18 oktober 1836 en eindigde op 20 oktober 1839.

Er waren 55 Tweede Kamerleden, die verkozen werden door de Provinciale Staten van de 9 provincies die Nederland toen telde. Tweede Kamerleden werden verkozen voor een periode van drie jaar. Elk jaar werd een derde van de Tweede Kamer vernieuwd.

Samenstelling na de verkiezingen van 1836[bewerken | brontekst bewerken]

Regeringsgezinden (34 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Financiële oppositie (15 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Gematigde liberalen (3 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Onafhankelijken (2 zetels)[bewerken | brontekst bewerken]

Liberalen (1 zetel)[bewerken | brontekst bewerken]

Bijzonderheden[bewerken | brontekst bewerken]

  • Bij de verkiezingen van 1836 werden 17 Tweede Kamerleden verkozen. Zij werden op 18 oktober 1836 geïnstalleerd.

Tussentijdse mutaties[bewerken | brontekst bewerken]

1837[bewerken | brontekst bewerken]

  • Bij de verkiezingen dat jaar werd het mandaat van 19 Tweede Kamerleden hernieuwd. Tweede Kamerlid Pieter Samuël Dedel (financiële oppositie) was in Holland geen kandidaat meer voor een hernieuwing van zijn mandaat, dat op 16 oktober dat jaar afliep. Zijn opvolger Willem Röell van Hazerswoude werd op 28 november 1837 geïnstalleerd.
  • 1 december: Anthony Hoynck van Papendrecht (regeringsgezinden) overleed. Hij was bij de verkiezingen van 1837 nog herkozen door de Provinciale Staten van Holland, maar overleed voor hij formeel kon worden geïnstalleerd. Jan Cornelis Reinier van Hoorn werd verkozen als zijn opvolger en op 28 februari 1838 geïnstalleerd.

1838[bewerken | brontekst bewerken]

  • Bij de verkiezingen dat jaar werd het mandaat van 19 Tweede Kamerleden hernieuwd. Volgende Tweede Kamerleden waren geen kandidaat voor een hernieuwing van hun mandaat of werden niet herkozen: Johannes Op den Hooff en Jacobus Hendricus van Reenen (beiden financiële oppositie), beiden verkozen door de Provinciale Staten van Holland. Het mandaat van Op den Hooff liep af op 16 oktober 1838, dat van Reenen een dag eerder.
  • Hun opvolgers waren Pieter Huidekoper en Frederik van de Poll (beiden regeringsgezinden). Van de Poll werd op 16 oktober dat jaar geïnstalleerd, Huidekoper nam zijn verkiezing niet aan. In de plaats van Huidekoper werd op 16 oktober 1838 Pieter van Akerlaken (regeringsgezinden) geïnstalleerd.
  • 15 oktober: Willem Boudewijn Donker Curtius van Tienhoven (regeringsgezinden) vertrok uit de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming tot vicepresident van de Hoge Raad der Nederlanden. De Provinciale Staten van Holland verkozen Daniël Théodore Gevers van Endegeest als zijn opvolger, hij werd dezelfde dag nog geïnstalleerd.
  • 16 oktober: Tobie Constantijn de Bordes (regeringsgezinden) vertrok uit de Tweede Kamer vanwege zijn benoeming tot procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden. De Provinciale Staten van Holland verkozen Martinus Anne Wijnaendts (gematigde liberalen) als zijn opvolger, hij werd dezelfde dag nog geïnstalleerd.

1839[bewerken | brontekst bewerken]

  • 9 februari: Willem Jan Quintus (regeringsgezinden) overleed. In deze zittingsperiode werd niet meer in vervanging van zijn vacature voorzien.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]