Onderwijs

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Scholing)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bioscoopjournaal uit 1972 over de nationale onderwijstentoonstelling te Utrecht. Waar audiovisuele toepassingen een belangrijk onderwerp vormen.

Het onderwijs is het overbrengen van kennis, vaardigheden en attitudes met vooraf vastgelegde doelen. Daarbij houdt men rekening met een beginsituatie, volgt men een onderwijsstrategie en worden de resultaten geëvalueerd, onder meer door toetsing, zelfevaluatie en peerevaluatie (collegiale toetsing). Onderwijs wordt binnen een door de overheid bepaalde structuur gegeven door personen die daarvoor speciaal zijn opgeleid, zoals onderwijzers, leraren en docenten.

Buiten overheidsbetrekkingen om kan onderwijs worden gegeven in de vorm van cursussen en trainingen/traineeships, aan cursuscentra, -instellingen, of in company. Zowel op afstand (digitaal of schriftelijk) als op locatie; vakinhoudelijk dan wel vrijetijdsbestedingen; eventueel voor bewijs van deelname, certificering, licenties of diploma.

Zie ook Onderwijs in Nederland en Onderwijs in Vlaanderen.

Inleiding[bewerken | brontekst bewerken]

Onderwijs is er altijd gegeven: van leermeester op leerling. Hierbij ging het vaak om ambachten. Maar wie het kon betalen stuurde zijn kinderen naar de kloosterschool of de Latijnse school en vaak was er aan de kerk een vorm van onderwijs verbonden, bij de rooms katholieke, maar na de reformatie ook bij de gereformeerden. De kerk had mensen in dienst die konden lezen en schrijven: voor de boekhouding bijvoorbeeld, maar ook de koster, vaak tevens voorlezer en voorzanger, kon lezen en schrijven. Als bijbaan gaf hij individueel les aan wie het kon en wilde betalen. Dit onderwijs was sterk individueel gericht en bevatte vaak alleen het kunnen lezen.

Gratis onderwijs verwijst naar onderwijs dat wordt gefinancierd via belastingen, of liefdadigheidsorganisaties in plaats van door collegegeld. De lagere school, middenschool en verder onder de leerplicht vallend onderwijs is gratis in veel landen. Onderwijs betekent min of meer hetzelfde als educatie, een woord dat meer voor onderwijs aan volwassenen gebruikt wordt. Binnen bedrijfsleven en overheid zijn de termen cursus (voor het verkrijgen van kennis) en training (voor het verkrijgen van vaardigheden) gebruikelijk.

Onderwijsaccreditatie is een vorm van kwaliteitsborging in het onderwijs, waarbij het onderwijsinstituut, het onderwijs of de faciliteiten onderzocht worden door een (onafhankelijke) accreditatieorganisatie. De wetenschap die het onderwijs bestudeert, wordt de onderwijskunde genoemd. Naast kennis en vaardigheden speelt ook het overdragen van een bepaalde houding (ook attitude genoemd), manieren, normen en waarden een (meestal) secundaire rol.

Kinderen krijgen gewoonlijk onderwijs vanaf hun derde tot minimaal hun zestiende jaar. Voor velen is de praktijk van het alledaagse leven veel leerrijker dan formeel schoolonderwijs. De dagelijkse werkelijkheid is de leerschool van het leven. Mark Twain zei in dit verband: Ik heb school nooit een belemmering laten zijn voor mijn leren. Dit zogenaamde buitenschools leren, onder meer via nieuwe media als het internet zoals E-learning, is vaak invloedrijker dan het leren op school.

