Shambhala

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Voor de gelijknamige attractie in Spanje, zie Shambhala (achtbaan).
Shambhala
Rigden Takpa of Manjushrikirti, legendarisch de achtste koning van Shambhala
Tibetaans བདེ་འབྱུང
Wylie bde 'byung
Portaal  Portaalicoon   Tibet

Shambhala, ook gespeld als Shambala of Shamballa, is een mythisch koninkrijk. In de teksten die verbonden zijn met de Kalachakratantra wordt het gesitueerd ten noorden van de Himalaya. Meestal wordt dit dan geassocieerd met Tibet. In de bönreligie is eveneens sprake van een mythisch rijk met de naam Olmolungring waar de stichter van die religie Tönpa Shenrab over geheerst zou hebben. Volgens de theosofe Blavatsky trok de 'hiërarchie van uitverkorenen' of 'zonen van de vuurnevel' ten tijde van Lemurië naar Shambhala, een heilig eiland in een binnenzee, waar nu de Gobi-woestijn is.[1]

De legende[bewerken | brontekst bewerken]

De centrale figuur in het midden is een yidam , een godheid waarop men bij meditatie een focus kan hebben. De middelste figuur in de bovenste rij is Tsongkhapa. De zittende figuren zijn de kalkins met op de onderste rij, de tweede van rechts, de laatste genaamd Raudracakrin.

In de traditie is Shambhala een land dat gewijd is aan de uitvoering van de Kalachakratantra. In de tantra wordt vermeld, dat de historische Boeddha deze toevertrouwd zou hebben aan de koning van het land.

Shambhala heeft de vorm van een enorme lotusbloem. Er staan enorme wouden sandelhout, meren die eveneens in de vorm van een heilige lotus zijn en het wordt omringd door een keten van bergen. In het midden van het koninkrijk ligt de hoofdstad Kalāpa. In het centrum van de stad is de mandala van de Boeddha Kalachakra.

De inwoners van de in totaal 960 miljoen dorpen van Shambhala worden geregeerd door de Kalkin, een buitengewoon wijs bestuurder. De leken in Shambhala zijn allen prachtige mensen en gezond; er komt geen ziekte en armoede voor. De monniken houden zich op voorbeeldige wijze aan hun beloften en verplichtingen. Zij zijn intelligent, geheel gewijd aan de praktijk van het vajrayana, hoewel ook alle authentieke vormen van het Indiase boeddhisme daar behouden worden. De meerderheid van de mensen die in Shambhala wedergeboren worden bereikt tijdens hun leven daar het boeddhaschap.

Maar er dreigen ernstige moeilijkheden. In het jaar 2425 zullen de barbaren (over het algemeen geïdentificeerd als moslims) die het boeddhisme in India hebben vernietigd proberen om Shambhala binnen te vallen. De vijfentwintigste Kalkin, Raudracakrin, zal zijn legers dan naar India leiden waar ze zullen vechten met de krachten van het kwaad in een apocalyptische slag, die door de krachten van het boeddhisme zal worden gewonnen. Deze overwinning zal in een gouden periode resulteren waarin de levensverwachting van mensen sterk zal toenemen, er geoogst kan worden zonder het land te bewerken en de bevolking van de hele aarde toegewijd zal zijn aan het boeddhisme.

Maar ook voor deze oorlog was niet alles zonder zorgen in Shambhala. In de tijd van de achtste koning, Yasas, leefden er 35 miljoen brahmanen in het land, die de Veda's toegewijd waren. De koning voorzag dat, vanwege het feit dat zowel de Veda als de religie van de barbaren het mogelijk maakt dieren te offeren, de nakomelingen van de brahmanen de barbaren zouden vervoegen, waardoor de gehele bevolking op den duur barbaars zou worden. Daarom vroeg de koning van de brahmanen om te kiezen tussen de initiatie van de kalachakra (en dus boeddhist te worden) of Shambhala te verlaten en naar India te emigreren. De brahmanen kozen allen voor de laatste optie en tijdens hun reis naar het zuiden begon de koning zich te realiseren dat de bevolking van de 960 miljoen dorpen zonder brahmanen weleens hun vertrouwen in de Vajrayana zouden kunnen verliezen. Om dat te voorkomen nam de koning de gedaante aan van een zeer toornige godheid en verscheen zo voor de brahmanen. Die schrokken zo, dat ze allen tijdelijk het bewustzijn verloren. In die staat transporteerde de koning hen terug naar de hoofdstad, waar zij - weer bij kennis gekomen - de koning vroegen hen toe te staan zich tot het boeddhisme te bekeren en de initiatie van de kalachakra te mogen ontvangen.

