Schuif

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Schuif in een blokje. De kracht F wordt veroorzaakt door de schuifspanning. De bovenkant van het blokje verschuift horizontaal over de afstand Δx. Na afloop is de hoogte van het blokje l. De schuif is gedefinieerd als γ=Δx/l; de kracht F wordt gegeven door F=τA, waarbij A het oppervlak van de bovenzijde van het blokje is.

Schuif is in de natuurkunde een wijze van deformatie waarbij in een materiaal verschillende lagen over elkaar schuiven als gevolg van schuifspanning.

Een voorbeeld van schuif is te zien als men een hand legt op een stapel speelkaarten en de hand naar een kant beweegt. De stapel zal als geheel vanaf de zijkant gezien vervormen waarbij de bovenste kaarten ver met de hand meebewegen, de kaarten in het midden dit ook nog iets doen en de kaarten onderop op hun plaats blijven.

Bij dit voorbeeld zijn de kaarten niet één geheel (een continuüm), maar apart van elkaar bewegende discrete eenheden die door wrijving met elkaar mee bewegen. Bij continue materialen (zowel gassen, vloeistoffen als vaste materialen) zal schuif op een vergelijkbare manier optreden. In een continuüm is geen sprake van wrijving tussen discrete eenheden, maar treedt een inwendige weerstand op tegen deformatie, de zogenaamde vloeiweerstand. Een voorbeeld is te zien als men een plak klei onder een hand legt en de hand over de bovenkant beweegt. Het bovenste gedeelte van de klei zal met de hand meebewegen terwijl het onderste gedeelte op zijn plaats blijft.

Bij sommige materialen zal de schuif zich concentreren in een bepaalde zone, terwijl andere materialen als een geheel zullen vervormen. Als sprake is van een zone waarin schuif plaatsvindt, wordt dit een schuifzone genoemd.