Oorsprong van het woord[bewerken | brontekst bewerken]

Het voorvoegsel onder heeft hier de betekenis 'met figuurlijke steun'. Onderwijzen betekent eigenlijk ‘iemand ondersteuning bieden door hem de weg te wijzen’, en van daaruit heeft de betekenis zich ontwikkeld tot die van ‘lesgeven’. Onderrichten is op dezelfde manier gevormd uit richten (‘in een bepaalde richting sturen’); onderrichten is dus eigenlijk: ‘iemand helpen de juiste weg te vinden’. Onderwijzen is al in 1283 in het Nederlands aangetroffen in de betekenis ‘iemand iets aantonen, onder het oog brengen’, ook ‘bewijzen’. De betekenis ‘leren, onderrichten’ komt sinds 1434 voor. Onderrichten is voor het eerst in 1477 vermeld als synoniem van onderwijzen. In het Duits hebben unterweisen en unterrichten dezelfde betekenis. Zowel in het Nederlands als in het Duits worden beide woorden veel gebruikt in bijbelvertalingen die vanaf de zestiende eeuw zijn verschenen, en de woorden zijn waarschijnlijk dankzij deze bijbelvertalingen verbreid.[1][2]

Het woord 'school' is afgeleid van het Griekse 'σχολή', dat 'vrije tijd' betekent. Onderwijs was namelijk iets waarvoor je vrije tijd moest hebben: de meeste mensen (ook kinderen) besteedden al hun tijd aan werk. In het klassieke Griekenland bestonden er geen openbare scholen: alleen welgestelde kinderen ontvingen onderwijs van privédocenten. De beroemde 'school' in Athene was Plato's Academie. In deze 'school' waren er echter geen klassen of examens. Het was een plaats waar (wederom welgestelde) denkers converseerden met elkaar, met Plato's ideeën als uitgangspunt. Vandaag zouden we dit een salon noemen. Ook het lyceum van Aristoteles was gelijkaardig, hoewel Aristoteles tweemaal daags een lezing gaf.

Historische achtergrond[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Geschiedenis van het Europese onderwijs voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de 18e eeuw ontstonden er ideeën over algemeen toegankelijk onderwijs voor alle kinderen. In Nederland kwamen begin 19e eeuw onder koning Lodewijk Napoleon allerlei nieuwe wetten volgens nieuwe inzichten. In 1806 werd er een wet geschreven op het openbaar onderwijs. Deze wet kwam niet tot uitvoering onder de Franse overheersing, maar werd onverkort over genomen door koning Willem I en wordt in 1814 van kracht. In deze wet was bepaald dat ieder kind van 5 tot 12 jaar naar school moet kunnen gaan. Tegen betaling van schoolgeld en als de ouders minvermogend zijn, dan op kosten van het armbestuur. Er is nog geen onderscheid naar geloofsrichting. In deze wet wordt, voor het eerst, ook geregeld dat er toezicht komt op de kwaliteit van het onderwijs en wordt de aanzet gegeven voor een speciale opleiding voor onderwijzers: de kweekschool.

Mensen werkzaam in de onderwijssector in Nederland.[3]

De onderwijsstructuur in haar huidige vorm vindt haar oorsprong in sterk verzuilde tradities: de confessionele zuil (katholieke en protestantse onderwijs) en het staatsonderwijs.

Vóór de twaalfde eeuw speelde het intellectuele leven zich af in kloosters, waar vooral liturgie en gebed werd bestudeerd. In de twaalfde en dertiende eeuw was er voldoende welvaart om een professionele clerus te betalen, en bisschoppen richtten kathedraalscholen op om de clerus het canonieke recht te onderwijzen, alsook kerkelijke administratie, boekhouden, logica en retoriek (voor theologische discussies en preken). Kathedraalscholen hadden meestal slechts één leraar.

Reformatie[bewerken | brontekst bewerken]

In de 16e eeuw revolteerden Luther en de humanisten tegen de scholastische methode. Het kerkelijke instituut werd bezien als een onnodige schakel tussen de mens en God, en het daaraan verbonden onderwijs werd door de humanisten afgewezen. Academische individualiteit, gebonden aan een sterke moraliteit, vormden de kern van het protestantse betoog.

20e eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

Tot 1946 was er een Vernieuwingsraad voor het Onderwijs, onder voorzitterschap van onderwijsvernieuwer Kees Boeke.