Tibetaanse literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

Het verhaal van Shambhala werd rond 1100 voor het eerst beschreven in de Tibetaanse literatuur en maakt deel uit van de Tibetaans boeddhistische canon, de kangyur en de tengyur. Er bestaan verschillende reisgidsen voor een tocht naar Shambhala. Twee daarvan zijn de bekendste. De eerste is Kalāpāvatāra, in de betekenis van de ingang naar Kalāpā. Dit is een manuscript, geschreven omstreeks 1612 door Taranatha, de belangrijkste vormgever van de Kalachakratantra in de huidige vorm en een van de belangrijkste tulku's van de jonangtraditie. Waarschijnlijk is het voor een deel een vertaling van een Nepalese editie van een werk in het Sanskriet. Dit manuscript is de basis geweest voor de verreweg beroemdste reisgids naar Shambhala, die omstreeks 1775 geschreven is door de zesde pänchen lama.

Deze reisgidsen bevatten geen praktische aanwijzingen voor de richting, maar beschrijven vooral de immense moeilijkheden die een reiziger op de weg naar Shambhala moet overwinnen. De weg voert door brandend hete woestijnen, door immense wouden met bovennatuurlijke wezens en gifslangen. Men moet zich een weg banen over nauwelijks begaanbare bergpassen, bewaakt door demonen. Om te voorkomen dat een vrouwelijke demon de reiziger doodt, dient die een gevleugelde leeuw te doden, het vlees daarvan aan haar te overhandigen en een aantal vragen te beantwoorden waaruit de hoge motivatie om Shambhala te bereiken ook echt overtuigend blijkt. Vaak wordt het verhaal dan ook gezien als een advies hoe een gelovige de enorme obstakels kan overwinnen op het pad naar de verlichting.

Shambhala wordt vaak op fresco's aangetroffen in Tibetaanse tempels, meestal in de vorm van een mandala. In het Potala en het Norbulingka zijn enorme cirkelvormige muurschilderingen van Shambhala die een dubbele keten van besneeuwde bergketens tonen met Kalāpā in het centrum van de mandala. In de gelugtraditie heeft onder meer Tsongkhapa Shambhala bezocht. Na de overwinning van het boeddhisme in de apocalyptische slag zal het graf van Tsongkhapa in Ganden zich openen en zal hij weer verschijnen om zijn wijsheid uit te dragen.

Dat neemt niet weg, dat er toch ook Tibetanen zijn geweest die Shambhala heel ergens anders plaatsten. In 1820 lokaliseerde een Tibetaanse geleerde Shambhala in Europa. De passage in de Tibetaanse tekst luidt als volgt

Deze grote geleerde bekend als Me-pa raz-da of ook als Ka-lam-pa-tsha (bedoeld wordt Columbus) werd geboren in de stad Tsi-na-ba (bedoeld wordt Genua) van het land van het glorieuze Shambhala en was de eerste die arriveerde op het noordelijk continent op het eiland Sa-kam (bedoeld wordt San Salvador)

Westerse percepties[bewerken | brontekst bewerken]

Locatie van Syr Darja

De eerste keer dat Shambhala in de Europese literatuur wordt genoemd is in brieven uit 1627 van Portugese jezuïeten in Tibet. João Cabral en Estêvão Cacella waren een missie in Shigatse aan het opzetten en refereren in hun brieven aan een Xembala. De tweede melding komt van Sándor Kőrösi Csoma een Hongaars oriëntalist, die in 1833 wist te melden dat

Shambhala ligt tussen 45 en 50 graden noorderbreedte, achter de Syr Darja, waar de lengte van de dagen vanaf de equinox tot aan de zonnewende toeneemt met 12 Indiase uren of 4 uren en 48 minuten volgens de Europese berekening

De Tibetaanse mythologie bedekt met een laagje Westerse dromen trok generaties lang ontdekkingsreizigers naar Tibet: bergbeklimmers en spiritualisten op zoek naar de mystieke belichaming van de idee van een toevluchtsoord waar alle beschaafde verlangens werden vervuld.

Theosofische opvattingen[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf eind 19e eeuw ontwikkelen Europese en Amerikaanse theosofen hun eigen opvattingen over Shambhala en trachten ze daarmee hun eigen zienswijze en opvattingen te illustreren dan wel te bewijzen. Vaak wordt dan ook Shambhala als een historische waarheid gezien. Bekende exponenten daarvan zijn onder meer Helena Blavatsky, Walter Evans-Wentz en Nikolaj Rjorich.

