Simon Carmiggelt

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Simon Carmiggelt
Simon Carmiggelt (1973)
Simon Carmiggelt (1973)
Algemene informatie
Volledige naam Simon Johannes Carmiggelt
Pseudoniem(en) Kronkel, Karel Bralleput
Geboren 7 oktober 1913, Den Haag
Overleden 30 november 1987, Amsterdam
Land Vlag van Nederland Nederland
Beroep journalist, columnist, auteur
Handtekening Handtekening
Werk
Jaren actief 1931-1987, als Kronkel vanaf 1946
Genre cursiefje
Stroming realisme[1]
Invloeden Anton Tsjechov, Willem Elsschot
Bekende werken Klein beginnen
Kroeglopen
Mooi weer vandaag
Uitgeverij De Arbeiderspers
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Simon Johannes Carmiggelt (Den Haag, 7 oktober 1913Amsterdam, 30 november 1987) was een Nederlandse journalist en dichter die vooral bekend werd als schrijver van een dagelijks cursiefje (Kronkel) in Het Parool, volgens zijn biografen Sylvia Witteman en Thomas van den Bergh 'de meest gelezen en meest gewaardeerde column uit de Nederlandse dagbladhistorie.'[2] Hij droeg deze ook op de televisie voor. Door Carmiggelt bewonderde voorbeelden zijn Kurt Tucholsky en Anton Tsjechov. In 1961 werd hem de Constantijn Huygens-prijs toegekend en in 1974 de P.C. Hooft-prijs.

Carmiggelt leerde zich in zijn geboortestad Den Haag het journalistenvak aan. Eind 1931 werd hij aangenomen bij de Haagse editie van Het Volk, die de titel Vooruit voerde. Naast toneelrecensies en verslagen van kleine rechtszaken, schreef hij vanaf 1936 ook de rubriek Kleinigheden, die als voorloper van de Kronkels beschouwd kan worden. Hij versloeg de bijeenkomsten van de NSB, omdat de krant de ware aard ervan wilde tonen. Op 6 september 1939 trouwde hij met de 26-jarige Tiny de Goey, zwanger van dochter Marianne. In 1940, vlak voor het uitbreken van de oorlog, verscheen zijn eerste boek, Vijftig dwaasheden, een selectie van de beste Kleinigheden.

Toen de bezetter in juli 1940 de koers van de krant ging bepalen, namen Carmiggelt en zijn broer Jan ontslag. Voor de VVV schreef hij een wandelgids door Den Haag. Ook werd hij hoofdredacteur van een kortstondig Haags weekblaadje en nog hetzelfde jaar persagent van het Residentie Tooneel. Toen in juli 1941 de niet-Joodverklaring van alle medewerkers verlangd werd, weigerde Carmiggelt als enige die te tekenen en moest dus zijn ontslag accepteren. Om vrienden die een uitgeverij waren begonnen waar veel joden werkten die elders ontslagen waren aan inkomsten te helpen schreef hij de detectiveroman Johan Justus Jacob. Verder hield hij zich met allerlei baantjes in leven.

In 1942 werd zoon Frank geboren en begon ook de illegale krant Het Parool te verschijnen, een gevaarlijk initiatief van vrienden van hem. Hijzelf werd daar vanwege het risico zelf eerst buiten gehouden omdat hij een gezin had. Toch werkte hij al snel mee. In 1943 werd zijn in het verzet actieve broer door toedoen van de bevriende econoom Friedrich Weinreb verraden en kwam om in kamp Vught, waar hij als dwangarbeider te werk was gesteld. Daarop raakte Carmiggelt nauwer betrokken bij de krant en nam de druktechnische verzorging op zich. Toen Den Haag hem te gevaarlijk werd, verhuisde hij naar de Amsterdamse Reguliersgracht 109, later naar de Egelantiersgracht, waar hij de Hongerwinter en de bevrijding doorbracht. Rond de bevrijding verhuisden de Carmiggelts naar een flat aan het Eerste Weteringplantsoen 2a.

Na de bevrijding bleef hij verbonden aan de nu legale krant en verzorgde vanaf 24 oktober 1946 onder de naam Kronkel een dagelijks cursiefje dat snel populair werd en decennialang de identiteit van de krant mede bepaalde. In de loop der jaren ontwikkelde Carmiggelt zich als prozaïst; volgens criticus Kees Fens gaf hij in zijn beste werk de schijnbaar eenvoudige verhaaltjes een geraffineerde constructie en afgewogen formuleringen mee. Het is aan het mededogen en inlevingsvermogen van de auteur te danken dat het contrast tussen ideaal en werkelijkheid waarmee zijn personages zich geconfronteerd zien, verhalen opleverde die in al hun treurigheid vaak - met name in de middenperiode van zijn oeuvre - 'verscheurend humoristisch' zijn.[3]

Levensloop[bewerken]

Geboorte en afkomst[bewerken]

Simon Carmiggelt werd geboren op 7 oktober 1913 in een bovenwoning aan de Loosduinsekade 206 te Den Haag als tweede zoon van Herman Carmiggelt en Jeanne Carmiggelt-Bik. Zijn oudere broer Jan was op 1 januari 1909 geboren.[4]

Vader Herman Carmiggelt, een weinig spraakzame man met een melancholieke inslag, was afkomstig uit een Gelders arbeidersgeslacht. Zijn drang zich geestelijk te ontwikkelen had geen effect op zijn broodwinning: decennialang was hij vertegenwoordiger bij Stegeman & Co Vleeswarenfabriek te Deventer, waarvoor hij per fiets de slagerswinkels rond Den Haag bezocht.[5] Zijn sociaaldemocratische overtuiging behelsde onder meer dat elk individu de taak had zich te ontwikkelen en uit hoofde van die overtuiging las het gezin dagblad Vooruit, de Haagse editie van het sociaaldemocratische dagblad Het Volk. Hierin trof Carmiggelt zijn eerste grote voorbeeld aan, want Herman Heijermans' dagelijkse cursiefje, naar de ondertekening met S. Falkland 'Falklandjes' genoemd.[6]

Moeder Jeanne Bik, die een praktische ondernemingslust paarde aan een gevoel voor ironie, was afkomstig uit een familie die werkzaam was in de kledingbranche. Haar vader, Simon Bik, ging als jongen langs de boerderijen rondom Gouda met artikelen uit de herenmodewinkel van zijn vader. Het paar trouwde op 15 juli 1908 en trok toen in de bovenwoning. De kinderen werden naar hun beide grootvaders genoemd: Jan heette voluit Johannes Simon en bij Simon was het eenvoudig andersom. Kort na Simons geboorte verhuisde het gezin naar het Westeinde. Naast het rooms-katholieke ziekenhuis begon Jeanne het Nieuwe Hoeden en Petten Magazijn.[7] Op een steenworp afstand, aan de Geest, had haar vader in 1890 al een hoeden- en pettenwinkel geopend.[8] Jeannes winkel liep zo goed dat het geld in huizen belegd kon worden.[9]

Volgens Carmiggelt zelf had hij zijn verteltalent aan zijn moeder te danken. Haar energieke, kordate, opgewekte en rechtlijnige karakter leek weinig op dat van Carmiggelt, met name ontbrak bij haar de hang naar melancholie, zo typerend voor Carmiggelts werk. Zij vond dan ook niets aan zijn Kronkels en kon geen respect opbrengen voor diens beroep: zelfs toen Carmiggelt allang een beroemd schrijver was, kon ze niet inzien hoe hij ervan kon leven.[10]

1913-1933 Jeugd en opleiding[bewerken]

Carmiggelts broer Jan was ijverig en goed op school. 'Hij gebruikte iedere minuut van z'n leven', aldus Carmiggelt. 'Ik had daardoor wel de neiging me wat terug te trekken.'[11] Op de lagere school was Carmiggelt dan ook geen goede leerling, al vielen zijn opstellen wel in de smaak. Na lectuur van Sherlock Holmes en Nick Carter schreef de jonge Carmiggelt zelf een detectiveverhaal.[12] 'Het geheim van Waringstate' werd door de meester in de klas voorgelezen. Zijn klasgenoten geboeid te zien luisteren maakte een diepe indruk. Ook begon hij te merken dat meisjes niet alleen maar op stoere jongens vallen, maar ook op jongens die met hun schrijfwerk weten te boeien.[13]

Handelsdagschool (1926-1928)[bewerken]

Omdat de jongen er aardigheid in had marktkooplui te helpen, vermoedden zijn ouders een handelsgeest in hem en stuurden hem in 1926 naar de vierjarige Gemeentelijke Handelsschool aan het Stadhoudersplein.[14] Hij was niet goed in de belangrijke vakken boekhouden, handelsrekenen en wiskunde, maar behaalde alleen aansprekende resultaten voor geschiedenis en tekenen. Gelukkig was hij niet op school, al wist hij de klas geregeld aan het lachen te maken met opmerkingen die nooit te ver gingen. Hij lachte nooit mee om eigen grappen.[15]

Vanwege uitbreiding kocht het ziekenhuis het winkelpand van zijn moeder. Nu verhuisde het gezin naar een rijtjeswoning aan de Druivenstraat, waar moeder huisvrouw werd. Zijn vader werd in 1927 gehuldigd vanwege zijn 25-jarig dienstverband bij Stegeman. Aan het feestdiner droeg Carmiggelt een komisch jubelgedicht bij.[14]

In december 1928 plaatste De Tuinkroniek, het blad van de Haagse Dierentuin waarvan zijn ouders lid waren, enkele gedichten van zijn hand op de kinderpagina. Inmiddels vond Carmiggelt zich daarvoor iets te oud en misschien ook te ervaren, want vanaf de tweede klas was hij redacteur van het tweewekelijkse schoolblad De Schakelaar, het gezamenlijke orgaan van maar liefst elf scholen. Elke school leverde twee redacteuren, maar het meeste werk werd verricht door Jan Meijer van het lyceum aan het Stokroosplein en Carmiggelt. De samenwerking vormde de basis van een levenslange vriendschap.[16]

Carmiggelt bracht de kopij naar de drukker en vulde de gaten op met bladvulling als verzen, aforistische uitspraken. Ook schreef hij stukjes in de stijl van Heijermans, filmrecensies, verslagen van schoolavonden. Onder de laatste categorie deelde hij een pluim uit aan de acteerprestaties van de dilettanten Ank van der Moer en Wim Kan. Wanneer hij de acteur Louis van Gasteren een verhaal van Tsjechov hoorde voordragen, ontdekte hij een nieuwe literaire held en voorbeeld. Door de bijdragen aan de krant kwam hij aan zijn huiswerk niet toe en bleef zitten, zodat zijn ouders hem van de school haalden.[17]

