Veldkers-ooibos

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Schietwilgenbos)
Naar navigatie springen Jump to search
Veldkers-ooibos
Veldkers-ooibos met wilgen
Veldkers-ooibos met wilgen
Syntaxonomische indeling
Klasse:Salicetea purpureae (Klasse van de wilgenvloedbossen en -struwelen)
Orde:Salicetalia
Verbond:Salicion albae (Verbond van de wilgenvloedbossen en -struwelen)
Associatie
Cardamino amarae-Salicetum albae

Het veldkers-ooibos (Cardamino amarae-Salicetum albae) is een associatie uit de klasse van de wilgenvloedbossen en -struwelen, een plantengemeenschap die voorkomt op zeer regelmatig overstroomde plaatsen in zoetwatergetijdengebieden, en die gedomineerd wordt door smalbladige wilgen met bittere veldkers in de ondergroei.

Het veldkers-ooibos wordt ook wel schietwilgenbos genoemd, naar de dominante soort.

Het zwaartepunt van de verspreiding van deze associatie ligt in het estuarium van de grote rivieren in Nederland en Vlaanderen; maar ook daar is het de laatste eeuwen in oppervlakte sterk afgenomen.

Naamgeving, etymologie en codering[bewerken]

  • Synoniem: Salicetum albo-fragilis Tx. (1948), Salicetum albae-fragilis Soó (1930)
  • Nederlands: Schietwilgenbos, wilgenvloedbos met reuzenbalsemien en bittere veldkers
  • Syntaxoncode (Nederland): 38Aa03

De naam Cardamino amarae-Salicetum albae is afgeleid van de wetenschappelijke namen van twee belangrijke soorten binnen deze associatie, de bittere veldkers (Cardamine amara) en de schietwilg (Salix alba).

Kenmerken[bewerken]

Ecologie[bewerken]

Het veldkers-ooibos komt voor op zeer regelmatig (30 tot meer dan 120 dagen per jaar) overstroomde standplaatsen, waarbij het getijdenverschil in de regel groter is dan 80 cm, en de laagste grondwaterstand gemiddeld 0 tot 30 cm onder het maaiveld ligt. De bodem bestaat uit kalkrijke tot kalkarme klei, rijk aan organisch materiaal dat door waterverzadiging en het daaruit volgende zuurstofgebrek slechts langzaam wordt afgebroken. De regelmatige terugkerende overstromingen brengen ook telkens veel fosfaat aan.

Structuur[bewerken]

Het veldkers-ooibos kan voorkomen als een echt bos of als een struweel. Veel veldkers-ooibossen werden in het verleden (en soms nu nog) beheerd als grienden, akkers waarop wilgenhout wordt gekweekt. Op dergelijke plaatsen zijn de bomen dikwijls meerstammig en is de boomlaag dicht. Veldkers-ooibossen zijn meestal minder geaccidenteerd en eenvormiger dan de verwante lissen-ooibossen.

De kruidlaag kan variëren, naargelang de diepte van de grondwaterspiegel, van een moeras- tot een ruigtevegetatie.

Net als in het lissen-ooibos is een terrestrische moslaag doorgaans afwezig, maar kunnen de stobben dicht met epiftyische mossen begroeid zijn.

Ontstaan en successie[bewerken]

Het veldkers-ooibos ontstaat spontaan uit spindotter-rietlanden en blijft bestaan zolang de invloed van de getij voelbaar blijft. Wanneer deze invloed wegvalt, zal het meestal evolueren naar een eenvormige, door grote brandnetel gedomineerde vorm (sub-associaties urticetosum en inops), om op de lange duur over te gaan in een bosvegetatie van het verbond van els en gewone vogelkers.

Onderverdeling[bewerken]

In het veldkers-ooibos worden in België en Nederland vier sub-associaties onderscheiden, die verband houden met de vochtigheid van de standplaatsen.

Sub-associatie alismatetosum[bewerken]

Het veldkers-ooibos met waterweegbree is beperkt tot de natste standplaatsen van het zoetwatergetijdengebied, die bij elk hoogwater overstroomd worden. In deze sub-associatie vinden we onder andere de grote waterweegbree (Alisma plantago-aquatica), het groot moerasscherm en de waterpeper. Syntaxoncode voor Nederland is 38Aa03b.Dit vegetatietype is zeer zeldzaam geworden.

Sub-associatie anthriscetosum[bewerken]

Het veldkers-ooibos met fluitenkruid komt op de drogere bodems voor en wordt niet regelmatig overstroomd. Het is een sub-associatie met een hoge Presentie van ruigtekruiden als fluitenkruid (Anthriscus sylvestris), echte valeriaan en ridderzuring. Syntaxoncode voor Nederland is 38Aa03a.

Sub-associatie urticetosum[bewerken]

Het veldkers-ooibos met grote brandnetel komt vooral voor op de droogste gronden, waar de grondwaterspiegel tot meer dan een meter onder het maaiveld is gedaald. Het wordt gekenmerkt door de dominantie van stikstofminnende ruigtekruiden als de grote brandnetel (Urtica dioica) en de gewone smeerwortel. Syntaxoncode voor Nederland is 38Aa03c.