Volgens Blavatsky trok de 'hiërarchie van uitverkorenen of zonen van de vuurnevel' van Lemurië naar een schuilplaats 'op het heilige eiland (nu het 'legendarische' Shamballah in de Gobi-woestijn)'. In de tijd van Lemurië stroomden de golven van een binnenzee 'over wat nu Tibet, Mongolië en de grote Shamo- (Gobi-) woestijn is.[2]

Rjorich dacht, in navolging van Blavatsky, in contact te staan met 'Meester Morya' en ontwikkelde met zijn vrouw Jelena de Agni Yoga leringen. Rjorich geloofde dat hij voorbestemd was, samen met de gevluchte Panchen lama, over een nieuwe boeddhistische federatie te heersen, geholpen door de Russische communistische staat, die 'Nieuw Rusland' of 'Zvjeni Gorod' (land van bellen) zou gaan heten. Volgens een profetie zou de heerser van Shambhala, Rigden Jyepo, zijn krijgers leiden om spoedig een einde te maken aan de machten van het kwaad. Maitreya zou komen om dan over een vredige wereld te heersen. Een dergelijk idee werd, na Blavatsky's overlijden, ook in de 'neo-theosofie' (van Besant en Leadbeater) verkondigd: het plan was eerst dat de Wereldleraar Krishnamurti zou 'overschaduwen' en toen die voor deze 'eervolle taak' bedankte, zou 'Maitreya-Christus' zelf fysiek verschijnen, de zogenaamde 'Wederkomst'. Leadbeater werd na schandalen over verondersteld kindermisbruik bisschop van de Vrij-Katholieke Kerk. Blavatsky had in haar geschriften het rooms-katholicisme en jezuïtisme altijd als haar tegenstanders beschouwd. Blavatsky zag Christus niet als persoon, maar als abstract begrip atman, als in de gnostische 'Christus-Sophia'.[3] De Wederkomst werd naast Rjorich ook door Alice Bailey en Benjamin Creme verkondigd. Volgens Bailey had Christus, 'Meester der Meesters en Meester der Engelen', destijds Jezus overschaduwd.

Volgens Rjorich was de wereld verdeeld in telkens twee delen: licht en donker, verlichting en bijgeloof. Shambhala was voor Rjorich de belichaming van de lichte wereld, waar een altijd achtzame, alleswetende, hulpvolle en immens rijke koning heerste wiens macht over het licht alle duisternis vernietigde. In zijn boek Shambhala - The Secret World Centre in the Heart of Asia lokaliseerde hij Shambhala ergens in Centraal-Azië. Met zijn vrouw Helena Rjorich, vertaalster van Blavatsky's The Secret Doctrine in het Russisch, reisde hij tussen 1925 tot 1928 vanuit India door Tibet, Buiten-Mongolië naar het Altaj-gebergte in Siberië, ten noorden van Oost-Turkestan, alwaar zijn groep later beweerde Shambhala te hebben gevonden. Ook begin 21e eeuw kent Rjorich nog volgelingen die ervan overtuigd zijn dat het Altaj-gebergte een groot, spiritueel centrum is dat op een bepaalde manier verbonden is met Shambhala. Oudgelovigen gingen volgens Rjorich vanuit de Altai op zoek naar Belavodye (Witte wateren).[4]

Gurdjieff[bewerken | brontekst bewerken]

In Beëlzebubs verhalen aan zijn kleinzoon (1974) laat Gurdjieff (1866-1949) Beëlzebub vertellen over de stad Gob in het land 'Goblanië', op de zuidoostelijke oever van de 'Zee des Overvloeds', langs de beide oevers van de monding van de grote rivier 'Keria-Tsji'.

Daar ontstonden later zandvlakten 'en het centrale eertijds zo welvarende deel ervan heet tegenwoordig eenvoudigweg 'Gobi-woestijn'.' Ook 'Tikliamoeïsh', eertijds 'de rijkste en vruchtbaarste van alle landstreken', met in het midden 'Kara Koem' ('zwarte zanden'), werd later door zandvlakten bedekt en lange tijd 'hongerwoestijn' genoemd. Tiklamoeïsh werd door de 'Oxoseria' (Oxus, Amu Darja) doorstroomd, die in de Atlantische tijd van Beëlzebubs 'tweede neerdaling' nog in de 'Colchidiuszee' (Kaspische Zee) uitmondde. Aan de oevers van de Oxoseria lag 'Koerkalai', de hoofdstad van Tikliamoeïsh. Thans mondt de Oxoseria uit in het Aralmeer.[5]