Het contrast tussen de stuurloze Carmiggelt en zijn briljante broer Jan werd steeds groter. Samen gingen ze naar Denemarken, waar Jan elke toren en elk museum wilde bezichtigen, maar Carmiggelt had genoeg aan het van buiten bekijken van de gebouwen. Uiteindelijk deelde Carmiggelt zijn wens om journalist te worden mee aan zijn vader. 'Daar kom je nooit in,' reageerde die. 'Je weet niks en je kan niks.'[18]

Leerling-journalist (1931-1933)[bewerken]

Voorjaar 1931 begon Carmiggelt bij de deftige liberale krant Het Vaderland als volontair (onbezoldigd medewerker) om het journalistenvak in de praktijk te leren. Hem werd opgedragen onbelangrijke gebeurtenissen te verslaan als vergaderingen, winkelopeningen, zittingen van de politierechter. Hij knapte het werk voor een andere journalist op, die in een kroeg zat en daar de kopij ontving en zelf ondertekende. Toen de directeur Carmiggelt eens vroeg wat die uitvoerde op de redactie, kon die niet anders dan vaag antwoorden, waarna de directeur hem sommeerde te vertrekken.[19]

Daarop vond Carmiggelt betaald werk als assistent-redacteur bij de Vereenigde Persbureaux, dat voor provinciale en regionale kranten amusementspagina's leverde van het genre kinderrubriek, vrouwenrubriek en gezellige weekendpagina. Aangezien dit niet het ware journalistenvak was, solliciteerde Carmiggelt eind 1931 bij de Haagse editie van Het Volk, de Vooruit, dat een eigen redactie zou krijgen.[20] Op voorspraak van zijn eigen vader werd hij aangenomen.[21] Ditmaal werd hij leerling-verslaggever en moest als jongste medewerker af op moorden, branden, opstootjes, 100-jarigen, 50-jarige huwelijken, avonden van de Natuurvrienden.[21][22]

Hoewel de baan hem van 's morgens vroeg tot 's avonds in touw hield, vond hij toch ook tijd om verzen te vervaardigen: in juli 1931 plaatste cultureel tijdschrift De Nieuwe Spectator zijn aan de Duitse actrice Leni Riefenstahl opgedragen vers 'Danseres aan de zee' en het jaar daarop verscheen het tevergeefs aan Forum aangeboden 'De moordenaar' in Helikon, het poëzietijdschrift van uitgever A.A.M. Stols. Verzen over de ongelijkheid in de wereld, met name werkloosheid, werden geaccepteerd in De Socialistische Gids.[23]

1933-1940: Onder de oorlogsdreiging[bewerken]

Borstbeeld van Simon Carmiggelt in het Weteringplantsoen te Amsterdam

In januari 1931 kwamen in Duitsland de nazi's aan de macht. Carmiggelts broer Jan was onder degenen die het gevaar snel inzag en zette zich in voor antinazimanifestaties. Ook droeg hij bij aan het nieuwe maandblad Het Fundament, dat van een socialistische en antimilitaristische signatuur was. Hijzelf verspreidde de nummers voor Den Haag, samen met Carmiggelt. Jan gaf Carmiggelt in 1935 het boek Bruinboek over de Hitler-terreur voor zijn tweeëntwintigste verjaardag. Onder de cadeaus was verder een boek met tekeningen van George Grosz dat in nazi-Duitsland al verboden was.[24]

In 1936 bracht Carmiggelt met Jan Meijer een bezoek aan Parijs, waar ze een opvoering zagen van Bertolt Brechts Furcht und Elend des Dritten Reichs, navrante sketches en liedjes over het leven in het nieuwe Duitsland. In deze tijd kwamen ook de eerste joodse vluchtelingen in Nederland aan. Het Haagse vluchtelingencomité bracht Carmiggelt in contact met de joods-Duitse kunstenaar Johnny Friedländer, die etsen en gravures vervaardigde en met zijn niet-joodse vriendin van Dresden naar Scheveningen was gevlucht. Toen de vreemdelingenpolitie het stel uitwees wegens ongetrouwd samenwonen, wist Carmiggelt bij de commissaris slechts uitstel te bedingen. Jan Meijer bevestigde dat Carmiggelts omgeving al vroeg van de dreiging doordrongen was: '"Wij leefden in de volstrekte zekerheid dat de oorlog zou komen. Voor ons is die oorlog niet in '40 begonnen, maar al in '29."'[25]

Anti-Duits journalist (1935-1939)[bewerken]

Halverwege de jaren dertig kreeg Carmiggelt de opdracht om de propagandabijeenkomsten van de NSB en soortgelijke groeperingen te verslaan, om zo de ware aard van deze organisaties bloot te leggen. Hoofdredacteur Voskuil vond dat een taak van belang voor de krant. De Beul, een antinazitoneelstuk van Albert van Dalsum, werd zo belangrijk gevonden dat Carmiggelt opgedragen werd de eerste Haagse opvoering te recenseren, al was de première in Amsterdam al geweest. Deze recensie van eind 1935 was blijkbaar een test geweest, want nog geen twee maanden later werd hij aan de kunstredactie toegevoegd ter vervanging van de naar Amsterdam overgeplaatste Hessel Jongsma.[26]

Volgens biograaf Henk van Gelder omvatten Carmiggelts werkzaamheden in deze tijd:

  • recensies van toneel- en filmvoorstellingen;
  • drie maal per week de kroniek Voor den politierechter, over rechtszaken die te onbeduidend waren om de nieuwskolommen waardig te zijn;
  • eveneens drie maal per week de rubriek Kleinigheden, een cursiefje ter vervanging van de soortgelijke rubriek die Jongsma had gevuld.[27]

Geboorte van een cursiefjesschrijver (9 maart 1936)[bewerken]

Op maandag 9 maart 1936 ging de rubriek Kleinigheden van start. Naar toenmalig gebruik werd het cursiefje niet met naam ondertekend. De eerste aflevering was een soort inleiding, waarin Carmiggelt in de wij-vorm uiteenzette wat de bedoeling was, namelijk het verslaan van het 'avonturenrijk niemandsland' dat zich zou bevinden ergens 'tussen het kleine nieuws en het bepaald onvermeldbare'. Een oproep aan de lezers om dergelijke voorvallen aan te melden ontbrak niet.[27]

In Belgrado en Praag (1937-1938)[bewerken]

In de zomer van 1937 ondernam Carmiggelt met zijn vriend Jan Meijer een reis naar Belgrado. Daar spraken ze studenten die hun antifascisme al met dwangarbeid hadden moeten bekopen. De terugreis voerde het duo langs München, waar hun treincoupé werd bevolkt door een grote groep met hakenkruizen getooide militairen, die het hadden over de aanstaande oorlog. Zo vernamen Carmiggelt en Meijer uit de eerste hand wat Europa te wachten stond. 'Doordat je gewoonweg wíst dat er oorlog kwam,' zo schetste Meijer de gemoedstoestand van toen, 'was alles voorlopig; je dácht niet aan het begrip carrière, aan pensioen of zo.'[28]

Als rechtbankverslaggever toog Carmiggelt 's middags naar café 't Wachtje bij de Bosbrug, waar hij collega's Jan Campert (De Nieuwsbron) en Ben van Eysselstein (Haagsche Courant) trof. In zijn tijd als toneelcriticus frequenteerde Carmiggelt het etablissement nog steeds en ontmoette daar spelers van het Hofstad Tooneel Caro van Eyck, Paul Steenbergen en Alexander Pola. De uitbater had de wanden versierd met portretten van artiesten. Onder de bezoekers nam het aandeel van de jongeren toe: de beginnende journalisten Max Nord en Theo Ramaker en de schilders Wi(lle)m Hussem en Jan Roëde. Het atelier van laatstgenoemde werd al snel een ontmoetingsplek voor het hele gezelschap.[29] 'Simon was een van de aardigste mensen die ik ooit heb gekend,' typeerde Roede hem. 'Hij was er een meester in om vervelende dingen in de humoristische sfeer te trekken en je daardoor te verlossen van de last die op je schouders drukte.'[30]

Hoofdredacteur Voskuil zag in Carmiggelt een sociaaldemocratische medestander: 'Hij had een harde, felle en tegelijk nuchtere overtuiging.'[31] Carmiggelts houding bleef verschoond van fanatisme en was gebaseerd op realiteitszin.[32]

In september 1938 togen Carmiggelt en Jan Meijer, inmiddels perschef bij de KLM en daardoor vaak in het buitenland, naar Praag. Tsjecho-Slowakije maakte toen deel uit van de Entente, een bondgenootschap van buurlanden met als doel een Duitse aanval te pareren. Over deze reis was vader Herman zeer bezorgd, maar Carmiggelt stuurde vanuit Praag een geruststellend briefje dat de sfeer in de stad prima was en het toeristische leven volop bloeide. De werkelijkheid was anders. 'In Praag,' aldus Carmiggelt, 'kon je de spanning snijden en de vreemdelingen die er nog waren, stonden op het punt af te reizen. Maar ik dacht aan mijn arme, sidderende vader en schreef wat hij graag zou willen lezen.'[33] Nog tijdens het verblijf van het duo viel het bondgenootschap uiteen, waarna ze onmiddellijk huiswaarts keerden.

Huwelijk (1939)[bewerken]

In 1938 ontmoette Carmiggelt in café 't Wachtje de 26-jarige Tiny de Goey, die daar met haar moeder wat kwam drinken. Tiny werd een regelmatige bezoeker en er ontstond een verhouding. Toen Tiny in 1939 zwanger bleek, moest het stel trouwen. Carmiggelts moeder vond Tiny 'te wuft, onbehendig in de nuttige handwerken die ze zelf zo briljant beheerste, onspaarzaam opgevoed en in het geheel niet lijkend op de met groene zeep gewassen trutten, die ze me op straat altijd als "mooiste meisjes" aanwees.'[34] De huwelijksvoltrekking vond plaats op 6 september 1939. Vanwege de zondige aard bleven veel van de katholieke familieleden van de bruid weg.

