Sinraptor

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Sinraptor
Status: Uitgestorven, als fossiel bekend
Sinraptor dongi
Sinraptor dongi
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Chordata (Chordadieren)
Klasse:Reptilia (Reptielen)
Infraklasse:Archosauromorpha
Superorde:Dinosauria
Orde:Saurischia
Onderorde:Theropoda
Familie:Metriacanthosauridae
Onderfamilie:Metriacanthosaurinae
Geslacht
Sinraptor
Currie en Zhao, 1994
Typesoort
Sinraptor dongi
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Sinraptor op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Herpetologie

Sinraptor is een geslacht van vleesetende theropode dinosauriërs, behorend tot de Carnosauria, dat tijdens het Jura leefde in het gebied van de huidige Volksrepubliek China.

Vondst en naamgeving[bewerken | brontekst bewerken]

In september 1987 vond een Canadees-Chinees team bij Jiangjunmiao in Xinjiang het skelet van een grote theropode. Het werd eerst aangezien voor een exemplaar van Monolophosaurus en in artikels door wetenschapsjournalist Alun Mark Anderson gemeld onder de naam "Jiangjunmiaosaurus", de naam die men eerst aan Monolophosaurus had willen geven.

In 1994 werd de typesoort Sinraptor dongi benoemd en beschreven door Philip John Currie en Zhao Xijin. De geslachtsnaam combineert een verwijzing naar de Sinae, "Chinezen" in het Latijn, met raptor, "rover". De soortaanduiding eert de Chinese paleontoloog Dong Zhiming als ontdekker.

Het holotype, IVPP 10600, is gevonden in een laag van de Shishugouformatie die dateert uit het vroege Oxfordien, ongeveer 160 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een skelet met schedel. Bewaard zijn gebleven: de bijna complete schedel, de onderkaken, tongbeenderen, de wervelkolom tot en met vermoedelijk de zevende staartwervel, nekribben, ribben, buikribben, de schouderbladen, een rechterhand, het hele bekken en de achterpoten. Het betreft een onvolgroeid dier. Van het skelet lagen het rechterdeel van de schedel, de wervels, de hand en de rechterachterpoot in verband. De andere botten waren verspreid geraakt maar niet over een groot oppervlak. Negen tanden die in een skelet van een sauropode waren aangetroffen, zijn aan de soort toegewezen. In de formatie zijn verder nog losse tanden, een vierde middenvoetsbeen en een schedel met halswervels als sinraptoride vondsten gemeld maar die zijn niet formeel aan Sinraptor toegewezen.

In 2006 werd het quadratum voor het eerst beschreven. In 2012 werd de hersenpan van het holotype in detail beschreven.

In 1999 hernoemde Gao Yuhui de soort in een Yangchuanosaurus dongi. Dit heeft echter geen navolging gevonden.

In 1994 benoemden Currie en Zhao meteen een tweede soort van Sinraptor: Sinraptor hepingensis, door Yangchuanosaurus hepingensis Gao 1992 te hernoemen. De tweede soort is gebaseerd op een in 1985 in dezelfde formatie gevonden 884 centimeter lang skelet met schedel, specimen ZDM 0024, dat sterk op Sinraptor dongi lijkt. Latere analyses hadden echter tot uitkomst dat beide soorten, hoewel vrij nauw verwant, geen zustersoorten zijn. De plaatsing in één geslacht wordt daarmee problematisch en men spreekt daarom wel van een "Sinraptor" hepingensis.

Beschrijving[bewerken | brontekst bewerken]

Grootte en onderscheidende kenmerken[bewerken | brontekst bewerken]

De lengte van het holotype van Sinraptor dongi is eerst geschat op 7,2 meter en later op 762 centimeter.

In 1994 werden enkele onderscheidende kenmerken van Sinraptor dongi gegeven ten opzichte van "Sinraptor" hepingensis. De praemaxilla is langer en lager. Er bevinden zich meer en meer uitgebreide secundaire groeven op het bovenkaaksbeen. De achterste tak van het postorbitale heeft een geringere uitbreiding op de zijkant van de schedel. De beenbalk die de onderste achterste zijkant van de schedel uitmaakt, is langer.

