Naar inhoud springen

Servië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Република Србија
Republika Srbija
Kaart
Basisgegevens
Officiële taal Servisch
Hoofdstad Belgrado
Regerings­vorm Republiek
Staatshoofd President Ana Brnabić
Regerings­leider Premier Đuro Macut
Religie Servisch-orthodox 84,6%
rooms-katholiek 5%
islamitisch 3,1%
protestant 1%
Oppervlakte 77.474 km²[1] (-% water)
Inwoners 6.647.003 (2022)[2]
Bijv. naamwoord Servisch
Inwoner­aanduiding Serviër/Serf (m./v.)
Servische (v.)
Overige
Volkslied Bože Pravde
Munteenheid Servische dinar (RSD)
UTC +1 (zomer +2)
Nationale feestdag 15 februari (Dag van de opstand)
Web | Code | Tel. .rs | SRB | 381
Voorgaande staten
Servië en Montenegro Servië en Montenegro2006 (Montenegrijnse onafhankelijkheidsverklaring)
Detailkaart
Kaart van Servië
Portaal  Portaalpictogram  Landen & Volken

Servië (Servisch: Србија, Srbija), officieel de Republiek Servië (Servisch: Република Србија, Republika Srbija), is een land in Zuidoost-Europa. Servië ligt centraal op het Balkanschiereiland en grenst met de klok mee aan Hongarije, Roemenië, Bulgarije, Noord-Macedonië, Kosovo (de facto), Montenegro, Bosnië en Herzegovina en Kroatië. Servië stelt zelf dat het grenst aan Albanië, omdat het Kosovo beschouwt als een autonome provincie van Servië. De hoofdstad van Servië is Belgrado.

In 1815 riep het vorstendom Servië zijn onafhankelijkheid uit van het Ottomaanse Rijk. In 1878 werd het land internationaal erkend. In 1918 werd Servië onderdeel van Joegoslavië, dat in 1992 een confederatie werd tussen Servië en Montenegro onder de naam Federale Republiek Joegoslavië. Vanaf 2003 heette het land Servië en Montenegro. Sinds 5 juni 2006 is Servië een onafhankelijke staat na de Montenegrijnse onafhankelijkheidsverklaring.

In 2008 riep de zuidelijke autonome provincie Kosovo de onafhankelijkheid uit van Servië, die niet wordt erkend door de Servische regering. Ondanks de territoriale claim van Kosovo door Servië, heeft Servië de facto geen gezag over Kosovo, dat onder de veiligheidsraad van de Verenigde Naties staat.

Servië moet niet verward worden met de Servische Republiek, een deelgebied van Bosnië en Herzegovina waar de Bosnische Serviërs de etnische meerderheid vormen.

Zie Geschiedenis van Servië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Eerste Servische opstand

Servië ontwikkelde zich in de 19e eeuw vanuit een autonoom vorstendom binnen het Ottomaanse Rijk tot een volledig onafhankelijke staat. De Eerste Servische Opstand brak in 1804 uit onder leiding van Đorđe Petrović, beter bekend als Karađorđe. Na het neerslaan van de opstand in 1813 volgde in 1815 de Tweede Servische Opstand, geleid door Miloš Obrenović. Deze leidde uiteindelijk tot een verregaande Servische autonomie binnen het Ottomaanse Rijk. Belgrado werd het politieke centrum van het vorstendom. In 1830 erkende het Ottomaanse Rijk de erfelijke positie van Miloš Obrenović als vorst. Servië ontwikkelde zich vervolgens tot een steeds zelfstandiger staat met eigen instellingen, een eigen leger en een groeiende diplomatieke vertegenwoordiging. In 1867 verlieten de laatste Ottomaanse garnizoenen het grondgebied van het vorstendom. Servië verkreeg daarmee feitelijk volledige controle over zijn belangrijkste steden. In 1878 werd Servië internationaal erkend. De politieke en bestuurlijke ontwikkeling werd voortgezet onder de dynastieën Obrenović en Karađorđević. Tegelijkertijd groeide onder Servische intellectuelen en politici het streven naar uitbreiding van de Servische staat en naar aansluiting van gebieden met een Servische bevolking (Groot-Servië). Tijdens de Russisch-Turkse Oorlog van 1877-1878 vocht Servië opnieuw tegen het Ottomaanse Rijk. De oorlog eindigde met een Russische overwinning en leidde tot grote veranderingen op de Balkan. Servië, dat na de onafhankelijkheid voornamelijk bestond uit huidig Centraal-Servië, verwierf de zuidoostelijke steden Niš, Pirot, Vranje, Toplica en Leskovac. De islamitische bevolking werd na deze inlijvingen grootendeels verdreven door Servische troepen, waarna zij zich vestigden in gebieden die nog onder Ottomaans bestuur stonden. In 1885 probeerde het Servische leger gebieden van het vorstendom Bulgarije te veroveren. Het korte conflict leidde in een Servische nederlaag.