Carmiggelt en zijn echtgenote trokken in een bovenhuis aan de Muzenstraat 16. In het centrum, dus de vriendenkring had er een pleisterplaats bij. Dochter Marianne werd geboren op 24 februari 1940. Drie dagen later deed Carmiggelt daarvan kond in zijn Kleinigheden.[35]

Debuut: Vijftig dwaasheden (1940)[bewerken]

Carmiggelts rubriek Kleinigheden was de adjunct-directeur van De Arbeiderspers, Fred von Eugen, opgevallen. 'Mij trof direct het vermogen om met weinig woorden, vaak met een enkele zin, de atmosfeer en de omgeving te schetsen, waarin de dan volgende gebeurtenis uit het dagelijks leven zich afspeelde. Meesterlijk!'[36] Von Eugen zocht contact met Carmiggelt om een bundeltje te maken van de beste Kleinigheden. Dit verscheen vlak voor de oorlog onder de titel Vijftig dwaasheden.

De Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Ontslag bij Vooruit[bewerken]

Bij aanvang van de bezetting zag de redactie van de Vooruit, waarin altijd tegen het fascisme was geschreven, het voortbestaan somber in. Toch kon de krant blijven verschijnen, mits er geen opstandige taal in voorkwam.[37] Op 23 mei verscheen de rubriek Kleinigheden voor het eerst onder de bezetting en op 30 mei al voor het laatst. Het Volk, de moederkrant, kreeg in de eerste maanden van de bezetting te maken met duizenden opzeggingen. Veel eerder dan andere kranten begon deze zich van de nazi-terminologie te bedienen. Ook werden nieuws en commentaar steeds meer aangepast aan wat de Pressereferent te Den Haag voorschreef.[38] Elke ochtend moesten instructies worden opgehaald van de Pressedezernent bij de Duitse ambassade over de toegestane nieuwsonderwerpen, terwijl het buitenlandse nieuws diende te worden betrokken van het Deutsche Nachrichtenbüro dat onder controle van Goebbels stond.[39]

In juli 1940 was voor Carmiggelt en zijn broer de maat vol. Tijdens een algemene ledenvergadering bij De Arbeiderspers bleek dat directeur Van der Veen zijn plaats had moeten afstaan aan de NSB'er Kerkmeester en dat de NSB'er Goedhuys aan de redactie werd toegevoegd. Omdat de Carmiggelts de krant zagen afglijden naar de verkeerde kant, namen zij als enigen meteen ontslag. De andere redacteuren lieten het behoud van hun broodwinning prevaleren. Van der Veen, die het bedrijf zestien jaar had geleid, verhing zich in de badcel.[40][41]

Deze week in Den Haag (1940)[bewerken]

In de zomer van 1940 schreef Carmiggelt in opdracht van de VVV 's-Gravenhage de brochure Wandelingen in en om Den Haag. Zijn vriend Ajé Noordam, een rijke zakenman kocht het weekblaadje Deze week in Den Haag. Noordam zelf werd uitgever-directeur, Carmiggelt hoofdredacteur van het 16 bladzijden tellende tijdschriftje, dat nauwelijks de rekening van de drukker opbracht. Het leverde Carmiggelt ten eerste een regelmatig inkomen op en ten tweede bood het blad hem de mogelijkheid om veel vrienden in te schakelen. Regelmatige medewerkers waren Max Nord, G.H. 's-Gravesande, de schilders J.M. (Ko) Prange en Wi(lle)m Hussem. Concertbesprekingen werden verzorgd door Jan Carmiggelt.[42]

De oorlog maakte de vriendenkring hechter. Wim van Norden raakte zijn huis kwijt bij het bombardement op Rotterdam en woonde enkele maanden bij de Carmiggelts in. Op 12 oktober trouwde Jan Carmiggelt met Loes Hesselius, de secretaresse van Herman Bernard Wiardi Beckman, de hoofdredacteur van Het Volk. Het echtpaar kreeg een dochter. Prominente SDAP'ers als Willem Drees bezochten hun woning aan de Berberisstraat 85, om te overleggen over het Nederlandse economisch bestel na de oorlog.[43]

Persagent van het Residentie Tooneel (1940-1941)[bewerken]

Op 11 oktober 1940 vulde Carmiggelt het verplichte aanmeldingsformulier voor het Verbond van Nederlandsche Journalisten in. Gegevens hierop zijn onder meer, godsdienst: geen; jaarinkomen: 900 gulden; huidige werkzaamheden: Deze week in Den Haag en persagent bij het Residentie Tooneel.[43]

Op verzoek van Dirk Verbeek, de directeur van het toneelgezelschap, vervaardigde Carmiggelt een vertaling van het nieuwe stuk van George Bernard Shaw, In Good King's Charles Golden Days. Op nieuwjaarsdag 1941 vond de première plaats.[44][45]

De betrekking was een kort leven beschoren, want in het kader van de 'arisering' van het toneelleven waarmee de bezetter in 1941 begon, moesten alle personeelsleden een niet-joodverklaring tekenen. Carmiggelt was de enige die weigerde te tekenen, waarop het hoofd der afdeling theater en dans van het departement op 23 juli 1941 een dwingende brief aan het gezelschap schreef waarin hij de bij name genoemde persagent Carmiggelt sommeerde om te tekenen. Die liet zich evenwel liever ontslaan dan mee te werken aan het isolement van de joden en vertrok in stilte.[46]

Detectiveroman Johan Justus Jacob en geboorte zoon Frank (1941-1942)[bewerken]

Carmiggelts vrienden Fred von Eugen en Johan Winkler hadden de Amsterdamsche Boek- en Courantmaatschappij (ABC) opgericht aan de Singel 262 te Amsterdam, waar veel ontslagen personeelsleden van De Arbeiderspers een toevluchtsoord vonden.[47] Als middel om vaste afzet te genereren werd boekenclub De Muiderkring opgericht, die jaarlijks vier boeken uitbracht in een oplage van 25.000 elk. Carmiggelt werd overgehaald een roman aan te leveren. Dit werd Johan Justus Jacob, een detective over een journalist die toevallig het spoor van een moordmysterie ontdekt. Ondanks het genre was de sfeertekening belangrijker dan de plot. Carmiggelts honorarium bedroeg 500 gulden.[48] De plot is volgens biografen Witteman en Van den Bergh zo ingewikkeld, 'dat de auteur er zelf nauwelijks uit komt en de humor van de jonge Carmiggelt is, op de lange baan, vaak nogal flauw.'[49] Carmiggelt schreef de detectiveroman in dagelijkse afleveringen. Het verhaal werd, op uitdrukkelijke eis van Carmiggelt zelf, maar één keer uitgegeven.

"Een jeugdzonde," noemde hij het, "ik denk er niet zonder enige gêne aan terug. Ik schreef het verhaal van dag tot dag en stelde het einde steeds maar uit. Want elke aflevering betekende een dag langer brood op de plank en daartoe bedacht ik steeds maar weer nieuwe intriges en zijsporen. Samen met mijn vrouw heb ik ten slotte avonden achter elkaar zitten bedenken, hoe ik er een einde aan kon maken."

In 1941 verdiende Carmiggelt 2000 gulden, volgens zijn opgave aan de VNJ. Dankzij de roman, het Residentie Tooneel en een zomerbaantje bij de Scheveningse Koerier.[50]

In 1942 stelde de bezetter geen papier meer beschikbaar voor het blaadje Deze week in Den Haag. Daarmee kwam een einde aan Carmiggelts laatste journalistieke betrekking. Per brief van 13 juni 1942 zegde hij meteen het lidmaatschap van de VNJ op.[51] Via Jan Meijer kwam hij aan een baan als schrijver van beroepskeuzerapporten bij de Nederlandsche Stichting voor Psychotechniek aan de Wittevrouwensingel te Utrecht. De directeur, Taco Kuiper, stelde hier zijn vrienden en kennissen aan die elders niet openlijk konden werken en transformeerde het instituut zodoende in een soort vluchtheuvel.[52] Verder was Carmiggelt perschef voor de Maatschappij Zeebad Scheveningen en werkte op het kantoor van 'een vakgroep'.[45]

Dit leverde echter niet genoeg op, ook niet toen zijn ouders bijsprongen. De Carmiggelts verkochten de weinige kostbaarheden die ze bezaten. Op 3 november 1942 werd zoon Frank geboren.

Jan Meijer, Wim van Norden en Ajé Noordam raakten betrokken bij de illegale krant Het Parool, een levensgevaarlijke bezigheid waar Carmiggelt aanvankelijk buiten gehouden werd omdat hij een gezin had.[53] Via vrienden raakte hij in Amsterdam betrokken bij het illegale blad Het Parool, waar hij instond voor de productie en de verspreiding. Stuk voor stuk riskante bezigheden en bijgevolg werd Carmiggelt door de bezetter opgepakt en gevangengezet. Van de drukproeven die hij bij zich had, kon hij het grootste deel doen verdwijnen in een verlaten pand.

Het Parool[bewerken]

Eind 1942 raakte Carmiggelt alsnog betrokken bij Het Parool. Enkele van zijn vrienden, onder meer Parool-mensen Wim van Norden en Jan Meijer, waren opgepakt en om te voorkomen dat de Duitsers een verband konden leggen tussen een arrestatie en de verschijning van een illegaal blad, was het zaak alles op alles te zetten om de verschijning te laten voortgaan. Zo konden de gearresteerden volhouden niets met het periodiek te maken te hebben.[54] Carmiggelt zorgde dat de bewijsstukken uit hun huizen verdwenen: bij Jan Meijer haalde hij een pistool weg dat hij in een gracht wierp, waar het echter op een paal bleef liggen.[49] Ook nam hij de druktechnische verzorging van de krant op zich en moest eerst een nieuwe drukker vinden, daar de oude ook was opgepakt. Drukkerij Ando werd bereid gevonden elke tien dagen de tienduizend exemplaren van de Haagse editie te drukken. Het benodigde papier werd gestolen van collaborerende drukkerijen.[55] Bij deze drukker werden ook Vrij Nederland, verzetspoëzie en de eerste boekjes van De Bezige Bij, een illegale uitgeverij, gedrukt. De kranten werden per trein en koerier verzonden en het zetsel door een keten van koeriers vervoerd naar elders om gebruikt te worden voor de oplage in een andere provincie. Uitgangspunt was dat niemand meer moest weten dan hij strikt nodig had. Voor Den Haag wist alleen Carmiggelt waar de krant werd gedrukt en de drukkers en zetters kenden hem als Dick van Schoonhoven.[56] Drukker Fokke Tamminga koesterde een grote bewondering voor Carmiggelt, 'die meer deed dan alle anderen tezamen.' Met zware koffers vol loodzetsel kwam hij en met een bakfiets haalde hij de gedrukte exemplaren op.[57]

Arrestatie, deportatie en overlijden van broer Jan (1943)[bewerken]

Jan Carmiggelt was betrokken bij de illegale distributie van voedselbonnen aan onderduikers. Zijn vrouw Loes werkte mee, maar wist veel bewust niet. Wanneer de bevriende econoom Friedrich Weinreb op bezoek was, ging zij wandelen zodat de twee ongestoord konden overleggen. Zaterdagochtend 17 juli 1943 om vijf uur kwamen Duitsers binnenvallen op hun adres aan de Berberisstraat. Het joodse meisje dat bij hen was ondergedoken, wist te vluchten door over de schutting in de tuin te klimmen en zich te verbergen in het schuurtje van de buren.[58] Op verdenking van illegale activiteiten werd Jan vastgezet in villa Windekind aan de Parklaan, van een naar Engeland uitgeweken politiecommissaris en nu gebruikt door de Sicherheitsdienst.