Verder was er een aantal kenmerken dat uniek was ten opzichte van andere in 1994 bekende Carnosauria. Het achterdeel van het jukbeen eindigt in drie takken. Een verruwing op het postorbitale vormt de buitenste begrenzing van een grote driehoekige uitholling op het schedeldak. De tak van het verhemeltebeen richting jukbeen heeft de vorm van een duidelijk afstaand uitsteeksel dat beneden het niveau van de beennaad met het bovenkaaksbeen uitsteekt. Het holle binnenste van het ectopterygoïde loopt door in een pneumatische opening die aan de voorste onderzijde is gelegen, aan de binnenzijde van het contact met het jukbeen. Op het achterhoofd steken de exoccipitalia beneden de tubercula basilaria uit. De achterhoofdsknobbel is schuin naar achteren en beneden gericht. Een buiging in het complex van de atlas en de draaier brengt de nek sterker onder het niveau van het achterhoofd. Latere vondsten zouden vaak aantonen dat deze eigenschappen ook bij andere soorten aanwezig waren. Zo werd de voornoemde buiging bij atlas en draaier in 2009 ook beschreven bij Shidaisaurus.

Skelet[bewerken | brontekst bewerken]

Schedel[bewerken | brontekst bewerken]

Een skeletmodel van Sinraptor dongi

De schedel van het holotype heeft een lengte van negentig centimeter. De algemene bouw ervan is relatief laag en langwerpig. De snuit heeft een lengte van tweeënvijftig centimeter. Bij de oogkassen wordt de grootste hoogte bereikt van drieëndertig centimeter. De schedel kenmerkt zich door een uitgebreide pneumatisering die heeft geleid tot een opvallende van buiten zichtbare uitholling van verschillende elementen.

Het neusgat is relatief klein en wordt niet bereikt door het bovenkaaksbeen, een erg basaal kenmerk. Een belangrijk deel van het zijvlak van de snuit wordt doorboord door een grote fenestra antorbitalis, drieëntwintig centimeter lang en twintig centimeter hoog. Dit venster wordt bereikt door het jukbeen. De oogkas is hoog en smal, licht ingesnoerd. Het onderste slaapvenster is groot en trapeziumvormig met een lange onderste beenbalk; die zou later ook beschreven worden bij Giganotosaurus. Het bovenvlak van de snuit staat duidelijk overhangend af van de zijvlakken. De zijranden zijn echter niet erg ruw. De richels op de snuit zijn zwak ontwikkeld. Het traanbeen heeft een laag hoorntje dat bij Currie die naam niet eens mocht hebben.

De praemaxillae vormen de in bovenaanzicht vrij spitse snuitpunt. Iedere praemaxilla wordt doorboord door een dozijn zenuwkanalen en aderkanalen. Het hoofdlichaam is flink hoog en maar iets lager dan hoog. In zijaanzicht loopt de snuitpunt vrijwel verticaal. De opgaande tak buigt ruim voor het neusgat naar achteren, tot een hoek van 40°, een kleine bolling vormend. Het grote foramen onder het neusgat loopt tussen de praemaxilla en het neusbeen. De interne vleugel staat laag. Achter de vier premaxillaire tanden liggen vier onvergroeide interdentaalplaten die naar achteren in hoogte toenemen. De snijrand van de premaxillaire tanden is iets naar binnen gedraaid maar dat levert geen echte D-vormige dwarsdoorsnede op.