Koning Peter I van de Karađorđević-dynastie

In 1882 werd Servië een koninkrijk en nam vorst Milan Obrenović de titel koning Milan I aan. Het koninkrijk probeerde zich politiek en economisch verder te ontwikkelen en onderhield nauwe betrekkingen met Oostenrijk-Hongarije, hoewel binnen Servië ook sterke pro-Russische stromingen bestonden. De binnenlandse politiek werd gekenmerkt door rivaliteit tussen politieke partijen, de twee dynastieën en verschillende stromingen binnen het leger. In 1903 vond een gewelddadige machtswisseling plaats waarbij koning Alexander I van Servië en koningin Draga Mašin werden vermoord. De Karađorđević-dynastie keerde daarop terug op de Servische troon. Peter I werd koning. Onder zijn bewind werd het parlementaire systeem versterkt en nam de invloed van Rusland toe. Servië richtte zich tegelijkertijd steeds sterker op de uitbreiding van zijn invloed op de Balkan. De spanningen tussen Servië en Oostenrijk-Hongarije namen toe. Een belangrijke aanleiding was de Bosnische crisis van 1908, toen Oostenrijk-Hongarije Bosnië en Herzegovina formeel annexeerde. Servische nationalisten zagen de annexatie als een bedreiging voor de Servische belangen en voor de Servische bevolking in Bosnië.

In 1912 vormden Servië, Montenegro, Bulgarije en Griekenland de Balkanbond met als doel de resterende gebieden van het Ottomaanse Rijk in Europa te veroveren. Tijdens de Eerste Balkanoorlog versloegen de bondgenoten het Ottomaanse leger en breidden zij hun grondgebied sterk uit. In 1913 kreeg Servië tijdens de Vrede van Londen de regio's Sandžak, Kosovo en Vardar (huidig Noord-Macedonië) toegewezen ten koste van respectievelijk Bosnië, Albanië en Bulgarije. De Servische veroveringen tijdens de Balkanoorlog, met name van de door Albanezen bevolkte gebieden, gingen gepaard met wreedheden. In de loop van de tijd voerde het vorstendom ook steeds meer een buitenlands beleid. Hierbij leunde men sterk op Oostenrijk-Hongarije, tot ongenoegen van een groot deel van de bevolking en de panslavisten. Zij gaven de voorkeur aan een pro-Russisch beleid, dit mede omdat de Russen de Serviërs diplomatiek ondersteunden bij uitbreiding van de moderne Servische staat.

Servische expansie op de Balkan (1913)

Op 28 juni 1914 werd de Oostenrijks-Hongaarse troonopvolger Frans Ferdinand tijdens een bezoek aan Sarajevo vermoord door Gavrilo Princip, een Bosnisch-Servische nationalist. Oostenrijk-Hongarije stelde vervolgens zware eisen aan Servië. Nadat de diplomatieke crisis was geëscaleerd, verklaarde Oostenrijk-Hongarije Servië op 28 juli 1914 de oorlog. De daaropvolgende mobilisaties en oorlogsverklaringen tussen de Europese grootmachten leidden tot de Eerste Wereldoorlog. Servië werd in 1914 meerdere malen aangevallen door Oostenrijks-Hongaarse troepen. Servische strijdkrachten wisten de eerste invasies af te slaan, onder meer tijdens de Slag bij de Kolubara. In 1915 werd Servië echter opnieuw aangevallen, ditmaal door Oostenrijk-Hongarije, Duitsland en Bulgarije. De Servische strijdkrachten werden gedwongen zich terug te trekken. Een groot deel van het Servische leger trok via Montenegro en Albanië naar de Adriatische Zee. In 1918 namen Servische troepen deel aan het geallieerde offensief dat leidde tot de doorbraak van het Macedonisch front. Bulgarije capituleerde en de geallieerde troepen rukten verder op richting Centraal-Europa. Aan het einde van de oorlog stortte Oostenrijk-Hongarije uiteen.

Joegoslavië wordt gesticht (1918).