Minister Jo Cals (KVP) slaagde er tijdens zijn ministersperiode tussen 1952 en 1963 in om ingrijpende wetten erdoor te krijgen. Hij zou het zijn die, honderd jaar na Thorbeckes wet, als eerste minister een algehele herziening van het vhmo tot stand zou brengen. Inhoudelijk leunde deze herziening sterk op het voorbereidende werk van Theo Rutten, dat op zijn beurt weer veel parallellen vertoonde met Gerrit Bolkesteins plannen. De wet staat bekend onder de noemer Mammoetwet vanwege het grote aantal onderwijstypes die het betrof.[4].

Eind 20e eeuw zette de ontzuiling in het onderwijs in met 'maatschappelijke decentralisatie'.[5]

Vakbonden leidden onderwijsstakingen in de jaren 90.

21e eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

In de 'snel veranderende samenleving' van de 21e eeuw is er aandacht gekomen voor de daarbij behorende 21e-eeuwse vaardigheden. Op sommige scholen werd hierop het onderwijs opnieuw ingericht met nieuwe vakken zoals programmeren (digitale geletterdheid), media-educatie/mediawijsheid, en met invoering van het blokletterschrift en afschaffing van het verbonden schrift. In 2021 gaf onderzoek aan dat leerlingen het Nederlandse onderwijs saai gingen vinden.[6]

In 2020 kreeg ook Nederland te maken met de coronapandemie, waarbij een van de overheidsmaatregelen het sluiten van scholen inhield waardoor er meer thuisonderwijs gegeven moest worden. Sommige scholen gingen over op zogeheten 'afstandonderwijs'. Naast communicatieprogramma's zoals Zoom of Teams werden ook online-lesprogramma's zoals moo (van lesmaterialenproducent Heutink) meer en meer gebruikt; men spreekt hier van 'hybride onderwijs'.

Nadat de inbreng van ouders eind vorige eeuw veelal was teruggedrongen[5], wordt op sommige scholen weer ingezet op ouderparticipatie. De ouderbetrokkenheid is dan een die verder gaat dan de oudercommissie of de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad ((g)mr). (Zie participatieladder.)

Schaalvergroting[bewerken | brontekst bewerken]

Waar aan het begin van de 20ste eeuw een school van 400 leerlingen onrealistisch groot werd genoemd, zijn er in Nederland begin 21e eeuw steeds meer scholen van deze omvang. Door bestuurlijke fusies ontstaan er conglomeraten en verdwijnen eenpitters (zelfstandige scholen). In het basisonderwijs worden fusies van kleine scholen en schoolbesturen in krimpgebieden gestimuleerd. Een trend die (zowel in publieke als) in de semipublieke sector waargenomen wordt sinds de financiële crisis van 2008[7] - met meer en minder wenselijke gevolgen zoals het verlies van eigen identiteit en menselijke maat. Onder de noemer 'doorgaande leerlijn' zijn ook verticaal scholen gefuseerd, bijvoorbeeld door het samengaan van peuterspeelzalen met een basisschool tot een integraal kindcentrum (ikc). Met het samengaan van openbare en bijzondere scholen komen de zogenaamde samenwerkingsscholen op - waarmee het confessioneel onderwijs teruggedrongen wordt.

Ook in België speelt de schaalvergroting, een kwestie die raakt aan identiteitsbehoud van de scholen.[8]

Automatisering[bewerken | brontekst bewerken]

Computers deden meer en meer hun intrede in de lessen, i-Padscholen/Maurice de Hond-scholen kwamen en verdwenen. Het computergebruik raakte bij reguliere scholen meer in zwang, met lesprogramma's waarbij de lessen meer geautomatiseerd werden en daarmee voor de leerkracht ook de registratie meer geautomatiseerd werd. Veelgebruikte programma's, apps en werkomgevingen zijn Smartschool, Gynzy, Snappet, Cloudwise, Calcularis, Rekentuin,[9] Aerobe en MOO. Ten tijde van de coronapandemie werd er vanwege de lockdownmaatregelen overgegaan op thuisonderwijs waarbij contact met de school veelal werd gehouden via digitale videotelefoniediensten zoals Microsoft Teams of Zoom Video Communications.

