Santa María (schip)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Replica van de Santa María
Een replica van de Santa María uit de 19e eeuw
Maquette van de Santa María in het Mercatormuseum te Sint-Niklaas

De Santa María was het vlaggenschip en bevoorradingsschip van Christoffel Columbus, die in 1492 Amerika 'ontdekte'. Hij was echter niet de eerste Europeaan die daar voet aan wal zette, dat was een Viking van het schip van Leif Eriksson, die, waarschijnlijk in 1001 of 1002, vanuit Groenland kwam.

Het schip van Columbus heette oorspronkelijk María Galante, maar aangezien dit ook een synoniem voor prostituee was, werd besloten de naam te veranderen.

De indeling[bewerken]

De Santa María was volgens veel mensen een karveel, maar in feite was dit een voorloper van de kraak. Het had een vierkant razeil aan de grote mast en aan de fokkenmast en een driehoekig latijnzeil aan de bezaansmast en misschien nog een aan een bonaventuramast. Het voer in een kleine vloot met twee karvelen, de Niña en de Pinta. Beide hadden op de heenweg van Spanje naar Amerika drie latijnzeilen, maar nadat de Santa María voor Hispaniola was vergaan, werd de Niña vlaggenschip en kreeg het hetzelfde tuigage als de Santa María had gehad. Met de wrakstukken van de Santa María werd de nederzetting La Navidad gesticht. Het schip was oorspronkelijk gebouwd door de inwoners van de havenstad Palos de la Frontera als boete voor een eerder begane overtreding. Columbus beklaagde zich er regelmatig over dat de inwoners van Palos hun werk niet goed hadden gedaan.

De Santa María bestond uit een ruim, met daarbovenop een voorkasteel en een groter achterkasteel waarop weer een kleiner topkasteel was geplaatst.

In het kleine voorkasteel waren waarschijnlijk een aantal slaapplaatsen voor de bemanning van ruim 40 mannen en scheepsjongens. Toch hadden lang niet alle bemanningsleden een slaapplaats en velen sliepen in de open lucht. Op de Niña en de Pinta waren zelfs helemaal geen overdekte slaapplaatsen. Ook daar moest iedereen maar ergens een plekje zoeken.

In het achterkasteel zaten ook enkele slaapplaatsen. Die moesten echter plaats maken voor de helmstok, waarmee het roer werd bestuurd, bovendien voor het hok met de dieren. Er waren namelijk een aantal kippen en andere soorten pluimvee aan boord voor de eieren, minstens een koe en twee geiten voor de melk en voor het vlees. De varkens waren enkel voor het vlees. Die dieren werden allemaal in een hok gehouden.

In het topkasteel zat de kajuit, de werk- en misschien ook slaapkamer van de schipper (of in dit geval de admiraal, Columbus zelf), ook gebruikt als vergaderzaal van de scheepsraad: de admiraal, de opper- en de onderstuurman, en de bootsman. De Santa María is nagebouwd en deze nagebouwde versie bevat een heel museum. Het ligt in de haven van Funchal, de hoofdstad van het Portugese eiland Madeira.

Vergelijking[bewerken]

Om een goed beeld te vormen van het schip, hierbij een vergelijking met de andere schepen van de vloot en met latere schepen: VOC-schip Batavia en de klipper Galveston, die vooral slaven vervoerde.

  • De Santa María had een lengte van 24 meter, een breedte van 8 meter, een gewicht van 102 ton en een grote mast van 23 meter. Het had waarschijnlijk 3 razeilen en 1 latijnzeil.
  • De Niña en de Pinta hadden allebei een lengte van 15 meter, een breedte van 5 meter, een gewicht van 59 ton en een grote mast van 15 meter. Ze hadden beide 3 latijnzeilen.
  • De Batavia had een lengte van 55 meter, een breedte van 10 meter, een gewicht van 650 ton en een grote mast van 54 meter. Hij had 10 razeilen.
  • De Galveston had een lengte van 84 meter, een breedte van 11 meter, een gewicht van 936 ton en een grote mast van 67 meter. Hij had in totaal 30 zeilen.