Schoolgebouw

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Vanwege de kindertoename werden in 1949 in Nederland veel 'Finse scholen' gebouwd
Schoolgebouw in Utrecht

Een schoolgebouw is een gebouw waarin doorgaans een school is gevestigd. De leerlingen volgen hun onderwijs in klaslokalen.

De lokalen[bewerken]

Een school dient zodanig ontworpen te zijn dat het de ideale leeromgeving vormt voor leerlingen. Dit is het best haalbaar door ruime klaslokalen met veel lichtinval en rustig kleurgebruik. Onderzoek heeft uitgewezen dat leerlingen zich in zo'n omgeving het beste kunnen concentreren. De lokalen moeten ook verwarmd zijn in de winter. Standaardmeubilair (stoelen, banken en een krijtbord/whiteboard/smartboard) is ook nodig. Dit alles naar de geldende normen en inzichten tijdens het realiseren van het schoolgebouw.

De klaslokalen zijn meestal ingericht naar het vak dat er wordt gegeven, om zo indirect het leerproces te stimuleren en hier belangstelling voor op te wekken. Zo zal een Frans lokaal bijvoorbeeld een kaart van Frankrijk en Franse filmposters aan de wanden kunnen hebben, treft men in een scheikundelokaal wellicht een posterversie van het periodiek systeem der elementen aan, en kan een aardrijkskundelokaal bijvoorbeeld een bodemkundige kaart van Nederland of een wereldkaart bevatten. Lagere schoollokalen bevatten vaak tekeningen van de leerlingen, posters, of tekeningen met grootgedrukte letters (boom-roos-vis-vuur-mus-pim). Peuterspeelzalen bevatten vaak een 'bouwhoek', een 'knutselhoek' en een 'keukentje'.

Lagere scholen en peuterspeelzalen zijn meestal kleiner opgezet dan middelbare scholen. Ze hebben minder leerlingen die meestal uit dezelfde wijk of hetzelfde dorp komen. Er zijn ook minder lokalen, en iedere klas blijft gedurende de hele dag in hetzelfde lokaal en krijgt voornamelijk les van dezelfde leraar.

Bij een middelbare school is dit anders. Het gebouw dient voorzien te zijn van een verscheidenheid aan lokalen, om verschillende vakken te kunnen geven. Voornamelijk zijn er standaardlokalen waarin theoretische vakken gegeven kunnen worden, de zogenaamde AVO-vakken (Algemeen Vormend Onderwijs). Een televisie en stereo moet ook voorhanden zijn in elke klas of op een mobiele eenheid per gang. Maar er moet ook rekening gehouden worden met de praktijkgerichte vakken, zoals techniek, verzorging, gym en handvaardigheid. Die 'bijzondere' lokalen moeten zodanig zijn ingericht dat er geen problemen kunnen ontstaan bij het geven en volgen van dat vak. In België zijn de voorzieningen van deze lokalen door geldgebrek vaak verouderd.

Het gebouw[bewerken]

Behalve de lokalen moet een schoolgebouw zijn voorzien van administratieve ruimtes, kabinetten, vergaderzalen, kamers voor vakgroepen, kamers voor hogere functies, een mediatheek en natuurlijk gemeenschappelijke ontspanningsruimtes voor zowel leraren als leerlingen (kantines). Catering is daarbij gewenst. Toiletten, bergruimtes, fietsenstallingen en een schoolplein zijn vanzelfsprekend ook nodig. Roken is er steeds verboden, hoewel sommige scholen dit op het schoolplein wel toestaan. Het gebouw moet voldoende zijn geventileerd, zodat de luchtkwaliteit voor leerlingen en docenten goed is.

Tot slot dient het gebouw brandveilig (alternatieve uitgang, brandwerend plafond, brandblussers) te zijn en goed toegankelijk te zijn voor mensen met een handicap. Indien het gebouw uit meerdere etages bestaat, zou er een personenlift aanwezig moeten zijn, al komt dit (vooral in België) sporadisch voor wegens de hoge kosten die daaraan verbonden zijn. Personenliften zijn overigens vanwege hun beperkte capaciteit en het grote aantal leerlingen ook bepaald niet praktisch.