Bij de vermoedelijke toedracht van het verraad speelde Weinreb de rol van verrader. Drie dagen voor Jan Carmiggelt was de joodse arts Joseph Kalker op zijn onderduikadres opgepakt, maar weigerde - ook toen hij mishandeld werd - namen te noemen.

Aanhalingsteken openen

Daarop werd hij in één cel geplaatst met Friedrich Weinreb. Aangenomen wordt dat Weinreb zijn celgenoot de naam van Marcel Elsen heeft ontfutseld, en die prompt aan de SD heeft doorgegeven. Elsen was de man van wie dokter Kalker distributiebonnen kreeg. Ook hij werd gearresteerd en verhoord. Tijdens dit verhoor heeft Elsen verklaard dat hij de bonnen ontving van Jan Carmiggelt.[59]

Aanhalingsteken sluiten

Voorjaar 1943 werden Carmiggelts opgepakte vrienden weer op vrije voeten gesteld. Zijn broer Jan echter overleed op 26 september 1943 te Hooge Zwaluwe.[60] Hij was ingedeeld om buiten het kamp zware grondarbeid te verrichten en al snel ziek geworden. Met hoge koorts lag hij in een barak, zonder verzorging. 'Ze hebben hem gewoon dood laten gaan,' was Carmiggelts slotsom.[61]

Toen Carmiggelt zijn ouders op de hoogte stelde, verzuchtte zijn vader: 'Alles tevergeefs.'[62] Deze uitspraak maakte grote indruk op Carmiggelt, die aldus te verstaan kreeg dat hijzelf niets voorstelde.[63] Jan was voorbestemd geweest voor een grote naoorlogse carrière, mogelijk als minister. Vader Herman Carmiggelt, die altijd al een zwak hart had gehad, overleefde de schok niet: op 26 oktober, precies een maand na Jan, overleed hij, zestig jaar oud. Op 19 november beviel Loes van een zoon die eerst Robert-Jan zou heten, maar nu genoemd werd naar zijn vader, Johannes Simon. Na de dood van zijn broer werd Carmiggelt nooit meer helemaal de vrolijke jongen die hij altijd geweest was.[64]

Tegen het einde van 1943 werd de vervolging van de krant fanatieker, omdat de Duitsers er ophitserij tegen het Duitse gezag in zagen. Medewerkers werden vaker gearresteerd en anderen werd het heet onder de voeten. Max Nord verhuisde naar Amsterdam, waar hij door bemiddeling van de uitgever Geert van Oorschot een herenhuis verkreeg aan de Reguliersgracht 109, dat zo groot was dat er nog een gezin bij kon.

Verhuizing naar Amsterdam (1943)[bewerken]

Carmiggelt had redenen om van Den Haag naar Amsterdam te verhuizen. Zelf gaf hij als belangrijkste op dat zijn vrienden erheen trokken en je in die tijd niet zonder vrienden kon. Mogelijk nog belangrijker was dat het in verband met zijn toenemende activiteiten voor Het Parool praktischer werd om vanuit Amsterdam te werken.[65] Door zijn intrek ontwikkelde het pand aan de Reguliersgracht zich gedurende 1944 tot een vast adres voor medewerkers van de krant. De drukkerij voor Amsterdam was drukkerij Jesse aan de Nieuwezijds Voorburgwal, welke geen zetmachine had maar wel handletters. De vervaardiging was trager met als gevolg dat deze drukker vrijwel permanent belastend materiaal in huis had. Dinsdag bracht Carmiggelt nieuwe kopij. Na het zetten corrigeerde hij de drukproeven en leverde de correctie op donderdag in. Tot en met vrijdag was men bezig met de opmaak, waarna het drukken de rest van de vrijdag en de zaterdag in beslag nam. Zondag vouwen en inpakken en maandag werden de kranten afgehaald voor verspreiding. Dinsdag begon de cyclus opnieuw.[66] Carmiggelt publiceerde zelf slechts vijf stukjes in al de oorlogsedities. Een daarvan was het schrijnende cursiefje 'Honger', over een vrouw die een stuk taaitaai eet dat ze verborgen heeft gehouden voor het echtpaar bij wie ze verblijft. Ze wordt echter betrapt en de drie delen alles beschaamd op. Andere titels zijn 'Der Paul' en 'Warum denn?'[65]

Toen de bezetter het huis aan de Reguliersgracht in de gaten begon te houden, verhuisden de Carmiggelts naar een aftandse etage aan de Egelantiersgracht in de Jordaan. Die was zo klein dat hun dochter Marianne bij kennissen in Gouda werd ondergebracht.[67]

Hongerwinter (1944)[bewerken]

De barre omstandigheden in de Jordaan verhinderden niet dat Carmiggelt goede herinneringen aan deze tijd had: 'Want er was iets aan het gebeuren dat we sinds onze prille jeugd met iedere vezel hadden gewild: Hitler ging eraan.'[68]

Biografen leggen bij zijn oorlogservaringen de verklaring voor Carmiggelts latere pessimisme en vooral zijn felle antitotalitaire (en daarom onder meer ook anticommunistische) standpunten. Hij was zo fel in deze standpunten dat hij zich na de Hongaarse Opstand in 1956 bij een woedende menigte voegde die de redactieburelen van CPN-dagblad De Waarheid bestormde.

Na de bevrijding werd Het Parool een heus dagblad en kreeg Carmiggelt er de leiding over de kunstrubriek. Hij schreef toneel- en filmrecensies en begon ook zijn cursiefjes, aanvankelijk drie keer per week, later elke dag. De eerste Kronkel verscheen op 25 oktober 1946 en tot aan zijn dood in november 1987 zijn er ruim 10 000 verschenen. Een selectie van 50 stukjes uit elke jaargang werd elk jaar door De Arbeiderspers in boekvorm uitgegeven. Soms werden de bundels geïllustreerd door vrienden-tekenaars als Peter Vos, Charles Boost, Otto Dicke en Peter van Straaten.

Arrestatie (1944)[bewerken]

Carmiggelt was dagelijks onderweg met belastend materiaal en kort voor de bevrijding werd hij zelf gearresteerd toen hij in een razzia terechtkwam. Aanvankelijk vluchtte hij een winkel in waar hij het belastende materiaal (kopij, drukproeven, Engelse post) door het toilet probeerde te spoelen, maar het was veel te veel. De Duitsers vonden de papieren en dreigden de winkelbezoekers te fusilleren als de eigenaar zich niet aanmeldde, waarop Carmiggelt zijn vinger opstak. Hij werd naar het Huis van Bewaring aan de Weteringschans gebracht, waar hij door kapot matglas drie jongemannen gefusilleerd zag worden. Toen hij na enkele dagen werd verhoord, bleek hem dat een goede vaderlander de meest belastende papieren had verdonkeremaand, zodat hem alleen het bezit van een illegale krant aankleefde. Hij kwam vrij.[69][70] Er bestaat ook een andere lezing van de toedracht, te vinden in K. Peerebooms verslag van de ontstaansgeschiedenis van de krant. Carmiggelt zou zijn talent om geloofwaardige verhalen te bedenken hebben aangewend om de Duitser die hem verhoorde wijs te maken met een onnozele, onschuldige sukkel van doen te hebben.[71]

In maart 1945 was de eerste kopij voor het bevrijdingsnummer al aangeleverd toen de geallieerden per abuis Den Haag bombardeerden. Daarbij werden Carmiggelts belangrijkste vooroorlogse ontmoetingsplekken in de as gelegd. Carmiggelts oordeel over de journalistiek in oorlogstijd was dat hij 'de journalistiek die ik toen heb bedreven (...) de meest zinrijke arbeid vind, die ik ooit verricht heb.'[72] Volgens Witteman en Van den Bergh hield hij aan de oorlog een levenslange afkeer over van 'iedere vorm van totalitarisme, fanatisme, onrecht en ondemocratisch handelen.'[73] De dood van zijn broer Jan heeft mogelijk invloed gehad op zijn schrijfdwang, alcoholisme en 'bijna spreekwoordelijke melancholie.' De werkelijke uitwerking laat zich niet vaststellen, vooral omdat Carmiggelt na de oorlog weinig losliet over zijn avonturen: 'Terwijl collega-verzetsstrijders hun heldendaden met graagte vastlegden in memoires, romans, dagboeken en interviews, liet Carmiggelt het bij stilzwijgen.'[74]

Na de oorlog (1945-1950)[bewerken]

Bevrijding en Honderd dwaasheden (1945-1946)[bewerken]

Na de bevrijding werd Het Parool een legale krant, die door de papierschaarste aanvankelijk vier dichtbedrukte pagina's telde. Over zijn moedige gedrag tijdens de bezetting zei hij: 'Ik was vaak doodsbenauwd, ik piste in mijn broek van de angst. Tiny niet, die was alleen maar kwaad om alles wat er gebeurde - die vond dat het niet mocht en niet kon, en dat het dus de gewoonste zaak van de wereld was om je daartegen tot het uiterste te verzetten.'[75]

De krant trok in een etage van het gebouw van De Telegraaf aan de Nieuwezijds Voorburgwal 225, welk adres op 6 mei voor het eerst in de krant vermeld stond. De Carmiggelts zelf verhuisden naar een grotere woning aan het Eerste Weteringplantsoen 2a. Op initiatief van Carmiggelt werd in het najaar voor alle medewerkers uit de oorlogstijd een herinneringsavond georganiseerd waarop Charlie Chaplins film The Great Dictator uit 1940 werd vertoond, die vanwege de oorlog nog niet eerder in Nederland te zien was geweest. Op 1 december bevestigde de notaris de stichtingsakte van de krant. Als een van de vijf nog in leven zijde oprichters werd Carmiggelt ook lid van het stichtingsbestuur.