In november 1918 werd het Koninkrijk der Serviërs, Kroaten en Slovenen gevormd, waarin Servië samen met andere Zuid-Slavische gebieden werd verenigd. Koning Peter I van Servië werd staatshoofd van de nieuwe staat. De Servische stad Belgrado werd de hoofdstad. De nieuwe staat omvatte Servië, Montenegro en grote delen van het voormalige Oostenrijk-Hongarije, waaronder Kroatië, Slovenië, Bosnië en Herzegovina en delen van Vojvodina, een regio die Servië verwierf ten koste van Hongarije. De staat was etnisch, religieus en politiek zeer divers. Er bestonden grote verschillen tussen de verschillende Zuid-Slavische gebieden over de inrichting van de nieuwe monarchie. In 1921 werd een nieuwe grondwet aangenomen die een sterk gecentraliseerde monarchie creëerde. De Servische politieke elite had hierdoor een grote invloed binnen de nieuwe staat. Vooral de Kroatische Boerenpartij onder leiding van Stjepan Radić verzette zich tegen de centralistische inrichting. In 1929 schafte koning Aleksandar I het parlementaire systeem af en voerde hij een koninklijke dictatuur in. De naam van het land werd veranderd van Koninkrijk der Serviërs, Kroaten en Slovenen in Koninkrijk Joegoslavië. Het grondgebied werd opnieuw ingedeeld in banaten die niet langer rechtstreeks aansloten bij de historische gebieden. Koning Aleksandar I werd in oktober 1934 tijdens een staatsbezoek aan Marseille vermoord door leden van een Macedonisch-Kroatische revolutionaire organisatie. Omdat zijn zoon Peter II nog minderjarig was, werd een regentschapsraad ingesteld onder prins Paul. In de jaren dertig probeerde Joegoslavië zijn positie tussen de Europese grootmachten te behouden. De regering sloot economische en politieke overeenkomsten met Duitsland en Italië, terwijl tegelijkertijd geprobeerd werd de onafhankelijkheid van het land te bewaren.

In maart 1941 trad Joegoslavië toe tot het Driemogendhedenpact van Duitsland, Italië en Japan. Dit leidde tot grote protesten in Belgrado en een staatsgreep waarbij de regering werd vervangen. Duitsland en zijn bondgenoten reageerden daarop met een invasie. Op 6 april 1941 begonnen Duitse en Italiaanse luchtaanvallen op Joegoslavië. Belgrado werd zwaar gebombardeerd. Het Joegoslavische leger werd binnen korte tijd verslagen en het land werd bezet en uiteengevallen. Servië werd onder een Duitse militaire bezettingsregering geplaatst. Andere delen van Joegoslavië werden verdeeld tussen Duitsland, Italië, Albanië, Hongarije en Bulgarije. Kroatië werd een onafhankelijke fascistische satellietstaat, de Onafhankelijke Staat Kroatië. In Servië ontstonden verschillende verzetsbewegingen. De twee belangrijkste waren de monarchistische Četniks, aanvankelijk geleid door Draža Mihailović, en de communistische partizanen onder leiding van de Kroaat Josip Broz Tito. Beide bewegingen vochten tegen de bezettingsmacht, maar raakten ook met elkaar in conflict. De Duitse bezettingsmacht reageerde hard op het verzet en voerde een harde toon tegen de Servische bevolking. Er werden veldslagen uitgevochten tegen de rivaliserende legers maar ook de Servische bevolking werd door de Kroatische Ustaša-beweging vervolgd, hetgeen 250.000 tot 500.000 Servische burgers het leven kostte. In het door het Koninkrijk Albanië bezette Kosovo werd de Servische bevolking door de Albanese collaborateurs omgebracht of verdreven naar centraal-Servië. Zuidoostelijke delen van Servië werden bezet door Bulgarije. In 1944 rukten Sovjet- en partizaneneenheden op richting Servië. In oktober 1944 werd Belgrado bevrijd tijdens het Belgrado-offensief. De Duitse troepen trokken zich vervolgens verder terug. Tegen het einde van 1944 was het grootste deel van Servië onder controle van de partizanen. Na de oorlog werden de monarchistische en anticommunistische bewegingen grotendeels verslagen. Draža Mihailović werd in 1946 door de nieuwe Joegoslavische autoriteiten ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.

Servië gedurende de Tweede Wereldoorlog

Na de Tweede Wereldoorlog werd Joegoslavië een communistische federale staat onder leiding van Josip Broz Tito. Servië werd een van de zes deelrepublieken van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië. Binnen Servië werden daarnaast de autonome provincies Vojvodina en Kosovo ingesteld. De nieuwe communistische regering nationaliseerde industrieën en landbouwgrond en voerde een centraal geleide economie in. Joegoslavië ontwikkelde zich later tot een socialistische staat die zich onderscheidde van het Sovjetblok. In 1948 brak Tito met de Sovjetleider Jozef Stalin. Joegoslavië koos daarna voor een zelfstandiger vorm van socialisme en ontwikkelde het systeem van arbeiderszelfbestuur. In de buitenlandse politiek werd Joegoslavië een van de belangrijkste landen binnen de Beweging van Niet-Gebonden Landen. Belgrado speelde een belangrijke rol bij de oprichting van deze beweging. Binnen Joegoslavië ontstonden in de jaren zeventig en tachtig echter steeds grotere economische en politieke problemen. De grondwet van 1974 gaf de deelrepublieken en autonome provincies een grote mate van zelfstandigheid. Hierdoor werd de federale regering relatief zwakker.