Onderwijsvernieuwing[bewerken | brontekst bewerken]

In het onderwijscurriculum staat wat leerlingen in het basis- en voorgezet onderwijs moeten kennen en kunnen. Dit wordt vastgesteld door de regering en Tweede Kamer. Het curriculum is beschreven in onderwijsdoelen.

Onder de noemer 'het nieuwe leren' vallen begrippen als leerlinggestuurd leren, ontdekkend leren, ervaringsleren, natuurlijk leren, betekenisvol leren, of praktijkgestuurd leren. Deze vernieuwingen zijn alle leerlinggericht, spelen in op de individuele capaciteiten en de belangstelling van de leerling, laten leerlingen actief werken aan de (re)constructie van kennis, koppelen het leren aan betekenisvolle contexten, leerlingen kunnen samen en van andere leerlingen leren en leerlingen kunnen zelf kiezen en daarmee een zekere verantwoordelijkheid voor het eigen leren hebben.

In 2014 vroeg VVD-minister Sander Dekker (Kabinet-Rutte II) om een platform van deskundigen die advies zou kunnen uitbrengen omtrent het curriculum. In 2016 presenteerde deze door de overheid in het leven geroepen denktank Platform Onderwijs 2032 onder voorzitterschap van Paul Schnabel haar advies 'Ons Onderwijs2032'[10] voor herziening van het onderwijscurriculum. Hierin werd betoogd dat kennisoverdracht op school geen prioriteit meer hoeft te hebben.[11] Het advies werd met veel kritiek onthaald en kreeg geen inhoudelijk vervolg.

In 2018 heeft de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media Arie Slob daarop een nieuwe commissie ingesteld onder voorzitterschap van Roel Kuiper om te adviseren over gewenste aanpassingen van het curriculum. Onder de noemer Curriculum.nu wordt nieuw les- en examenmateriaal ontwikkeld. Het expertisecentrum Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) geeft vorm aan de plannen.

Wettelijk kader[bewerken | brontekst bewerken]

In Nederland is er een Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, met op het departement een verantwoordelijk minister en een staatssecretaris.

De Nederlandse wetgeving voorziet in wetgeving voor het onderwijs.

Lijst van Nederlandse ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Lijst van Nederlandse staatssecretarissen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Financiën[bewerken | brontekst bewerken]

Voor het onderwijs in Nederland krijgen schoolbesturen een lumpsum van de rijksoverheid, dit is berekend naar het aantal leerlingen.

Nederlandse studenten kunnen een studiebeurs aanvragen bij de overheid. De studiefinanciering wordt in Nederland geregeld door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Daarvoor werd dit geregeld door de Informatie Beheer Groep (IB-Groep), en daar weer voor door de Informatiseringsbank.

Onderwijsstructuur in Nederland en Vlaanderen[bewerken | brontekst bewerken]

Onderwijsstructuur in Vlaanderen en Nederland

Structuur in Nederland[bewerken | brontekst bewerken]

Schematisch overzicht van het onderwijssysteem in Nederland met de verschillende doorstroommogelijkheden.

Algemeen in Nederland geldt:

  • Het onderwijs valt onder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
  • Sinds 1900 is er in Nederland een leerplicht wet. In de huidige versie schrijft deze volledige leerplicht voor, uitgezonderd van lichamelijke of psychologische gronden, voor iedereen van 5 jaar (start op de eerste dag van de maand na de vijfde verjaardag, maar de meeste kinderen gaan vanaf hun 4e jaar al naar school) tot en met 16 jaar.
  • Na het 16e jaar stelt de wet gedeeltelijk leerplicht tot en met het 18e jaar. Dit houdt in dat de leerling een startkwalificatie (mbo-diploma niveau 2 of hoger) moet hebben om niet meer leerplichtig te zijn.
  • Leerlingen van 19 tot 23 jaar zijn kwalificatieplichtig. Dit houdt in dat de onderwijsinstelling waaraan de leerling studeert, verplicht is zich in te spannen deze leerling ten minste het mbo-diploma niveau 2 te laten behalen.
  • Scholen zijn in Nederland ofwel openbaar, ofwel bijzonder, vanuit levensbeschouwelijke, godsdienstige of onderwijskundige achtergrond.

