Schans (verdedigingswerk)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Schematische weergave van de schanswal en -gracht, met verschillende palissaden

Een schans of verschansing is een oud verdedigingswerk, meestal gemaakt van afgegraven aarde. Schansen kunnen gebouwd zijn als kleine vestingswerken door en voor militairen of door de lokale bevolking voor hun bescherming zoals de boerenschansen in de 16de en 17de eeuw.

Militair versterkte plek[bewerken]

Een militaire schans is aarden verdedigingswerk aangewend voor militaire doeleinden. Schansen werden veel gebruikt tijdens de Tachtigjarige Oorlog als verdediging van strategische plaatsen, zoals riviermondingen, belangrijke aanvoerroutes over land of als extra verdediging van een stad.

Tijdens belegeringen werden vaak schansen gegraven door de belegeraars, om de troepen te kunnen beschermen tegen vuur uit de stad en tegen aanvallen van buitenaf. De schansen waren destijds in de regel stervormig met meestal vier punten (bastions) en werden vaak omringd door een gracht en andere vormen van verdediging, zoals palissades. Ze werden gemaakt van klei, zand en water, materialen die in ruime mate beschikbaar zijn.[1] Het graven van grachten en het opwerpen van wallen ging snel, was eenvoudig, goedkoop en effectief.[1] Hoog opgeworpen aarden wallen hadden minder te lijden onder geschutsvuur dan muren.[1] Muren van baksteen of natuursteen waren niet alleen veel duurder, maar de bouw ervan duurde ook veel langer. Permanent bezette schansen kregen een eigen naam en werden vaak 'fort' genoemd. Schansen waren in principe onafhankelijk, maar konden ook onderdeel zijn van een linie.
In de tussen 1859 en 1914 gebouwde Fortengordel rond Antwerpen kwamen ook 12 schansen voor, gebouwd in ongewapend beton, zoals de Schans van Schilde en de Schans van Massenhoven.



Boerenschans[bewerken]

(Boeren-)schansen waren kleinschalige verdedigingswerken in de 16de en 17de eeuw, die door de lokale bevolking in de Kempen opgericht werden om zich in onveilige tijden terug te trekken voor plunderende legers , muiters en roversbenden.
Vanaf de Tachtigjarige Oorlog oorlog van 1568-1648 tot het begin van de 18de eeuw waren Zuidelijke Nederlanden voortdurend het decor van een strijdtoneel. Oorlogen en plunderingen volgden elkaar op. De legers zochten de Kempen in het neutrale Prinsbisdom Luik vaak op om door te trekken en als uitvalsbasis. Proviand en inkwartiering werden opgeëist zonder schadeloosstellingen. Voor de plattelandsbevolking kwam dit neer op opeisingen, plunderingen, afpersing, geweldpleging en brandstichting. De kleine en verspreide leefgemeenschappen in de Kempen moest zelf instaan voor zijn bescherming en verdediging. Er waren geen versterkte kastelen of hoeven, ommuurde abdijen of steden en ook geen grote bossen meer waar ze konden schuilen. Van de hogere overheid kwam er geen hulp.
De boerenbevolking verenigde zich om een schans te bouwen om zich met mens en vee te verschansen. In een wat afgelegen, nat of moerassig gebied werden rond een vier- of meerhoekig terrein van 1 tot 2 hectaren grachten gegraven van 4 à 8 meter breed. Met de opgedolven aarde werden wallen van 2 à 3 meter hoog opgeworpen, eventueel begroeid met doornig struikgewas. Voor de toegang was er een ophaalbrug en poort. Op het binnenplein konden de schansgezellen huisjes bouwen. Bij onraad en dreiging konden de dorpelingen zich met hun kostbaarste bezittingen terug trekken in de schans.
Om de schans te verdedigen vormden de inwoners een burgerwacht, de voorloper van de schutterijen. Het was vooral de verborgen, geïsoleerde ligging die de verdediging vormde. Mocht de schans ontdekt worden dan konden de grachten, wallen en bewapening van de bewoners weerstand bieden tegen zwervende (leger-)bendes maar niet tegen georganiseerde legereenheden. Vaak probeerde men troepen af te kopen en met geld, spijs en drank om executies, afbranden, plundering en foeragering af te wenden. Niet zelden kon men zo een sauvegarde of vrijbrief bekomen maar in de meeste gevallen leverde de onderhandelingen geen resultaat op. Paarden, rantsoenen, gidsen en vrachtvoerden werden opgeëist en voor inkwartiering werden de lieden zelden vergoed en moest de eigen gemeenschap zorgen voor een terugbetaling.

In de Limburgse Kempen had vrijwel ieder gehucht of leefgemeenschap een schans. Dergelijke “boerenschansen” waren er ook in de oostelijke delen van de Belgische provincies Vlaams-Brabant en Antwerpen. In Vlaanderen zijn er op een 200-tal plaatsen sporen van schansen terug te vinden in het landschap en op oude kaarten. Vaak verwijst ook een straatnaam als “Schansstraat” naar een vroegere aanwezigheid.
In Nederland kwamen dergelijke schansen regelmatig voor in Midden-Limburg en sporadisch in Noord-Limburg en Noord-Brabant.

Externe links[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]