Servië in het donkerblauw weergegeven binnen Joegoslavië

Na de dood van Tito in 1980 namen de economische problemen toe. Inflatie, werkloosheid, buitenlandse schulden en regionale economische verschillen veroorzaakten steeds meer politieke spanningen. Aan het einde van de jaren tachtig nam de invloed van de Servische communistische leider Slobodan Milošević sterk toe. Milošević benadrukte de positie van Servië binnen Joegoslavië en speelde een belangrijke rol bij de hervorming van de politieke verhoudingen binnen Servië. In 1989 werd de autonomie van Kosovo en Vojvodina sterk beperkt. Dit leidde tot grote spanningen, vooral in Kosovo, waar de Albanese meerderheid zich tegen de nieuwe politieke situatie verzette.

Zie Joegoslavische oorlogen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Ratko Mladić (links van het midden) arriveert op de luchthaven van Sarajevo voorafgaand aan de besprekingen in 1993.

Milošević schakelde in de nadagen van het communisme over op het Servisch nationalisme. In 1991 verklaarde Macedonië zich vreedzaam onafhankelijk van Joegoslavië. Na de Tiendaagse Oorlog verklaarde Slovenië zich onafhankelijk. Kroatië en Bosnië en Herzegovina probeerden zich eveneens van de Pro-Servische politici in Belgrado los te weken, de grootschalige Servische gemeenschappen verzetten zich echter tegen deze onafhankelijkheid. Gesteund door Servische paramilitaire troepen wist het Joegoslavisch leger de deelstaten Kroatië en Bosnië en Herzegovina niet te behouden waarna deze twee deelstaten na een onafhankelijkheidsoorlog zich met succes van Joegoslavië afsplitsten. De oorlogen gingen gepaard met grootschalige oorlogsmisdaden, vooral tegen de Bosniakken. De Val van Srebrenica, waar meer dan 8000 moslimmannen door Bosnisch-Servische troepen werden vermoord, wordt erkend als genocide. Het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag vervolgde later tientallen personen voor oorlogsmisdaden die tijdens de Joegoslavische oorlogen waren gepleegd. Onder andere de opperbevelhebber van de Bosnisch-Servische troepen Ratko Mladić werd destijds aangeklaagd. Joegoslavië bleef nadien verder bestaan uit Servië en Montenegro onder de naam Federale Republiek Joegoslavië.

In Kosovo namen de spanningen tussen de Servische autoriteiten en de etnisch Albanese bevolking gedurende de jaren negentig verder toe. Vanaf 1996 voerde het Bevrijdingsleger van Kosovo, het UÇK, gewapende aanvallen uit op Servische veiligheidsdoelen maar ook op Serviërs en Roma. Het conflict escaleerde vanaf 1998 tot een grootschalige oorlog, de Kosovo-oorlog. Het Joegoslavisch leger werd ingezet en er werd gevochten tegen het UÇK. Naast bestrijdingen van het UÇK vonden ernstige oorlogsmisdrijven tegen Albanese burgers in Kosovo plaats door de Joegoslavische en Servische troepen. Na mislukte onderhandelingen in Rambouillet begon de NAVO in maart 1999 met luchtaanvallen tegen Joegoslavië. De bombardementen duurden 78 dagen. Onder meer Belgrado werd getroffen. In juni 1999 trok het Joegoslavisch leger zich uit Kosovo terug. Een internationale vredesmacht, KFOR, werd vervolgens in Kosovo gestationeerd en het gebied kwam onder internationaal bestuur van de Verenigde Naties.