In Nederland is het mogelijk om de eigen kinderen thuisonderwijs te bieden in plaats van naar een school te doen.

Niveaus[bewerken | brontekst bewerken]

Basisonderwijs
In Nederland volgden in 2000 ongeveer 1,5 miljoen kinderen basisonderwijs op circa 7000 scholen. Het basisonderwijs wordt ook vaak primair onderwijs (PO) genoemd. Samen met het speciaal basisonderwijs valt het basisonderwijs onder de wet op het primair onderwijs (WPO).
Voortgezet onderwijs
In Nederland zijn er verschillende schooltypes voor het voortgezet onderwijs:
Middelbaar
Hoger onderwijs
Speciaal onderwijs
Vormen van speciaal onderwijs in Nederland zijn:
  • Cluster 1: visueel gehandicapte kinderen of meervoudig gehandicapte kinderen met een visuele handicap
  • Cluster 2: dove of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden of meervoudig gehandicapte kinderen die een van deze handicaps hebben
  • Cluster 3: lichamelijk gehandicapte kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK) en langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, of meervoudig gehandicapte kinderen die een van deze handicaps hebben
  • Cluster 4: zeer moeilijk opvoedbare kinderen (Z.M.O.K), langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten
Binnen het speciaal onderwijs wordt het onderwijs voor oudere kinderen voortgezet speciaal onderwijs (VSO) genoemd.
Voormalige vormen van speciaal onderwijs
Volwassenenonderwijs

Structuur in Vlaanderen[12][bewerken | brontekst bewerken]

Structuur in Vlaanderen

In Vlaanderen is er voltijdse leerplicht vanaf 1 september van het kalenderjaar waarin de leerling 6 jaar wordt. Deze leerplicht duurt in de regel 12 leerjaren (zes jaar lager onderwijs en zes jaar secundair onderwijs). Vanaf 15 jaar kan ook aan de leerplicht worden voldaan in deeltijdse leersystemen DBSO en Middenstandsopleiding. Deze leerplicht komt niet overeen met schoolplicht.

Kenmerkend voor het onderwijs in Vlaanderen is de indeling in onderwijsnetten en de bevordering van de gelijke onderwijskansen (GOK). Men onderscheidt het officiële (gemeenschapsonderwijs, provinciaal onderwijs en stedelijk onderwijs) net en het vrije net (joods, protestants, Freinet, Steiner, en het grootste: katholiek onderwijs).

Sinds de onderwijsbevoegdheid van de Belgische federale overheid overgegaan is naar de Vlaamse overheid (1988) is de kwaliteit sterk verbeterd. In internationale vergelijkende studies scoort vooral het secundair onderwijs zeer goed, sinds 2000 herhaaldelijk in de top-10 (zie bijvoorbeeld PISA). Dit is een van de redenen waarom aan de grens wonende Nederlanders met duizenden (ruim 18.500 in 2006-2007) in Vlaamse scholen ingeschreven zijn[13] Ook Franstalige Belgen kiezen steeds vaker voor het Vlaamse onderwijs.

Niveaus[bewerken | brontekst bewerken]

Afstandsonderwijs[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Afstandsonderwijs voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Afstandsonderwijs is onderwijs dat zo georganiseerd wordt dat de leerling en de leraar zich niet in elkaars fysieke nabijheid hoeven te bevinden.

Afstandsonderwijs kan klassiek contactonderwijs vervangen in dunbevolkte gebieden, bij leerlingen en leraars die zich moeilijk kunnen verplaatsen (bijvoorbeeld wegens ziekte) of wanneer een pandemie fysieke contacten uitsluit. Sommige vormen van afstandsonderwijs laten toe dat leerling en leraar actief zijn op verschillende tijdstippen, bijvoorbeeld als de leerling overdag een drukke beroepsactiviteit uitoefent. Onderwijs op afstand kan soms de organisatiekosten verminderen, waardoor het een interessante basis wordt voor commercieel onderwijs.