Het gebrek aan toezicht op wie het gebouw betraden leidde tot diefstal van typemachines en radio's. Daarop werd besloten dat portier alle tassen zou controleren. Carmiggelt weigerde niet alleen zich aan de controle te onderwerpen, maar zegde bijna zijn medewerking aan de krant op toen de portier hem bij de schouder had vastgepakt.[76] Het deed hem denken aan de vijf jaar dat hij werd 'geringeloord door elke Duitse kinkel die daar zin in had. "Halt, stehen bleiben." Onderzocht.'[77] Het incident tekent volgens biografen Witteman en Van den Bergh 'niet alleen de gespannen sfeer van die dagen, maar ook Carmiggelts (over)gevoeligheid voor iedere vorm van onvrijheid.'[78]

Omdat de krant geen ruimte had voor amusement droeg Carmiggelt zowel kleine kronieken als verhalen van wat langere adem bij aan het eveneens in de illegaliteit opgerichte weekblad Vrij Nederland. Ook was hij mederedacteur van de satirische achterpagina van De Groene Amsterdammer, waarvoor hij onder diverse pseudoniemen 'stijlparodieën' schreef.[79] In 1946 werd een selectie uit deze productie, 'afwisselend ingetogen en kolderiek', toegevoegd aan de heruitgave van Vijftig dwaasheden, hertiteld in Honderd dwaasheden. Deze uitgave werd door de Nationale Inspanning Welzijnsverzorging Indië uitgekozen voor opname in het kerstpakket voor aldaar gelegerde soldaten. Het Polygoonjournaal bracht het inpakken der paketten in beeld, waarbij - Arbeiderspers-directeur Reinold Kuipers zei - 'je duidelijk ook het omslag van Honderd dwaasheden zag. Daarna ontstond er een run op het boekje, die de grote doorbraak van Simon Carmiggelt als auteur is geworden.'[80]

24 oktober 1946: de eerste Kronkel[bewerken]

Toen de krant over meer ruimte beschikte, voerde Van Heuven Goedhart de 'Driestuiverskroniek' in, een luchtige rubriek over bijzondere voorvallen die zonder ondertekening door afwisselende redacteuren verzorgd werd.[81] Ook Carmiggelt, die voor de oorlog al ervaring had opgedaan met zijn Kleinigheden, deed af en toe mee. Gecharmeerd van zijn bijdragen, vroeg Van Leuven Goedhart hem om een eigen hoekje te verzorgen, die zou aansluiten op de actualiteit, maar Carmiggelt wilde alleen als de onderwerpkeuze vrij was. Omdat het dus geen nieuws betrof, kreeg opmaakredacteur Bob Steinmetz de opdracht een herkenbare, afwijkende vormgeving te bedenken. Een ervaren typograaf adviseerde hem de kroniek cursief te zetten en altijd met een sierletter te beginnen. Zo kwam men op 'een cursief gezette tekst in een gestrekt kolommetje, met een kopje in vet-cursief erboven.'[82] Carmiggelts biografen zijn het niet eens over welke bijdrage als eerste cursiefje geldt: Witteman en Van den Berg beschouwen het op 11 oktober verschenen en nog niet ondertekende 'hoekstukkie' over de restauratie van De Nachtwacht, die gedurende de bezetting in een bunker verstopt was, als eerste persoonlijk getinte cursiefje,[83] terwijl Van Gelder dat nog als een bijdrage aan de 'Driestuiverskroniek' beschouwt.[84]

Het cursiefje, dat aanvankelijk viermaal per week verscheen en later dagelijks,[81] kon niet met S. Carmiggelt worden ondertekend, omdat die naam al onder zijn toneel- en filmkritieken prijkte en niet de indruk mocht ontstaan dat deze kroniek daarmee van doen had. In de kinderrubriek van de krant verzorgde Jeanne Roos onder haar onderduiknaam Marian Smeets een feuilleton over Gijsbert het konijn, dat niet met Kerstmis als dis wilde eindigen en daarom uit zijn hok ontsnapte. In de vrije wereld kwam Gijsbert onder meer de worm Kronkel tegen. 'Ik voor mij,' zo schreef Carmiggelt op 24 oktober in zijn eerste kroniek, die de titel 'Een naam' meekreeg, 'zou iets voelen voor het pseudoniem Kronkel, den naam van de onserieuze worm uit Gijsbert. Ik heb het aan Marian Smeets gevraagd en ze heeft me het beest toegeschoven met de gulheid van iemand, die toch een fantasie vol dieren heeft.'[85] Wat Carmiggelt in de naam aantrok, is onbekend, maar biograaf Van Gelder vermoedt dat hij in deze naam 'iets grilligs herkende, dat hem de vrijheid gaf zijn stukjes te laten gaan over van alles en nog wat.'[86]

Ook in het weekblad Vrij Nederland verzorgde hij in de eerste naoorlogse periode een soortgelijke rubriek, 'Nutteloze notities' genaamd. Wellicht was de overeenkomst te groot, want in 1947 werd de aard van de rubriek anders en ging meer in de richting van scherp politiek commentaar, dus precies datgene wat hij had geweigerd voor de krant te schrijven. Biografen Witteman en Van den Bergh vermoeden dat de verschijningsfrequentie hierin een rol speelde: voor zijn dagelijkse cursiefje wilde hij schrijven over wat hem diezelfde dag te binnen schoot en zich niet aan een gegeven stramien onderwerpen, maar een weekblad gaf hem de tijd een geschikt onderwerp te zoeken en de formulering van zijn stukje langer voor te bereiden.[87]

Teruggave van auteursrechten[bewerken]

Carmiggelt was in vaste dienst van de krant en dus vond de directie dat de rechten op zijn bijdragen hun eigendom waren en Het Parool hier bundels van mocht samenstellen. In 1947 verscheen Kronkels kronkelpaden met een omslag van Ies Spreekmeester. Volgens Reinold Kuipers was het een aanfluiting: 'Het lag zo uit elkaar. Het verkocht ook niet. Het Parool had geen verstand van het maken en verkopen van boeken.'[88] De volgende twee bundels, Tussen mal en dwaas (1949) en Louter leugens (1951), verschenen dan ook bij De Bezige Bij, maar ook die liepen minder goed dan Carmiggelt bij De Arbeiderspers ervaren had. Uiteindelijk kreeg hij de auteursrechten op zijn Kronkels terug en had de vrije keuze voor een uitgeverij. Hij keerde meteen terug naar Kuipers' Arbeiderspers.[89]

Overlijden[bewerken]

Simon Carmiggelt (1982)

Op het eind van zijn leven ontwikkelde hij ouderdomsdiabetes, die hij niet naar behoren verzorgde, ook al vanwege het feit dat zijn snel blind wordende vrouw nogal wat verzorging nodig had. Mogelijk was het drankprobleem uit zijn verleden hier mede oorzaak van, hoewel Carmiggelt zich sinds 1978 van sterkedrank onthield (cf. citaat over de drinkers). Zijn diabetes kreeg hij niet onder controle met als gevolg dat hij in de herfst van '87 in het ziekenhuis terechtkwam en de dag na zijn ontslag een hartinfarct kreeg. Na revalidatie in het Prinsengrachtziekenhuis kon hij weer naar huis, waar hij enkele weken later, in de laatste nacht van november, in zijn slaap aan een tweede infarct overleed.

Aanhalingsteken openen

De geheelonthouders hebben gelijk,
maar alleen de drinkers weten waarom.

Aanhalingsteken sluiten

Na zijn dood schreef Renate Rubinstein een bijzonder portret van de schrijver in Mijn beter ik; niet iedereen was daar blij mee. Rubinsteins relaas van haar geheime verhouding met de schrijver werd door sommigen als ongepast gezien.

Werk[bewerken]

Cursiefjes[bewerken]

Schrijfstijl[bewerken]

Het vocabulaire van Carmiggelt tot begin jaren vijftig kenmerkt zich volgens essayist Paul Rodenko door 'nèt even ouderwets klinkende woorden als "monter" of "ferm"', een woordkeuze die 'net niet gewoon genoeg' is om de alledaagsheid van de handeling te dekken.[90] De stijl is in zijn ogen een 'wat droge, soms gewild-houterige ambtenarenstijl' waarin 'veel bedeesde understatements' voorkomen.[90] Criticus Kees Fens wees op drie kwaliteiten die reeds in het vroege werk van de auteur aanwijsbaar zijn en zich 'het hele oeuvre door gehandhaafd hebben: een beeldend woordgebruik, vooral in de typeringen van mensen, een vermogen beelden en vergelijkingen in de dagelijkse werkelijkheid te vinden, hetgeen aan het proza een weinig geijkt literair karakter geeft; onmiskenbaar is ook al aanwezig de "toon", die persoonlijke kleur, die "smaak" alle goed proza eigen, maar ontsnappend aan elke poging tot omschrijving.'[91] Zijn proza is nooit opgehouden een 'journalistieke indruk' te maken en ook 'de suggestie van alledaagsheid van het gebeuren' is een constante.[92] Deze indruk van gewoonheid zou ertoe hebben geleid dat Carmiggelt anno 1967 niet op waarde werd geschat: 'wiens stijl, hoe eigen literair ook, weinig geijkt literair is, maakt grote kans op miskenning.'[93] De schijn van eenvoud is bedrieglijk, want bij zorgvuldig lezen 'blijkt hoe geraffineerd zijn beste verhalen in hun onderdelen in elkaar zitten, hoe afgewogen zijn proza is en elk klein effekt daarvan berekend is.'[93] Wie na lezing van de bundel Kroeglopen in een vrolijke bui is, heeft het boekje volgens Fens niet goed gelezen: 'in elk geval zijn hem de hulpeloosheid, de kleinheid, de droevigheid, de tragi-komedie van vergeefse pogingen tot een beetje grootheid ontgaan.'[94]