Slobodan Milošević en Bill Clinton tijdens een bijeenkomst in Parijs

In 2000 ontstond in Servië een grote politieke crisis na de presidentsverkiezingen. De oppositie stelde dat Vojislav Koštunica de verkiezingen had gewonnen. Na massale protesten en de bezetting van belangrijke overheidsgebouwen trad Slobodan Milošević af. Daarmee kwam een einde aan zijn langdurige politieke machtspositie. Servië begon vervolgens aan een periode van politieke en economische hervormingen. De eerste meerpartijenverkiezingen in Servië na de Tweede Wereldoorlog waren al in december 1990 gehouden. In 2001 werd Milošević uitgeleverd aan het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag waar hij terechtstond voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide. Hij overleed in 2006 voordat het proces tot een eindvonnis kwam. In 2003 werd de Federale Republiek Joegoslavië vervangen door de staatsunie Servië en Montenegro. De naam Joegoslavië verdween daarmee formeel. De unie bestond uit twee republieken die een beperkte gezamenlijke staatsstructuur hadden. De politieke en economische verschillen tussen Servië en Montenegro bleven echter groot. In mei 2006 hield Montenegro een referendum over onafhankelijkheid. Een meerderheid van de kiezers stemde voor onafhankelijkheid. Montenegro werd vervolgens een zelfstandige staat. Servië nam de internationale en juridische continuïteit van de voormalige staatsunie over.

Servië en Montenegro

Op 5 juni 2006 werd Servië opnieuw een zelfstandige staat. Daarmee eindigde de laatste federale staatsconstructie die was voortgekomen uit Joegoslavië. In oktober 2006 keurden de Servische kiezers een nieuwe grondwet goed. De grondwet werd op 8 november 2006 officieel afgekondigd. Servië werd daarin omschreven als een staat van het Servische volk en alle burgers die erin wonen, met bepalingen over democratische instellingen, mensenrechten en de rechtsstaat. In februari 2008 verklaarde Kosovo zich onafhankelijk. Servië erkende de onafhankelijkheid van Kosovo niet.

Servische vlag zonder (links) en met wapen.

Servië is kandidaat voor het lidmaatschap van de Europese Unie. In 2012 kreeg het land de status van kandidaat-lidstaat en in 2014 begonnen de toetredingsonderhandelingen. De kwestie Kosovo blijft een belangrijk onderdeel van de buitenlandse politiek. Servië blijft vasthouden aan zijn standpunt dat Kosovo onderdeel is van zijn staatsgebied, terwijl Kosovo zichzelf als onafhankelijke republiek beschouwt. De Europese Unie blijft betrokken bij de dialoog tussen Belgrado en Pristina. De regering bleef daarnaast economische en politieke betrekkingen onderhouden met Rusland, China en andere landen. In april 2025 werd Đuro Macut benoemd tot premier van Servië. In september 2026 werd Ana Brnabić president.

Fysieke kenmerken

[bewerken | brontekst bewerken]
Topografische kaart van Servië

Servië bevindt zich grootendeels op het Balkanschiereiland, op een kruispunt tussen Centraal-Europa, Zuid-Europa en Oost-Europa. De Servische provincie Vojvodina wordt geografisch vaak niet tot de Balkan gerekend omdat het noordelijk ligt van de rivieren Donau en Sava. Een deel van het land ligt op de Pannonische vlakte.

Servië heeft geen kustlijn en ligt ingeklemd tussen acht andere landen. Met de klok mee, te beginnen in het noorden, zijn dat Hongarije, Roemenië, Bulgarije, Noord-Macedonië, Kosovo (al erkent Servië de Kosovaarse onafhankelijkheid niet en beweert het te grenzen aan Albanië), Montenegro, Bosnië en Herzegovina en Kroatië.

De belangrijkste rivier van Servië is de Donau. Deze 2850 km lange rivier stroomt 588 km over Servisch grondgebied, vooral door het noordelijke deel van het land. Aan dit deel van de Donau liggen onder andere de steden Belgrado en Novi Sad, het heuvelachtige gebied Fruška Gora en het bekende kloofdal de IJzeren Poort. Ook monden er in Servië andere belangrijke rivieren uit in de Donau, zoals de Sava (in hartje Belgrado), de Timiş (nabij Pančevo), en de Tisa (bij het dorp Titel, waar tevens de Begarivier (254 km) zich met de Tisa vermengt). Deze rivieren zijn allemaal bevaarbaar en verbinden Servië met het noorden en westen van Europa (door middel van het Main-Donaukanaal), met Oost-Europa (via de Tisa-, Timiş-, Bega- en Donau-Zwarte Zee-routes), en Zuid-Europa (via de Sava). Tevens heeft het land vele meren.

De grootste meren in Servië zijn veelal oude armen van Donau en Sava. 's Lands grootste natuurlijke meer is Belo jezero in Vojvodina, met een oppervlakte van circa 25 km². Onder de kunstmatige stuwmeren is dat in de IJzeren Poortkloof, met een oppervlakte van 163 km² aan Servische zijde (samen 253 km²), het grootste van het land.