De oudste vormen van afstandsonderwijs waren schriftelijke cursussen, die bloeiden vanaf de 19de eeuw kort na de oprichting van de moderne posterijen. Een bekend en succesvol voorbeeld is het Britse The Open University vanaf 1971, nog steeds (2021) populair en sindsdien in vele landen nagevolgd.

De opkomst van elektronische communicatie creëerde nieuwe mogelijkheden voor afstandsonderwijs, met onder meer uitzendingen van de schoolradio en later de schooltelevisie. Personal computers en opeenvolgende Internet-technologieën overbruggen steeds beter de fysieke kloof tussen de leerling en de leraar (zie e-learning). Door de beschikbaarheid van video-opnames en interactieve leertoepassingen vervaagt ook het onderscheid tussen afstandsonderwijs en zelfstudie, waarbij de leraar zich ontwikkelt tot auteur van zelfstandig bruikbare didactische hulpmiddelen.

Specifieke vormen van onderwijs[bewerken | brontekst bewerken]

Specifieke vormen/onderscheiden van onderwijs zijn:

Categorie:Onderwijsvorm

Belangenbehartiging en vereniging[bewerken | brontekst bewerken]

Voor leidinggevenden zijn er werkgeversbonden zoals Bond KBO en AVS). Voor onderwijzend personeel zijn er vakbonden zoals Algemene Onderwijs Bond (AOb) - ontstaan door een fusie van de Algemene Bond van Onderwijzend Personeel (ABOP; met Ellen Vogelaar als voorzitter) en de Nederlands Genootschap van Leraren (NGL). Voor studenten zijn er de studentenbonden (zoals LAKS). Ook ouders hebben zich verenigd.

PO-Raad (opgericht 2008; voorheen: Sectororganisatie PO): sectororganisatie voor het primair onderwijs. De vereniging behartigt belangen van schoolbesturen in het basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. VO-Raad: vereniging van schoolbesturen

Ouders & Onderwijs is het informatiepunt voor ouders van kinderen in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs, en het ondersteunt ouderorganisaties en medezeggenschapsraden. Ook adviseert het de politiek, de overheid en de onderwijssector.

Beter Onderwijs Nederland (BON; opgericht 2006) is de belangenvereniging gericht op onderwijskwaliteit voor leerling en student.

Algemene vakbonden, zoals Abvakabo, CNV en FNV, hebben vaak een afdeling voor het onderwijs. Onderwijsspecifieke vakbonden zijn de Katholieke Onderwijs Vakorganisatie (KOV), Algemene Onderwijsbond (AOb),

VOS/ABB is de vereniging voor bestuur, management en medezeggenschap in het openbaar en algemeen toegankelijk onderwijs. Algemene Vereniging Schoolleiders (AVS) is er voor het personeel in de schoolleiding.

In 1983 is de Landelijke Studentenvakbond (LSVb) opgericht als federatie van lokale studentenvakbonden.

Stakingen en demonstraties[bewerken | brontekst bewerken]

In mei 1969 bezetten studenten het bestuurscentrum van de Universiteit van Amsterdam, het Maagdenhuis voor meer zeggenschap in de universiteit. Daarvoor waren er in overige Europese steden ook universiteitsbezettingen door studenten, zoals in mei 1968 de Parijse studentenrevolte aan de Universiteit van Parijs.

Op 9 november 1988 demonstreerden studenten tegen het beleid van toenmalig minister Wim Deetman. 24 september 1992 demonstreerden in stadion Galgenwaard in Utrecht circa 35.000 leraren, conciërges, administratief personeel en praktijkles-assistenten tegen onder meer salariskortingen en bezuinigingen in het onderwijsbeleid van minister Jo Ritzen - het was de tot dan toe grootste onderwijsstaking van Nederland.[14] 8 mei 1993 demonstreerden studenten tegen beleidsvoornemens van Jo Ritzen.

In Nederland waren er onderwijsstakingen op 15 maart 2019, 30 en 31 januari 2020; alle gericht op vermindering van de werkdruk en verhoging van het lerarensalaris.

