Saurolophus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Saurolophus
Status: Uitgestorven, als fossiel bekend
Saurolophus debivort.png
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Reptilia (Reptielen)
Infraklasse: Archosauromorpha
Superorde: Dinosauria (Dinosauriërs)
Orde: Ornithischia
Onderorde: Cerapoda
Infraorde: Ornithopoda
Familie: Hadrosauridae
Onderfamilie: Saurolophinae
Geslacht
Saurolophus
Brown, 1912
Typesoort
Saurolophus osborni Brown, 1912
Afbeeldingen Saurolophus op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Saurolophus op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Herpetologie

Saurolophus is een geslacht van plantenetende ornitischische dinosauriërs, behorend tot de Euornithopoda, dat 70 tot 68 miljoen jaar geleden, in het late Krijt, leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika en Azië.

Vondst en naamgeving[bewerken]

In 1911 vonden Barnum Brown en Peter Kaisen bij Tolman Ferry, Red Deer River, de resten van euornithopoden.

Opgraving van het holotype in 1911

De typesoort Saurolophus osborni werd in 1912 benoemd en beschreven door Brown op basis van deze fossielen uit Alberta, Canada. De geslachtsnaam betekent "sauriërkam" vanuit het Oudgrieks sauros, "hagedis", en lophos, "kam". De soortaanduiding eert Henry Fairfield Osborn, de directeur van het American Museum of Natural History dat de opgravingen liet uitvoeren.

Het holotype, AMNH 5220, is gevonden in een laag van de Horshoe Canyon Formation die dateert uit het Maastrichtien. Het bestaat uit een skelet met schedel.

Een tweede geldige soort, Saurolophus angustirostris, wordt vertegenwoordigd door een groot aantal exemplaren uit Mongolië. De soortaanduiding betekent "met de nauwe snuit". Na vondsten in 1948 en 1949 op de Nemegtu in lagen uit het Campanien-Maastrichtien door een Sovjet-Mongoolse expeditie werd deze in 1952 beschreven door Anatoli Konstantinowitsj Rozjdestwenski. Het holotype is PIN 551-8.

In 2013 benoemden Albert Prieto-Márquez en Jonathan Wagner een derde soort: Saurolophus morrisi. De soortaanduiding eert wijlen William J. Morris, een paleontoloog die een expert was op het gebied van Amerikaanse hadrosauriden. Het holotype is LACM/CIT 2852, een gedeeltelijk skelet gevonden in de Morenoformatie in de Tumey Hills, San Benito County, Californië. Een ander gedeeltelijk skelet, specimen LACM/CIT 2760 gevonden in de Panoche Hills van Fresno County, werd toegewezen. In 2014 werd dit het aparte geslacht Augustynolophus.

In 2015 werden verschillende zeer jonge exemplaren uit Mongolië beschreven, met maar een twintigste van de lengte van de volwassen dieren.

Beschrijving[bewerken]

Saurolophus is bekend van een aantal bijna complete skeletten, waardoor onderzoekers een duidelijk beeld hebben van dit dier. S. osborni, was ongeveer 9,8 meter lang, met een schedel die een meter lang is. Het gewicht wordt geschat op twee ton. S. angustirostris, de Mongoolse soort, was groter, het skelet is ongeveer 12 meter lang. Afgezien van de grootte zijn de twee soorten vrijwel identiek.

Het holotype van S. osborni

Het meest onderscheidende kenmerk van Saurolophus is de kam op de schedel, die ook aanwezig is bij jonge individuen, maar daar is hij kleiner. Het is lastig om verschillen tussen de soorten aan te geven daar van S. angustirostris geen moderne beschrijving bestaat.

In 2013 werd ter gelegenheid van de benoeming van de derde soort een lijst onderscheidende kenmerken vastgesteld van het geslacht als zodanig. De neusbeenderen zijn naar achteren en boven verlengd tot over het schedeldak, bij volwassen individuen zelfs tot een punt achter de squamosa op de schedelhoeken, en vormen een massieve staafvormige kam op de middenlijn van de kop aan de zijkanten van welke kam echter ook de prefrontalia en voorhoofdsbeenderen bijdragen. De vestibule van het benige neusgat strekt zich bij volwassen exemplaren op het bovenvlak van de neusbeenderen naar achteren over de totale lengte van het schedeldak uit. Het voorhoofdsbeen bestaat uit drie delen waaronder een hoofdlichaam dat de overkapping van de voorste hersenpan vormt, een naar voren en benden hellende beenplaat en tenslotte een naar achteren en boven gerichte tak als een vingervormig uitsteeksel dat nauw aansluit bij de onderkant van voornoemde neuskam. Het prefrontale heeft een langwerpig naar achteren en boven gericht uitsteeksel dat deze schedelkam ondersteunt en er de zijkant van vormt. Voornoemde uitsteeksels van het prefrontale en het voorhoofdsbeen zijn meer naar boven verbonden tot een hogere uitstekende structuur die de onderkant van de schedelkam ondersteunt. De achterkant van de middenkam van de wandbeenderen is verhoogd met steil afglijdende zijkanten. Tussen het prefrontale en het postorbitale liggen twee supraorbitalia. De wandbeenderen worden van het achterhoofd gedrongen door een verbinding tussen de squamosa. Nu de derde soort een apart geslacht Augustynolophus is, kan deze diagnose gelden als een typering van de klade die Saurolophus en Augustynolophus omvat.

In 2013 werd ook een autapomorfie, unieke afgeleide eigenschap, van S. morrisi vastgesteld: op de neergaande tak van het postorbitale richting jukbeen bevindt zich een brede schuine groeve. S. morrisi verschilt verder van S. osborni en S. angustirostris door een T-vormig postorbitale waarvan de voorste en achterste takken niet het grote hoekverschil hebben als bij de andere twee soorten. Zo'n T-vormig postorbitale is echter oorspronkelijk voor de Hadrosauridae en dus geen autapomorfie. Na 2014 kan de grotere hoek bij Saurolophus dus gezien worden als een autapomorfie van dat geslacht en is het ontbreken van de groeve een onderscheidend kenmerk ten opzichte van Augustynolophus.