De invloed van Elsschot op Carmiggelts schrijfstijl is volgens Fens aanwijsbaar 'tot in de konstruktie van sommige soorten zinnen toe', waarbij hij als voorbeeld wijst op de 'altijd verrassende' zinnen met het voegwoord want, 'die een mededeling of observatie in een algemeen perspectief zetten.' Zeer eigen aan Carmiggelt is de 'stilistische kunstgreep' om 'een persoon zichzelf in een monoloog te laten typeren' en dit vermogen van de auteur 'de mensen letterlijk sprekend op zichzelf te laten gaan gelijken, is onuitputtelijk.'[93]

Carmiggelts stijl werd in de loop der jaren 'soberder, dramatischer ook. De humor ligt niet langer in de beschreven situatie, maar lijkt zich uit de taal zelf te gaan ontwikkelen. De woorden veroorzaken de intrige. De taal maakt ongewone situaties overbodig', waar nog bij komt: 'niet alleen de woorden, maar ook de stilten ertussen worden van groot belang in het geheel. In de allerbeste verhalen staat het gebeuren tussen de woorden.'[95] Het monument van een verzameld werk, verzucht Fens tien jaar na Carmiggelts overlijden, is hem onthouden: 'Er zou een aantal van de mooiste zinnen in staan die in de Nederlandse taal zijn geschreven.'[96]

Periodisering[bewerken]

In 1967 beschreef Fens dat het werk tot dan toe een grote ontwikkeling had doorgemaakt. Vijftig dwaasheden was een titel die de auteur 'gezien de totale verandering die zijn werk heeft ondergaan, nu niet meer zou kunnen gebruiken: de lach is bij hem gebleven, maar vergaat hem nu ook herhaaldelijk.' De vroege cursiefjes zijn het best als 'jolig' te omschrijven en is door Carmiggelt zelf wel als 'slapstick-humor' omschreven.[97] Geleidelijk ontwikkelde het proza zich zo, dat de personages niet langer slachtoffer van 'een ongewone situatie' waren, maar van de '"condition humaine"' waarvan de specifieke situaties slechts de momentane manifestering zijn.[92]

In 2004 deelde Fens Carmiggelts werk in in drie periodes, waarvan zijn journalistieke oorsprong de eerste nog tekent, vanwege de duidelijke inleiding en afronding van de verhalen: 'In later werk werd het begin door woordkeus, beelden, metaforen, integraal in het verhaal opgenomen, zo goed, dat je bij teruglezing pas de betekenis van alle onderdelen ervan ging zien.'[98] Fens meent dat de middenperiode 'zijn mooiste, zeker zijn treurigste verhalen' bevat, 'vaak verscheurend humoristisch'.[3]

Inhoud en thematiek[bewerken]

Rodenko ziet in de cursiefjes een tegenstelling tussen personages die wel en die geen 'welomschreven functie in de maatschappij hebben' en volgens hem ligt het hart van de auteur bij de eerste groep, die in zijn werk voorkomt in de gedaante van 'kinderen, dieren, dronkaards en oude mannetjes.' Personages die wel een vastliggende positie hebben komen voor als 'kellners, portiers, bestuursleden, gidsen', maar ook als idealisten, met 'steeds dezelfde "zindelijke glimlach"' of 'blijmoedige VPRO-gezicht'. Een 'principiële vegetariër', zo heet het in de bundel Vergeet het maar, 'drukt maar op de knop als hem wat gevraagd wordt en hoep - daar schiet de Hollerithkaart met het antwoord zijn bewustzijn al binnen.'[99] Slachtoffers van Carmiggelts spot zijn mensen met meningen, gelijkhebbers of mensen met 'zorgvuldig opgekweekte levensbeschouwingen'.[100] In de ogen van Fens zijn Carmiggelts meest geslaagde personages 'niet weg te denken individuen geworden; dat hebben ze met alle belangrijke roman- en verhaalfiguren gemeen.'[101]

Aansluitend bij Rodenko onderscheidt Fens twee hoofdsoorten in de verhalen. De ene soort zijn de kinder- en poezenverhalen, waar 'de ongedwongenheid van het leven zonder maatschappelijke bindingen en dwars door alle konventies heen' een veelal humoristisch contrast oplevert met het 'aan banden gelegde leven van de volwassenen.' De kroegverhalen zetten werkelijkheid en vluchtplaats in een schijnbestaan' tegenover elkaar en dit verhaaltype levert volgens Fens 'het beste op dat Carmiggelt geschreven heeft'; 'de eerste bundel Kroeglopen vormt voor mij het hoogtepunt van zijn werk'.[93] Neerlandici Garmt Stuiveling en G.W. Huygens omschrijven het werk als 'vermakelijke en puntige waarnemingen, commentaren, reisbelevenissen, herinneringen en fantasieën', met als voornaamste motieven, naast de al genoemde, de aftakeling van de ouder wordende mens en het aan Chaplin verwante tafereel van de kleine man in een onverwachte situatie.[1]

De onderwerpen die in zijn cursiefjes ter sprake komen, omschrijft letterkundige C. de Ruiter als het 'maatschappelijke verkeer', waarbij enkele onderwerpen 'opvallend frequent' voorkomen: mensen in cafés, oude mensen, kinderen en dieren, vooral katten.[102]

Fens ziet de "condition humaine" als thema, waarmee hij doelt op het contrast 'tussen ideaal en werkelijkheid, tussen de hang naar vrijheid en de gebondenheid door de maatschappij, tussen vrijheid en conventies ook, tussen de barre werkelijkheid van alledag en de tijdelijke ontsnapping daaraan in een kunstmatige toestand.'[103] Het is alleen aan het mededogen van de auteur te danken dat zijn werk de 'grondkleur van grijs' behouden heeft en niet gitzwart geworden is: 'Carmiggelt is nooit wrang, zijn humor is nooit ten koste maar altijd, als dat zo gezegd mag worden, ten bate van de mens.'[93]

Als verwante auteurs worden - ook door Carmiggelt zelf - meestal genoemd Tsjechov,[104] Samuel Falkland maar meer nog de Duitse humorist Kurt Tucholsky[1] en Elsschot.

Poëzie[bewerken]

Onder de naam Karel Bralleput liet Carmiggelt tussen ’48 en ’56 drie verzenbundels verschijnen, in 1961 samen uitgegeven onder de titel Torren aan de lijm. Volgens Kees logenstraffen de gedichten de luchtigheid waarmee de auteur voorgaf zijn poëtische productie niet erg serieus te nemen. De aard van de poëzie kan vergeleken worden met die van Jan Greshoff en E. du Perron: 'De poëzie is een weinig verhevene, de taal is een zeer direkte, het vers is anekdotisch, de toon parlando.' Als meest opmerkelijke kenmerk noemt Fens dat in de gedichten de ernst van Carmiggelts latere proza al aanwezig is: 'Al kunnen de verzen luchtig aandoen, de ondertoon is droevig; vele verlopen ook van ideaal (meestal in de jeugd) naar de ontnuchtering later en de berusting in dat onvermijdelijke'.[91] Deze ontnuchtering krijgt nogal eens gestalte in de gedaante van de mislukte artiest wiens schijnwereld instort, waarna zijn armoede en gebrek aan talent niet langer ontkend kunnen worden.[92]

Producties voor niet-gedrukte media[bewerken]

Carmiggelt verzorgde samen met Annie M.G. Schmidt jarenlang lezingen door heel Nederland. Hij schteef 'talloze' teksten voor Wim Sonneveld en Wim Kan, soms gebaseerd op eerdere cursiefjes. Ook maakte hij teksten voor films van Bert Haanstra, die hij soms zelf insprak. Hij las wekelijks voor uit eigen werk op de VARA-radio en maandelijks op de VARA-televisie.[105] Laat op de avond droeg hij een van zijn columns op zijn karakteristieke zeer droge toon voor, na de herkenningsmelodie van Duke Ellington: In a sentimental mood.

Reputatie[bewerken]

Beeld van Simon Carmiggelt met zijn vrouw Tiny op een bankje in De Steeg. Het beeld werd in januari 2012 door koperdieven gestolen en vernield. Een jaar later werd het, gerestaureerd en beveiligd, teruggeplaatst.

Hoewel de dichter A. Roland Holst Carmiggelt bij zijn vijftigste verjaardag een 'groot miniaturist'[106] noemde, werd hij lang aangezien voor niet meer dan een humoristische auteur: 'pas later ging men inzien dat hij een van onze beste stilisten is', aldus letterkundige J.A. Dautzenberg, die de term humorist te beperkt acht: 'veel van zijn verhalen - en vaak de beste - zijn eerder treurig, melancholiek en weemoedig dan grappig.'[107] Essayist Jacq Vogelaar kende hem een grote invloed toe op de naoorlogse literatuur: 'Realisme is daar nog altijd troef en stilistisch lijkt het merendeel van het Nederlands proza na de wereldoorlog schatplichtig aan Carmiggelt'.[108] Carmiggelt werd geroemd om zijn situatiehumor, hij observeerde scherp en creëerde dan een beeld of vergelijking, 'waarin de mens niet alleen uiterlijk maar ook innerlijk helemaal wordt opgeroepen' aldus Kees Fens. In 1954 introduceerde hij in het cursiefje Het woord het neologisme 'epibreren', dat Van Dale haalde.

Carmiggelt schreef zijn stukjes niet op een redactiekantoor; hij schreef ze thuis, op een bankje in het park, in de kroeg – hij hield er in 1972 een drankprobleem aan over – op een terrasje, enzovoort, onveranderlijk met een mooie balpen, een van de vele uit zijn uitgebreide collectie, want hij 'had iets met pennen', zei hij zelf. Als het stukje af was, deponeerde hij het in een speciaal daartoe aangebracht busje onder zijn deurbel. Een koerier van de krant kwam het daar elke dag ophalen.

Slenterend door de stad vond hij zijn thematiek: hij verwerkte een detail van een banaal voorval tot een compleet verhaal, luisterde naar mensen en gebruikte elementen uit hun conversaties, verplaatste, herschikte, versterkte, stileerde en bouwde. Soms verwerkte hij de gegevens, verzameld over een tijdsspanne van weken, tot een samenhangend geheel, soms was het cursiefje zo uit het leven opgeschreven. En altijd heeft de lezer de indruk dat deze eigenste anekdote zich dagelijks ontelbare malen voordoet: elke situatie heeft een grote vorm van herkenbaarheid, van identificatie ook.