De rivier Uvac

Andere bekende stuwmeren zijn het Vlasinameer, in een hoogveengebied in het Zuidoost-Servische gebergte, het Perućacmeer aan de Drina en het stuwmeer in de kloof van de Uvacrivier.

Het land telt 6 nationale parken en verschillende natuurparken.

Zie lijst van grote Servische steden voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De tien grootste steden van Servië zijn (exclusief Kosovo):

  1. Belgrado – 1.233.796 inwoners, nationale hoofdstad
  2. Novi Sad – 277.522, hoofdstad van Vojvodina
  3. Niš- 187.544
  4. Kragujevac – 150.835
  5. Subotica – 105.681
  6. Zrenjanin – 76.511
  7. Pančevo – 76.203
  8. Čačak – 73.331
  9. Novi Pazar – 66.527
  10. Kraljevo – 64.175

Uit een volkstelling, gehouden in 2011, blijkt Servië (exclusief Kosovo) een totale bevolking van 7.186.862 te hebben, wat neerkomt op een gemiddelde bevolkingsdichtheid van 92,8 inwoners per vierkante kilometer.[3] Deze volkstelling sluit Kosovo uit, vanwege het feit dat het zijn eigen volkstelling houdt. Dit aantal komt uit op 1.739.825[4]

Etnische samenstelling Servië, volkstelling 2011.

In Servië vormen etnische Serviërs met 80,6% van de bevolking de meerderheid. De Hongaren (2,7%), Bosniakken (2,3%) en Roma (2%) vormen de belangrijkste minderheden. In de autonome provincie Vojvodina vormen Serviërs ongeveer 65% van de bevolking gevolgd door een grote Hongaarse minderheid. In de Kosovaarse streek Noord-Mitrovica vormen Serviërs ook een meerderheid.

Servië wordt al sinds het begin van de jaren negentig geteisterd door een demografische crisis, doordat het sterftecijfer constant hoger ligt dan het geboortecijfer en een vruchtbaarheidscijfer van 1,44 kinderen per moeder, een van de laagste in de wereld.[5] Als gevolg heeft Servië een van de oudste populaties in de wereld met een gemiddelde leeftijd van 42,2 jaar[6] daarbij ligt de snelheid waarmee de bevolking krimpt ook nog heel hoog.[7] Een vijfde van alle huishoudens bestaat uit maar een persoon en een vierde uit meer dan vier personen.[8] De levensverwachting bij de geboorte is 74,2 jaar.[9]

Gedurende de jaren negentig had Servië de grootste vluchtelingpopulatie in Europa[10] Vluchtelingen en staatlozen maakte respectievelijk 7% en 7,5% van de gehele bevolking uit – ongeveer een half miljoen vluchtelingen zochten asiel vanwege de vele Balkanoorlogen, voornamelijk Serviërs uit Kroatië en de Serviërs uit Kosovo.[11] Inmiddels wordt geschat dat gedurende deze tijd ongeveer 300.000 (voornamelijk hoogopgeleide) Serven Servië verlaten hebben.[12][13]

Taal en schrift

[bewerken | brontekst bewerken]

In Servië worden diverse talen gesproken, waaronder Servisch, Albanees, Bosnisch, Hongaars, Roemeens, Kroatisch, Slowaaks, Bulgaars en Roetheens. Het Servisch is de officiële taal van het land; in Kosovo samen met het Albanees en in Vojvodina samen met het Hongaars (zie Hongaarse minderheid in Servië), Roemeens, Kroatisch, Slowaaks en Roetheens.

Servisch is een van de standaardvarianten van het Servo-Kroatisch, behorend tot de zuidelijke groep van de Slavische talen. De taal die in Montenegro wordt gesproken, wordt door de meeste taalkundigen beschouwd als een dialect van het Servisch, officieel heet ze echter Montenegrijns. De Servische standaardtaal is gebaseerd op het Neoštokavisch dialect. In het zuidoosten van Servië wordt ook Torlakisch gesproken, dat als een Servisch-Bulgaars grensdialect gezien kan worden.

Tot ver in de 20e eeuw werd op Joegoslavische scholen het Russisch als tweede taal onderwezen. Inmiddels is deze taal echter vervangen door het Engels, dat in Servië sterk is opgekomen. Vooral in de grote steden wordt wat Engels gesproken. Op het platteland wordt door oudere generaties vaker Russisch of Duits gesproken als eerste buitenlandse taal.

In Servië worden het Latijnse en cyrillische alfabet naast elkaar gebruikt. Op de bewegwijzering zijn vaak beide schriften aanwezig. In het noordelijke Vojvodina overheerst het Latijnse alfabet, terwijl in het zuiden en oosten vaker het cyrillisch wordt gebruikt. Het Servisch wordt geheel fonetisch geschreven. Dit betekent dat de uitspraak van een woord niet verschilt van de schrijfwijze.

