Schans (verdedigingswerk)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Schematische weergave van de schansen tijdens het Beleg van Groenlo van 1597.
De Engelse schans uit 1627 in Lievelde.
Schematische weergave van de schanswal en -gracht, met verschillende palissaden

Een schans of verschansing is een oud militair verdedigingswerk, meestal gemaakt van afgegraven aarde. Een verschansing betekent tegenwoordig in het algemeen een (militair) versterkte plek.

Schansen werden veel gebruikt tijdens de Tachtigjarige Oorlog als verdediging van strategische plaatsen, zoals riviermondingen, belangrijke aanvoerroutes over land of als extra verdediging van een stad.

Tijdens belegeringen werden vaak schansen gegraven door de belegeraars, om de troepen te kunnen beschermen tegen vuur uit de stad en tegen aanvallen van buitenaf. De schansen waren destijds in de regel stervormig met meestal vier punten (bastions) en werden vaak omringd door een gracht en andere vormen van verdediging, zoals palissades. Ze werden gemaakt van klei, zand en water, materialen die in ruime mate beschikbaar zijn.[1] Het graven van grachten en het opwerpen van wallen ging snel, was eenvoudig, goedkoop en effectief.[1] Hoog opgeworpen aarden wallen hadden minder te lijden onder geschutsvuur dan muren.[1] Muren van baksteen of natuursteen waren niet alleen veel duurder, maar de bouw ervan duurde ook veel langer.

Permanent bezette schansen kregen een eigen naam en werden vaak 'fort' genoemd. Schansen waren in principe onafhankelijk, maar konden ook onderdeel zijn van een linie.

Schansen werden ook gebruikt door de bevolking in gebieden die bedreigd werden door plunderende troepen. Het betrof dan eveneens een verdedigbaar omgracht terrein in een doorgaans ontoegankelijk gebied, waar de plaatselijke bevolking haar toevlucht kon zoeken in tijden van gevaar.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]