Statistische indeling[bewerken | brontekst bewerken]

Het CBS heeft voor Nederland een indeling gemaakt van opleidingen naar niveau en richting, de zogenaamde Standaard Onderwijsindeling (SOI). Dit classificatiesysteem wordt gebruikt voor onder andere statistische doeleinden en sluit aan bij de internationale onderwijsindeling ISCED van de UNESCO.

De niveau-indeling van de SOI 2006 is als volgt:

  • 1. Onderwijs aan kleuters
  • 2. Primair onderwijs
  • 3. Secundair onderwijs, eerste fase
    • 3.1 laag
    • 3.2 Midden
    • 3.3 Hoog
  • 4. Secundair onderwijs, tweede fase
    • 4.1 laag
    • 4.2 Midden
    • 4.3 Hoog
  • 5. Hoger onderwijs, eerste fase
    • 5.1 laag
    • 5.2 Midden
    • 5.3 Hoog
  • 6. Hoger onderwijs, tweede fase
  • 7. Hoger onderwijs, derde fase

De SOI deelt de richting van een opleiding hiërarchisch in naar sectorgroep, (sub)sector, rubrieksgroep en rubriek. Op het hoogste niveau (sectorgroep) kent de SOI de volgende indeling naar richting:

  • 0 Algemeen onderwijs
  • 1 Leraren
  • 2 Humaniora, sociale wetenschappen, communicatie en kunst
  • 3 Economie, commercieel, management en administratie
  • 4 Juridisch, bestuurlijk, openbare orde en veiligheid
  • 5 Wiskunde, natuurwetenschappen en informatica
  • 6 Techniek
  • 7 Agrarisch en milieu
  • 8 Gezondheidszorg, sociale dienstverlening en verzorging
  • 9 Horeca, toerisme, transport en logistiek

Varia[bewerken | brontekst bewerken]

Digitale school[bewerken | brontekst bewerken]

De informatievoorziening in het onderwijs is over het algemeen zeer papier gebonden maar gebeurt nu ook af en toe met de computer in een mediatheek of elektronische schoolborden in de klas. In 2013 waren er 10 scholen in Nederland die alleen digitaal werkten op een iPad.[15] In 2014 deed ook de Android tablet zijn intrede en deden 44 scholen mee.[16] Inmiddels loopt het aantal tablets dat in gebruik is op school in de miljoenen.[17] Gezien de ontwikkeling dat er steeds meer gebruik gemaakt gaat worden van de zogenoemde cloud en het gevaar op gegevenslekken meent de Nederlandse regering dat de leerlingen pseudoniemen kunnen gaan kiezen waarmee ze zich aan kunnen melden op de leersystemen.[18] '

MOOC[bewerken | brontekst bewerken]

MOOC staat voor: Massive open online course. Er zijn ook vele gratis MOOC's beschikbaar van prestigieuze universiteiten. Vooral studenten werken steeds meer met een laptop en via E-learning.

Lissabon[bewerken | brontekst bewerken]

Met de Strategie van Lissabon[19] wordt binnen de EU geprobeerd om het aantal voortijdige schoolverlaters te verminderen, per 2006 heeft in Nederland 1 op de 4 in de leeftijd 20 tot 24 jaar geen diploma, in België is dit 1 op de 5 en in Finland, Duitsland, Griekenland, Ierland, Japan, Korea en Noorwegen 1 op de 10.[20][21]

Tevens wordt geprobeerd om met de Lissabonstrategie de educatie-vormen binnen de EU meer aansluiting op elkaar te laten hebben, en dus ook meer overeenkomsten te creëren dan wel laten zien.

Naast de scholing doet de school vaak aan opvoeding, integratie, voor en naschoolse opvang en zorg. De ene onderwijsvorm heeft meer zorgleerlingen dan de andere. Voor sommige zaken kan de school verwijzen naar specialisten zoals de huisarts, het Centrum voor Leerlingenbegeleiding, de kinderbescherming of de politie.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]

Op andere Wikimedia-projecten