Zie islam in Servië en Katholieke Kerk in Servië voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

De belangrijkste religie in Servië is de Servisch-Orthodoxe Kerk. Verspreid over het land zijn vele orthodoxe kloosters. In Belgrado staat het grootste orthodoxe kerkgebouw ter wereld, de Kathedraal van de Heilige Sava.

In het zuidwesten van Servië hangt de meerderheid van de inwoners de islam aan. In het westen en noorden wonen minderheden katholieken en protestanten.

Overheid en politiek

[bewerken | brontekst bewerken]

Staatsinrichting

[bewerken | brontekst bewerken]
Het Servische parlementsgebouw in de hoofdstad Belgrado

De Republiek Servië is een parlementaire democratie. Aan het hoofd staat een president en de regering wordt geleid door een premier. Servië kent een eenkamerstelsel; het parlement (de Nationale Vergadering) telt 250 zetels.

Het presidentschap wordt sinds september 2026 waargenomen door Ana Brnabić, de voorzitter van de Nationale Vergadering. Zij is lid van de Servische Progressieve Partij (SNS) en nam het ambt op zich na het voortijdige aftreden van haar voorganger en partijgenoot Aleksandar Vučić. Brnabić was eerder de eerste vrouwelijke premier van het land (2017–2024) en is openlijk lesbisch.

Vučić was tussen 2017 en 2026 de president van Servië. Na het winnen van de presidentsverkiezingen van 2017 volgde hij Tomislav Nikolić op en in 2022 werd hij met overmacht herkozen. Tijdens zijn ambtsperiode ontwikkelde Vučić zich tot een autoritaire leider die regelmatig buiten zijn bevoegdheden trad. Servië daalde sterk op de democratie-index en de persvrijheid kwam verder in het geding.[14] Aanhoudend vinden in Servië grootschalige demonstraties plaats, die zijn regering en partij beschuldigen van corruptie, nepotisme, particratie, verkiezingsfraude en het verspreiden van propaganda en nepnieuws.

De huidige premier van Servië is de onafhankelijke Đuro Macut. Hij staat sinds 16 april 2025 aan het hoofd van de Servische regering.

Kosovo is een protectoraat van de UNMIK-missie van de Verenigde Naties. Op 17 februari 2008 riep het parlement van Kosovo eenzijdig de onafhankelijkheid uit, maar deze wordt vooralsnog niet door een meerderheid van de internationale gemeenschap noch door Servië zelf erkend. Het gros van de lidstaten van de Europese Unie en veel andere westerse machten erkennen Kosovo's onafhankelijkheid wel en hebben, tot ongenoegen van Servië en zijn vaste bondgenoot Rusland, niet geaarzeld om diplomatieke relaties met het land aan te knopen.

Servië heeft de ambitie toe te treden tot de Europese Unie. Het land vroeg op 22 december 2009 officieel het lidmaatschap aan en heeft al verklaard dat de Kosovokwestie los van de interesse in toetreding tot de EU moet worden gezien. Op 12 oktober 2011 werd Servië als kandidaat-lid van de Europese Unie erkend.[15]

Bestuurlijke indeling

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie Bestuurlijke indeling van Servië voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Servië bestaat uit drie regio's:

  • de autonome provincie Vojvodina in het noorden;
  • de autonome provincie Kosovo en Metohija in het zuiden, voor zover men Kosovo niet erkent als onafhankelijk;
  • Centraal-Servië, de rest van het land; dit is geen officiële bestuurlijke entiteit. De hoofdstad Belgrado bevindt zich in dit gedeelte.

De drie regio's zijn weer onderverdeeld in 31 districten en de stad Belgrado.

Verkeer en vervoer

[bewerken | brontekst bewerken]
Een Servische trein nabij Priboj

De voornaamste internationale luchthaven van Servië is Nikola Tesla Airport en ligt in het dorp Surčin, ongeveer 12 kilometer ten westen van hoofdstad Belgrado. Ook vanuit tweede stad Niš vertrekken internationale lijnvluchten. De nationale luchtvaartmaatschappij van Servië is Air Serbia (voor 26 oktober 2013 Jat Airways).

