Siberische den
| Siberische den | ||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||
| Pinus sibirica Du Tour (1803) | ||||||||||||||
| Natuurlijk verspreidingsgebied | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
Siberische den (Pinus sibirica) is een plantensoort uit de dennenfamilie (Pinaceae). De soort is afkomstig uit Siberië, maar wordt tegenwoordig als sierplant ook in andere koude gebieden aangeplant.
In Nederland staat de Siberische den in de Botanische Tuinen Universiteit Utrecht.
Determinatie
[bewerken | brontekst bewerken]Siberische den is een groenblijvende naaldboom. De boom wordt 30–40 m hoog en kan een stamdiameter krijgen van 1,5 m. De maximale levensduur is 800–850 jaar. De boom heeft een kegelvormige groeivorm, dankzij een kroon die wordt gevormd door talloze, wijd uitstaande takken. Bomen in de omgeving van de stad Perm zouden takvrije stammen van 20 tot 25 meter lengte hebben. Op vochtige standplaatsen vindt geen natuurlijke zelfsnoei plaats en zijn de stammen vaak misvormd door knobbels of zwellingen. De kleur en textuur van de bast variëren sterk; dit kenmerk is vooral uitgesproken aan de zuidelijke rand van het natuurlijke verspreidingsgebied. Ook de grootte, kleur en vorm van de vrouwelijke kegels vertonen een dergelijke variatie. Deze kegels zijn langer en hebben een meer uitgesproken cilindrische vorm dan die van de alpenden. De pitten (vaak zaden genoemd) zijn groter en hebben een dunnere wand. De eivormig-kegelvormige winterknoppen zijn roodbruin en hebben geen hars.
De bijna driehoekige naalden groeien in bundels van 5, zijn 5–10 cm lang en 0,5-1,7 mm breed. De bladrand is fijn gezaagd. Ze hebben aan de onderzijde grijs-witte 3–5 rijen huidmondjes. Er is een vaatbundel en er zijn drie harskanalen. De bladvoet heeft een afvallende schede. De naalden blijven twee tot vier jaar aan de boom blijven zitten.
De mannelijke (stuifmeelproducerende) kegels staan in groepen van 2 tot 60 bij elkaar, zijn spiraalsgewijs gerangschikt, cilindervormig, 1–2 cm lang, 6 mm breed en roodachtig van kleur, waarbij ze later roodbruin worden. De vrouwelijke, recht opstaande, kegelvormig-eivormige kegels zijn 5–9 cm lang en 3-5,5 cm breed. De paarsbruine, breed ruitvormige of breed driehoekig-halfronde apofyse is dicht behaard. De umbo is geelbruin en duidelijk zichtbaar.
De geelbruine, omgekeerd eivormige, licht geribde pitten zijn 9–12 mm lang en 3-6 mm breed. De vleugel is slechts rudimentair aanwezig. De pitten worden verkocht als pijnboompitten, ook wordt er olie uit de pitten geperst.
De bestuiving vind plaats in april en de pitten rijpen in september-oktober van het tweede jaar.
Het hout van de Siberische den wordt gebruikt als klankhout en voor de productie van pulp via het sulfaatproces. De Siberische den wordt ook aangeplant voor windschermen, waarbij het gebruik van de pitten een rol speelt.