In het eerste verhaal Hel van De rest van je leven (1979) sprak hij over een vriend van hem, de schilder/dichter Willem Hussem.
In de aanhef van de bundel Welverdiende onrust (1982) citeerde Carmiggelt Woody Allen: ‘Natuurlijk is alles wat iemand schrijft uiteindelijk autobiografisch’, wat erop moge duiden dat hij zich zeer nauw betrokken voelde bij de situaties en mensen, waarover hij schreef. Vandaar ook de grote mildheid waarmee hij dat telkens deed:
‘Hij is,’ zei Jan Greshoff, ’nooit geestig ten koste van iemand of iets.’
Die milde ironie had Carmiggelt met Elsschot gemeen, voor wie hij een levensgrote bewondering koesterde, met wie hij goed bevriend raakte en over wie hij boeiend publiceerde in ‘Ontmoetingen met Elsschot’ (1985). Ook Adriaan Roland Holst, Kurt Tucholsky, Tsjechov en Nescio droeg hij in het hart.

Prijzen[bewerken]

Carmiggelt werd enkele keren bekroond: in 1953 kreeg hij een prijs van de Haagse Jan Campert-stichting, in 1961 werd hem vanwege dezelfde stichting de Constantijn Huygens-prijs toegekend voor zijn volledige oeuvre, in 1967 de vijfjaarlijkse Boekenverkopersprijs en in 1974 de hoogste Nederlandse, literaire onderscheiding: de P.C. Hooft-prijs.

Trivia[bewerken]

  • Carmiggelt heeft een cameo in de Vlaamse stripreeks De Kiekeboes door Merho in het album Kiekeboe in Carré waar hij een borrel drinkt in een café terwijl Balthazar met zijn opdrachtgever belt.
  • Hij werd in 2004 geselecteerd voor de verkiezing van De grootste Nederlander en eindigde op de 118de plaats.
  • Op 24 september 1979 heeft hij de openbare Simon Carmiggeltschool in Delft geopend die met zijn toestemming naar hem is vernoemd.
  • De documentaire Vroeger kon je lachen uit 1983 van regisseur Bert Haanstra is een film rond Carmiggelt, Haanstra's nauwste geestesverwant. Carmiggelt verzorgde onder andere het commentaar van een aantal van Haanstra's documentaires, waaronder Alleman uit 1963. Vroeger kon je lachen bestaat uit een aantal scènes gespeeld door Nederlandse acteurs, die een aantal cursiefjes van Carmiggelt spelen, al dan niet in aanwezigheid van Carmiggelt zelf.
  • In twaalf verhalen, omvat in vier afleveringen uit 1983, van de AVRO-televisieserie Mensen zoals jij en ik (met in de hoofdrol Kees Brusse) verzorgde Simon Carmiggelt de introductie.

Prijzen[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

  • 1940 - Vijftig dwaasheden
  • 1941 - Johan Justus Jacob
  • 1946 - Honderd dwaasheden
  • 1946 - De sneehoed
  • 1947 - Kronkels kronkelpaden
  • 1947 - Allemaal onzin
  • 1948 - Het jammerhout
  • 1949 - Tussen mal en dwaas
  • 1949 - Ieder kent ze
  • 1950 - Klein beginnen
  • 1951 - Omnibus
  • 1951 - Louter leugens
  • 1952 - Poespas
  • 1952 - Made in Germany
  • 1952 - Wereld-melkboeren
  • 1953 - Vergeet het maar
  • 1953 - Speciaal voor U
  • 1954 - Al mijn gal
  • 1954 - Twin set
  • 1954 - Ping pong
  • 1954 - Speciaal voor u
  • 1955 - Articles de Paris
  • 1955 - Duiven melken
  • 1955 - Vliegen vangen
  • 1955 - Speciaal voor u
  • 1956 - Fabriekswater
  • 1956 - Kwartet
  • 1956 - Spijbelen
  • 1956 - Speciaal voor u
  • 1957 - Haasje over
  • 1957 - De afgevallen blaadjes
  • 1958 - Kraaltjes rijgen
  • 1959 - Een toontje lager
  • 1960 - Duiven melken
  • 1961 - Alle orgels slapen
  • 1961 - Een stoet van dwergen
  • 1961 - Torren aan de lijm
  • 1962 - Dag opa
  • 1962 - Kroeglopen
  • 1962 - Tussen twee stoelen
  • 1963 - Oude mensen
  • 1963 - We leven nog
  • 1963 - Weet ik veel
  • 1963 - Trilogie
  • 1964 - Kinderen (combinatie van Klein beginnen en Dag opa)
  • 1964 - Later is te laat
  • 1965 - Kroeglopen 2
  • 1965 - Tekst voor een wijnkaart
  • 1965 - Maatschappelijk verkeer
  • 1965 - Fluiten in het donker
  • 1965 - Mooi weer vandaag
  • 1966 - Een hand vol kronkels
  • 1967 - Morgen zien we wel weer
  • 1967 - Omdat het zo lekker is
  • 1968 - Drie van vroeger
  • 1968 - Het panorama
  • 1968 - Je blijft lachen
  • 1968 - Rondje van de zaak
  • 1968 - Een beetje zon
  • 1969 - Mijn moeder had gelijk
  • 1969 - Alle kroegverhalen
  • 1970 - Twijfelen is toegestaan
  • 1971 - Gewoon maar doorgaan
  • 1972 - Ik mag niet mopperen
  • 1973 - Elke ochtend opstaan
  • 1973 - Kleine avonturen aan de tap; uitgave Lucas Bols, Amsterdam - Schiedam
  • 1974 - Brood voor de vogeltjes
  • 1974 - De gedichten
  • 1975 - Slenteren
  • 1975 - Speciaal voor u
  • 1975 - Maatschappelijk verkeer
  • 1976 - Ze doen maar
  • 1976 - Dwaasheden
  • 1977 - Vroeger kon je lachen
  • 1978 - Bemoei je d'r niet mee
  • 1979 - De rest van je leven[109]
  • 1979 - Mooi kado
  • 1979 - Carmiggelt op Steeg
  • 1980 - De avond valt
  • 1980 - Residentie van mijn jeugd
  • 1981 - Een Hollander in Parijs
  • 1981 - De duif
  • 1981 - Verhaaltjes van vroeger
  • 1982 - Welverdiende onrust
  • 1982 - Feestelijk
  • 1983 - De Amsterdamse kroeg
  • 1983 - Met de neus in de boeken
  • 1983 - Mag 't een ietsje meer zijn
  • 1984 - Ik red me wel
  • 1984 - In Artis
  • 1984 - Vreugden en verschrikkingen van de dronkenschap
  • 1984 - Alle kroegverhalen (combinatie van Kroeglopen I en ~II)
  • 1985 - Ontmoetingen met Willem Elsschot
  • 1985 - Brakke dagen
  • 1986 - Bij nader omzien
  • 1986 - Trio voor één hand
  • 1986 - Gasten op zolder
  • 1987 - De vrolijke jaren
  • 1987 - Het literaire leven
  • 1987 - Lachen kost niks


Postuum verschenen:

  • 1989 - Zelfportret in stukjes
  • 1990 - De kuise drinker
  • 1990 - De reden
  • 1992 - Schemeren
  • 1993 - Duiveland komt nooit weer droog
  • 1993 - Waarom? - Daarom!
  • 1993 - Van u heb ik ook een heleboel gelezen...
  • 1995 - Thelonious en Picasso
  • 1995 - Bevrijding 1945-1995
  • 1995 - Rembrandt
  • 1996 - Croiset en Jongerius op een dag
  • 1997 - Visite
  • 1997 - Hoe Heet Keizer Karels Hond
  • 1998 - Party
  • 1999 - Beste Godfried, beste Simon
  • 1999 - Voorhout
  • 1999 - Zes kronkels
  • 1999 - Ruim baan
  • 2000 - Kenner
  • 2001 - Groninger melange
  • 2001 - Genot
  • 2001 - Wat stilte
  • 2002 - Geachte spreker
  • 2002 - Sigaar
  • 2004 - De engel
  • 2004 - Een grap
  • 2004 - Plannen
  • 2005 - Feest
  • 2005 - Terugkomen
  • 2005 - Louis Couperus bij Kronkel
  • 2005 - Spiegel
  • 2006 - Afscheid van het oude jaar
  • 2006 - Het eind van december
  • 2007 - Ik lieg de waarheid
  • 2007 - Straf
  • 2007 - Uitzicht
  • 2007 - Amsterdam
  • 2007 - Over schrijvers en boeken
  • 2007 - Eten
  • 2007 - Kerstpakje
  • 2007 - Diagnose
  • 2008 - Zwijgplicht
  • 2008 - 16 augustus
  • 2008 - Huwelijksperikelen
  • 2008 - Feestdagen
  • 2008 - Nadorst
  • 2008 - Het kerstverhaal
  • 2009 - Grap
  • 2009 - En toch
  • 2009 - Al goed
  • 2009 - De kerstman
  • 2009 - Winter
  • 2009 - Irish stew
  • 2010 - Gelderse Avonturen
  • 2010 - Geen lintje, wel een pintje
  • 2010 - Bromfiets of niet: de Solex
  • 2010 - Kleinigheden
  • 2010 - De Kerstman had 't warm
  • 2010 - Oud en nieuw
  • 2010 - De complete werken van S. Carmiggelt.
  • 2011 - Ode
  • 2010 - Schilderij 1 en Schilderij 2
  • 2011 - Godfried
  • 2011 - Ziek zijn of niet
  • 2011 - Vijftien stukjes van Simon Carmiggelt
  • 2011 - Terugkeer op Waardershoeve
  • 2012 - Met de Solex op pad
  • 2012 - Het laatste stukje
  • 2013 - Theo Thijssen en zijn kinderen
  • 2013 - Naar de West
  • 2013 - De doos - Na dosu
  • 2013 - Trouwen
  • 2013 - Carmiggelt over Cohen
  • 2013 - Gedundrukt
  • 2013 - Dwalen door Amsterdam
  • 2013 - Op stap met Sinterklaas
  • 2014 - Waterloo
  • 2014 - Geloof


Vertalingen[bewerken]