Qua openbaar vervoer is de bus veruit het gemakkelijkste en comfortabelste vervoermiddel om mee te reizen. Steden en dorpen worden door meerdere bussen per dag met elkaar verbonden. Er zijn ook internationale connecties naar de omringende landen en verder — maatschappij Eurolines verbindt Belgrado zelfs met Zweden. Het busvervoer is in verhouding wel iets duurder dan de trein, maar de trein rijdt over het algemeen minder frequent en is bovendien langzamer. Het Servische spoor en de treinstellen zijn verouderd, echter wordt er steeds meer geïnvesteerd in nieuwe treinstellen en vernieuwing aan het spoor. Er zijn verbindingen door grote delen van het land.

Er zijn ook internationale treinverbindingen naar Montenegro, Hongarije, Bulgarije, Noord-Macedonië en Kroatië. In 2017 is men begonnen (met Chinese hulp) om de spoorlijn Belgrado-Budapest geschikt te maken voor een baanvaksnelheid van 200 km per uur.

Enkele wegen in Servië zijn de E65, E70, E75, E80, E662, E761, E763, E771 en de E851. De E75 is daarvan de belangrijkste snelweg die van het noorden (Subotica, bij de grens met Hongarije) naar het zuiden (Preševo, bij de grens met Noord-Macedonië) loopt. Aan een andere snelweg, de E763, wordt inmiddels hard gebouwd: deze zal van de hoofdstad Belgrado lopen naar de havenstad Bar in Montenegro.

Stadler Flirt passeert het station Topčider (Belgrado).

Vlag van Servië

[bewerken | brontekst bewerken]

De vlag van Servië bestaat uit de Pan-Slavische kleurencombinatie rood-blauw-wit. Op de vlag staat een tweekoppige witte adelaar afgebeeld met daarop het Servisch kruis. De adelaar verwijst naar de middeleeuwse Servische dynastie van Nemanjić.

Als de aartsvader van de Servische muziek wordt wel Stevan Mokranjac (1856-1914) beschouwd. Een van de meest bekende hedendaagse componistes van het land is Ljubica Marić (1909 – 2003). Belangrijk, ook door zijn pedagogisch werk is Dejan Despić (* 1930).

Enkele populaire artiesten in Servië zijn Ceca, Goran Bregović en Željko Joksimović. In 2007 won Marija Šerifović voor Servië het Eurovisiesongfestival met het lied Molitva, wat 'smeekbede' betekent. In 2008 werd het muziekfestival in de Belgrado Arena in Belgrado georganiseerd.

In Novi Sad vindt ieder jaar in juli het popfestival Exit plaats. Dit festival, dat georganiseerd wordt op het fort van Petrovaradin, geniet ook buiten Servië een groeiende bekendheid. Internationaal bekende artiesten treden er op. In Guča wordt jaarlijks een folkloristisch trompetfestival gehouden. De grootste Servische artiesten hebben hier reeds opgetreden. De Servische televisie zendt de festiviteiten rechtstreeks uit. In 2010 vierde het festival zijn 50-jarig bestaan.

Voetbal is een van de populairste sporten van het land. De grootste voetbalclubs zijn Partizan Belgrado en Rode Ster Belgrado. Op het wereldkampioenschap voetbal 2006 kwamen de Servische voetballers uit voor het voetbalelftal van Servië en Montenegro, aangezien afgesproken werd om pas na dit WK voor beide landen een apart nationaal voetbalteam te vormen.

Ook tennis is erg populair in Servië. De beroemdste tennisser van het land is Novak Đoković, tevens een van de succesvolste tennissers aller tijden. Bekende namen uit het vrouwentennis zijn Jelena Janković en Ana Ivanović. Laatstgenoemde wist in 2008 het prestigieuze toernooi Roland Garros op haar naam te schrijven.

Andere populaire sporten in Servië zijn basketbal, volleybal, handbal en waterpolo. Het voormalige team van Joegoslavië, dat van Servië en Montenegro en dat van het huidige Servië hebben herhaaldelijk successen behaald in deze sporten.

De publieke omroep van Servië is Radio Televizija Srbije, ze bestaat uit de tv-zenders RTS 1, RTS 2 en RTS 3. Op de radio zijn er de kanalen RB1, RB2, RB3 en RB202. De autonome provincie Vojvodina heeft een eigen publieke omroep: Radio Televizija Vojvodine. De organisatie is gevestigd in Novi Sad en zendt op televisie uit op de kanalen Tv1 en Tv2. Op de radio heeft het drie kanalen: Radio1, Radio2 (24 uurs Hongaarstalige zender: Újvidéki Rádió) en Radio3 (programma's van de andere minderheden).

Bekende Serviërs

[bewerken | brontekst bewerken]
[bewerken | brontekst bewerken]
Op andere Wikimedia-projecten

  • (en) (sr) (it) Servische regering
  • (sr) (en) (fr) (de) Toerisme Servië