Sub-associatie inops[bewerken]

Een soortenarme sub-associatie waarbij in essentie enkel nog grote brandnetel overblijft. Syntaxoncode voor Nederland is 38Aa03d.

Soortensamenstelling[bewerken]

Schietwilg
Katwilg
Bittere veldkers
Gewone smeerwortel
Grote brandnetel
Haagwinde
Fluitenkruid
Valeriaan
Grote engelwortel
Grote kattenstaart

Het veldkers-ooibos heeft in Vlaanderen en Nederland één specifieke, lokaal voorkomende kensoort, de Duitse dot, een wilgensoort die in het verleden werd aangeplant en zich nu vegetatief vermeerderd. Verder vinden we in deze associatie de meeste kensoorten van de klasse terug, vooral de meestal dominante schietwilg en de katwilg.

In de kruidlaag komen zowel moerasplanten als de naamgevende bittere veldkers, de spindotterbloem, het moerasvergeet-me-nietje, de wolfspoot en de waterpeper, als ruigtesoorten zoals de gewone smeerwortel, grote brandnetel en fluitenkruid voor. De associatie kan onderscheiden worden van beide andere associaties in het verbond, het bijvoet-ooibos en het lissen-ooibos, door de aanwezigheid van de naamgevende bittere veldkers, de spindotterbloem, het groot springzaad en de grote engelwortel.

De voor België en Nederland belangrijkste soorten zijn:

Kensoort Diff.soort Presentie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Opmerking
Boomlaag
kA >10% Duitse dot Salix dasyclados
kK >60% Schietwilg Salix alba
kK >30% Katwilg Salix viminalis
kK >20% Kraakwilg Salix fragilis
kK >10% Amandelwilg Salix triandra
kK <10% Bittere wilg Salix purpurea
Struiklaag
-
Kruidlaag
dA >60% Bittere veldkers Cardamine amara t.o.v. andere associaties van het verbond
>50% Ruw beemdgras Poa trivialis
>50% Gewone smeerwortel Symphytum officinale
dS >50% Grote brandnetel Urtica dioica Sub-associatie urticetosum
>50% Haagwinde Convolvulus sepium
dS >50% Fluitenkruid Anthriscus sylvestris Sub-associatie anthriscetosum
dS >40% Echte valeriaan Valeriana officinalis Sub-associatie anthriscetosum
>40% Kleefkruid Galium aparine
>40% Kruipende boterbloem Ranunculus repens
>40% Bitterzoet Solanum dulcamare
dS >30% Ridderzuring Rumex obtusifolius Sub-associatie anthriscetosum
>30% Moerasvergeet-mij-nietje Myosotis scorpioides subsp. scorpioides
dA >30% Spindotterbloem Caltha palustris subsp. araneosa t.o.v. andere associaties van het verbond
>20% Wolfspoot Lycopus europaeus
dS >20% Waterpeper Persicaria hydropiper Sub-associatie alismatetosum
>20% Gewone berenklauw Heracleum sphondylium
dA >20% Grote engelwortel Angelica archangelica t.o.v. andere associaties van het verbond
>20% Riet Phragmites australis
>20% Gewone engelwortel Angelica sylvestris
>20% Grote kattenstaart Lythrum salicaria
dA >20% Groot springzaad Impatiens noli-tangere t.o.v. andere associaties van het verbond
>20% Kluwenzuring Rumex conglomeratus
>20% Harig wilgenroosje Epilobium hirsutum
>20% Dauwbraam Rubus caesius
>20% Gewone hennepnetel Galeopsis tetrahit
>20% Rietgras Phalaris arundinacea
>10% Speenkruid Ranunculus ficaria subsp. bulbilifer
>10% Gele lis Iris pseudacorus
dS Grote waterweegbree Alisma plantago-aquatica Sub-associatie alismatetosum
dS Groot moerasscherm Apium nodiflorum Sub-associatie alismatetosum
Moslaag
>20% Gewoon dikkopmos Brachythecium rutabulum
>10% Fijn laddermos Eurhynchium praelongum
>10% Klein snavelmos Oxyrrhynchium pumilum

Verspreiding en voorkomen[bewerken]

Het veldkers-ooibos heeft een zeer beperkt verspreidingsgebied, in essentie het zoetwatergetijdengebieden van de grote rivieren in de laaglanden van Noordwest-Europa. Buiten Nederland en Vlaanderen is het enkel te vinden langs de monding van de Elbe in Duitsland.

In Nederland zijn de grootste oppervlakten veldkers-ooibos te vinden in het estuarium van de Oude Maas en in de Sliedrechtse Biesbosch. Restanten ervan zijn nog te vinden langs de monding van de Rijn en de Maas. De oppervlakte van dit vegetatietype is de laatste eeuwen sterk gereduceerd door het beperken van de getijdenwerking door allerlei menselijke ingrepen.

In Vlaanderen is het beperkt tot het Schelde-estuarium.