  • 1954 - Alles für die Katz
  • 1954 - Mach dir nichts draus
  • 1955 - Abenteur mit Kindern
  • 1956 - Pariser Souvenirs
  • 1958 - Hohe Schule
  • 1959 - Einfach unerhört
  • 1961 - Von Katzen und kleinen Kindern
  • 1966 - A Dutchman's slight adventures
  • 1969 - Die Kunst, Großvater zu sein
  • 1970 - Die Kunst, stillvergnügt zu sein
  • 1972 - I'm just kidding: More of a Dutchman's slight adventures
  • 1980 - Heiteres aus Amsterdam
  • 1982 - Humor sekolom senyum dikulum
  • 1985 - Neskol'ko bespoleznych soobrazjenij
  • 1985 - Chodene po kretsjmite
  • 1988 - Che cos' è un Amsterdammer
  • 1993 - Il venditore di aringhe e altri racconti di Amsterdam
  • 2002 - Morgau denove ni vidu; Esperanto-vertaling van Gerrit Berveling van Morgen zien we wel weer
  • 2003 - It Sometimes Sounds Very Nice
  • 2009 - Die geschenkte Katze
  • 2014 - Flonkergood

Biografie[bewerken]

  • 1975 - Simon Carmiggelt door Luc Verhuyck (gedeeltelijk in samenwerking met Theo Jochems). Brugge: Uitgeverij Orion - Den Haag: Uitgeverij Scheltens & Giltay.
  • 1988 - Simon Carmiggelt 1913-1987 door A.M. de Bakker. Lelystad: Stichting IVIO (AO-boekje 2206).
  • 1996 - Een erg moeilijk vak. S. Carmiggelt in de reclame door Henk van Gelder. Nieuwerkerk Zld.: De Carmiggeltvrienden.
  • 1998 - S. Carmiggelt; Een levensverhaal door Sylvia Witteman en Thomas van den Bergh. Amsterdam: Uitgeverij De Arbeiderspers.
  • 1999 - Carmiggelt; Het Levensverhaal door Henk van Gelder. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar.
  • 2000 - Geen Kronkel, geen Bralleput door Henk van Gelder. Amsterdam: Vereniging van Carmiggeltvrienden.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. a b c Stuiveling en Huygens (1985), p. 130.
  2. Witteman en Van den Bergh (1998), p. 49.
  3. a b Fens (2004), p. 66-67.
  4. Sylvia Witteman en Thomas van den Berg, S. Carmiggelt. Een levensverhaal. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam en Antwerpen, 1998, p. 12.
  5. Henk van Gelder, Carmiggelt. Het levensverhaal, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 1999, 13.
  6. Van Gelder (1999), 11-12
  7. Van Gelder (1999), 14
  8. Van Gelder (1999), 15
  9. Witteman en Van den Berg (1998), p. 13
  10. Witteman en Van den Bergh (1998), 14
  11. Carmiggelt geciteerd bij Van Gelder (1999), 16
  12. Van Gelder (1999), 17
  13. Witteman en Van den Bergh (1998), 16
  14. a b Van Gelder (1999), 18
  15. Van Gelder (1999), 19
  16. Van Gelder (1999), 20
  17. Van Gelder (1999), 21 en 23.
  18. Van Gelder (1999), 22-23
  19. Van Gelder (1999), 24-26
  20. Van Gelder (1999), 27
  21. a b Witteman en Van den Bergh (1998), 20
  22. Van Gelder, 28
  23. Van Gelder (1999), 30
  24. Van Gelder (1999), 32-33
  25. Jan Meijer geciteerd bij Van Gelder (1999), 35
  26. Van Gelder (1999), 37-39
  27. a b Van Gelder (1999), 39
  28. Geciteerd bij Van Gelder (1999), 44
  29. Van Gelder, 36 en 45-46
  30. Geciteerd bij Van Gelder (1999), 47
  31. Geciteerd bij Van Gelder (1999), 48
  32. Van Gelder (1999), 48
  33. Geciteerd bij Van Gelder (1999), 51
  34. Geciteerd bij Van Gelder (1999), 57
  35. Van Gelder (1999), 58
  36. 'Geciteerd bij Van Gelder (1999), 59
  37. Van Gelder (1999), 64
  38. Van Gelder (1999), 66
  39. Witteman en Van den Bergh (1998), 28.
  40. Van Gelder (1999), 67-68
  41. Witteman en Van den Bergh (1998), 29.
  42. Van Gelder (1999), 70-73.
  43. a b Van Gelder (1999), 74.
  44. Van Gelder (1999), 75.
  45. a b Witteman en Van den Bergh (1998), 32.
  46. Van Gelder (1999), 77.
  47. Van Gelder (1999), 77
  48. Van Gelder (1999), 78
  49. a b Witteman en Van den Bergh (1998), 34.
  50. Van Gelder (1999), 79
  51. Van Gelder (1999), 80
  52. Van Gelder (1999), 81
  53. Van Gelder (1999), 82
  54. Van Gelder (1999), 86.
  55. Van Gelder (1999), 87-88.
  56. Van Gelder (1999), 89.
  57. Roegholt (1972), 41
  58. Van Gelder (1999), 84
  59. Citaat uit Van Gelder (1999), 85
  60. Witteman en Van den Bergh (1998), 30
  61. Geciteerd bij Van Gelder (1999), 91.
  62. Witteman en Van den Bergh (1998), 31
  63. Van Gelder (1999), 91.
  64. Van Gelder (1999), 92.
  65. a b Witteman en Van den Bergh (1998), 37.
  66. Van Gelder (1999), 97-98.
  67. Van Gelder (1999), 100.
  68. Geciteerd bij Van Gelder (1999), 102.
  69. Van Gelder (1999), 102-103.
  70. Witteman en Van den Bergh (1998), 38-39.
  71. Witteman en Van den Bergh (1998), 39.
  72. Geciteerd bij Van Gelder (1999), 104.
  73. Witteman en Van den Bergh (1998), p. 40.
  74. Witteman en Van den Bergh (1998), p. 42.
  75. Van Gelder (1999), p. 109.
  76. Van Gelder (1999), p. 112.
  77. Geciteerd in Witteman en Van den Bergh (1998), p. 44.
  78. Witteman en Van den Bergh (1998), p. 44.
  79. Van Gelder (1999), p. 122.
  80. Van Gelder (1999), p. 128.
  81. a b Witteman en Van den Bergh (1998), p. 48.
  82. Van Gelder (1999), p. 131.
  83. Witteman en Van den Bergh (1998), p. 49
  84. Van Gelder (1999), p. 130.
  85. Geciteerd bij Van Gelder (1999), p. 131.
  86. Van Gelder (1999), p. 132.
  87. Witteman en Van den Bergh (1998), p. 50.
  88. Kuipers geciteerd in Van Gelder (1999), p. 133.
  89. Van Gelder (1999), p. 134.
  90. a b Rodenko (1959), p. 10.
  91. a b Fens (1967), p. 8.
  92. a b c Fens (1967), p. 9.
  93. a b c d e Fens (1967), p. 11.
  94. Fens (1963), p. 95.
  95. Fens (2004), p. 67-68.
  96. Kees Fens, Doorluchtig glas. Vijftig jaar P.C. Hooft-prijs. Den Haag en Amsterdam: Stichting P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde/ Em. Querido's Uitgeverij B.V, Amsterdam 1997, p. 59.
  97. Fens (1967), p. 7.
  98. Fens (2004), p. 69.
  99. Geciteerd bij Rodenko (1959), p. 11.
  100. Rodenko (1959), p. 11.
  101. Fens (1963), p. 94.
  102. De Ruiter (1979), p. 22.
  103. Fens (1967), p. 10-11.
  104. Rodenko (1959), p.9.
  105. Van Bork (2002), online. Geraadpleegd op 19 februari 2016.
  106. Geciteerd in Van Verre (1978), p. 56.
  107. J.A. Dautzenberg, Nederlandse literatuur. Geschiedenis, bloemlezing en theorie. Den Bosch: Malmberg 1989. Vijfde oplage, 1993, p. 465-466.
  108. J.F. Vogelaar, 'Over het belang van vertalingen. Nationale literatuur zonder Internationale context blijft provinciaal.' Tom van Deel, Nicolaas Matsier en Cyrille Offermans (red.), Het literair klimaat 1970-1985. Amsterdam: De Bezige Bij, 1986, p. 246.
  109. ISBN 9029510897

Bronnen[bewerken]

  • Bork, G.J. van (2002). 'Simon Carmiggelt.' DBNL-biografieënproject, online. Nieuw toegevoegd, november 2002.
  • Fens, Kees (1963). 'Humoristen.' Oorspronkelijk verschenen in De Tijd, herdrukt in: Kees Fens, Loodlijnen. Eerste druk 1967, tweede druk 1978: Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep, p. 94-97. ISBN 9025380174
  • --- (1967). 'Het werk van S. Carmiggelt.' Ons Erfdeel jaargang 11, p. 7-11.
  • --- (1997). Doorluchtig glas. Vijftig jaar P.C. Hooft-prijs. Stichting P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde, Den Haag/ Em. Querido's Uitgeverij B.V, Amsterdam.
  • --- (2004). Dat oude Europa. Nieuwe keuze uit de maandagstukken. Amsterdam: Em. Querido's Uitgeverij B.V. ISBN 9021462079
  • Gelder, Henk van. (1999). Carmiggelt. Het levensverhaal. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar. ISBN 903882694X
  • Rodenko, Paul (1959). 'De wereld van Simon Carmiggelt.' Paul Rodenko, De sprong van Münchhausen. Den Haag: Bert Bakker/Daamen, p. 5-18.
  • Roegholt, Richter. (1972). De Geschiedenis van De Bezige Bij 1942-1972. Amsterdam: De Bezige Bij.
  • Ruiter, C. de (1979). Over het proza van S. Carmiggelt. Amsterdam: Wetenschappelijke Uitgeverij b.v. ISBN 9062878725
  • Stuiveling, G. en G.W. Huygens (1985). 'Simon Johannes Carmiggelt.' * Stuiveling, G. en G.J. van Bork (1985). 'Jan Hendrik Leopold.' In: G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse (red), De Nederlandse en Vlaamse dichters van middeleeuwen tot heden. Weesp: Haan, p. 130-131.
  • Verre, Tony van (1978). Tony van Verre ontmoet Simon Carmiggelt. Uit 't leven van een schrijvend persoon. Bussum: de Gooise Uitgeverij. ISBN 9026984138
  • Witteman, Sylvia en Thomas van den Bergh. (1998). S. Carmiggelt. Een levensverhaal. Amsterdam en Antwerpen: De Arbeiderspers. ISBN 9029556145