'Aan de westzijde stroomde een andere grote rivier, 'Naria-Tsji' genaamd, in deze zee [Zee des Overvloeds].' Nog vóór de ramp, die Atlantis verzwolg, waren Atlantische jagers naar de Zee des Overvloeds gekomen in het continent 'Ashhark' (Azië), om op 'pirmarals' (herten) te jagen, omdat hun hoorn, als deze werd fijngestampt, een zeer werkzaam middel was tegen alle mogelijke ziekten. Aangezien er ook een overvloed was aan gevogelte en vis, er een weelderige vegetatie was en talrijke bomen groeiden, besloten de jagers zich te vestigen aan de oevers van de Zee en in de dalen van de twee grote rivieren en er een 'idyllisch bestaan' te leiden. De 'astrosovor', een lid van 'Akhldan', een ' 'geleerd genootschap' zoals men er tot die tijd op de Aarde nog geen gezien had en zonder twijfel nooit meer zal zien', was al met volgelingen in 'Maralpleissis', het land van de Zee des Overvloeds, om waarnemingen te doen voor de komende ramp, die Atlantis zou vernietigen. De astrosofor trouwde met Rimala, de dochter van een jager, en werd 'de stamvader van deze tweede groep van het werelddeel Ashhark, of Azië zoals het tegenwoordig heet.' In de vijfde generatie was het keizer Konioetson van de stad Gob, die een 'godsdienstige leer' met 'Mijnheer God' bedacht om zijn volk van de verslaving van het kauwen van papaverzaden af te helpen.[6]

Paradijselijk reservaat[bewerken | brontekst bewerken]

In 1933 publiceerde James Hilton zijn de eerste druk van zijn roman Lost Horizon. Al na vier jaar werd het boek verfilmd, door Frank Capra. Charles Jarrott kwam vervolgens nogmaals met een verfilming in 1973. De roman gaat over vier Britten die een vliegtuigongeluk overleven en terechtkomen in Shangri-La, een overweldigend mooi klooster aan de voet van de Tibetaanse berg Karakal. Na enige tijd willen de Britten toch weg, maar dat stuit op moeilijkheden. Wie in Shangri-la verblijft, veroudert maar zeer langzaam. Op het verlaten ervan volgt echter een spoedig overlijden. Op deze wijze probeert de Hoge Lama van Shangri-la op min of meer dezelfde wijze obstakels voor vertrek uit een paradijs te creëren als de koning van Shambhala dat deed ten aanzien van het vertrek van de brahmanen.

Betekenis in de diaspora[bewerken | brontekst bewerken]

In het eerste decennium van de 21e eeuw is een debat ontstaan over de toekomst van het Tibetaans boeddhisme. Een toenemend aantal lama's zoals Sogyal Rinpoche en bewegingen zoals de dissidente beweging Nieuwe kadampa hebben Tibet en feitelijk ook het hele Himalayagebied opgegeven als voertuig en adherentiegebied voor het Tibetaans boeddhisme. Zo'n 50 jaar Tibetaanse diaspora zonder vooruitzicht op gewenste veranderingen en een Tibet dat sinds 1959 immense veranderingen heeft ondergaan spelen daarbij een rol.

De huidige dalai lama Tenzin Gyatso geeft hierop het volgende antwoord.

We moeten de noodzakelijkheid van het overleven en het bewaren van het Tibetaans boeddhisme juist plaatsen. Hiervoor is het land, het fysieke land van Tibet cruciaal. We doen ons best de Tibetaanse tradities buiten Tibet te bewaren. Maar er is een gevaar dat dit zal veranderen, dat het Tibetaans boeddhisme niet zal overleven weg van de beschermende schil van ons vaderland. Voor de zaak van dit Tibetaans boeddhisme, dat gezien kan worden als de vervolmaking van de Boeddha Dharma is het heilige land van Tibet van vitaal belang. Het is onwaarschijnlijk dat het [Tibetaans boeddhisme] kan overleven als een culturele en spirituele realiteit als de fysieke verschijning gesmoord wordt in Chinese bezetting. Dus ... actieve steun voor de Tibetaanse zaak is geen politieke zaak. Het is het werk van de Dharma.

In die discussie wordt de beeldspraak van een Shambhala vaak gehanteerd, waarbij met name de westerse aanhangers van Tibetaans boeddhisme zoals Richard Gere een Tibet als een Shambhala schetsen dat het materialistische westen zal regenereren. Met name de tibetologen Donald Sewell Lopez jr. en Stephen Batchelor schenken aan dit debat grote aandacht.