Het bovenkaaksbeen heeft een lengte van tweeënveertig centimeter. Het wordt uitgehold door een gladde fossa rond de voorste fenestra antorbitalis. Direct aan de voorrand ervan, iets boven de voorste punt, ligt een kleinere opening, de fenestra maxillaris. Achter dit venster ligt een diepe pneumatische opening, de achterwand doorborend van een scheidende brede verticale beenrichel. Boven het venster liggen, in een langwerpige omvattende uitholling, nog eens drie grote diep instekende foramina, van elkaar gescheiden door lange gekromde beenrichels. De voorste is het grootst en vormt een verbinding met de interne holte van het bovenkaaksbeen. Twee meer naar achteren gelegen kleinere openingen zijn verbonden met de fenestra antorbitalis. Er is een grote interne vleugel onder een binnenste bolling van de interne holte met vier openingen aan de binnenwand. Er zijn vijftien maxillaire tanden. De interdentaalplaten zijn niet vergroeid. De achterste tak van het bovenkaaksbeen overlapt de voorste tak van het jukbeen zijdelings maar wordt zelf weer bovenaan door een uitloper van het jukbeen zijdelings overlapt. De voorste tak van het jukbeen wordt gepneumatiseerd via twee pneumatoporen in de uitholling rond de fenestra antorbitalis. De holten lopen door onder de oogkas en in de lange dunne opgaande tak naar het postorbitale. Die tak wordt door de neergaande tak van het postorbitale iets zijdelings overlapt, een basaal kenmerk. Van de achterste tak naar het quadratojugale is de onderste punt weer gevorkt zodat drie uitsteeksels ontstaan. Van de vork rust één tand tegen de onderkant van het quadratojugale terwijl een tweede een lang uitsteeksel vormt dat in een groeve in de binnenkant steekt.

Het neusbeen heeft een lengte van 515 millimeter. De neusbeenderen worden van voren ingekeept en overlapt door de praemaxillae. De raakvlakken van de neusbeenderen zijn vooraan wat afgerond en Currie vermoedde dat hier wat beweging mogelijk was ter absorptie van schokken. Boven de fenestra antorbitalis zijn er twee pneumatische openingen. Hoewel die slechts door achttien millimeter gescheiden zijn, lopen ze niet in elkaar door. De voorste leidt voorwaarts naar holten in de onderste en interne takken, de achterste achterwaarts naar het holle binnenste van het bot dat het bovenvlak vormt. Het L-vormige traanbeen heet een gewrongen neergaande tak die het bovenkaaksbeen niet bereikt. Achteraan heeft deze tak een bult in de oogkas, de bevestiging van het ligamentum suborbitale dat de oogbol ondersteunde. In de voorste tak bevinden zich grote pneumatische openingen. In de hoek tussen de twee takken ligt de gebruikelijke grote opening waarvan sommigen hebben gespeculeerd dat er een traanklier in lag; Currie wees erop dat de opening voorwaarts gericht is en het best verklaard kan worden als het gevolg van het binnendringen van een uitloper van de neusholte. De echter traanklieren zouden in kleine openingen in de achterrand gelegen hebben. Het prefrontale is kort en breed. Het voorhoofdsbeen is smal en vlak, de bovenrand van de oogkas bereikend. De beennaad tussen voorhoofdsbeenderen en de zeer korte wandbeenderen is verdikt, de uitholling rond het bovenste slaapvenster overhangend maar er is geen middenkam tussen de wandbeenderen. Daarentegen is er een zeer hoge en sterk voorwaarts gelegen nekkam. De voorste tak van het postorbitale vormt een dikke beenwal boven de achterste oogkas die naar voren bijna tot aan het traanbeen reikt. Aan de binnenzijde van die wal ligt een aparte, hoge maar smalle, richel die de buitenste begrenzing vormt van de voorste uitholling van het bovenste slaapvenster, welke fossa uitloopt over de buitenste tak van het voorhoofdsbeen. De achterste tak rust met een lange binnenste tak in een uitholling in de voorste tak van het squamosum in plaats van die met een buitenste tak zijdelings te overlappen zoals bij de meeste grote theropoden. Het squamosum heeft maar een korte interne tak.

Bij het achterhoofd is het achterhoofdsgat rond, geplaatst boven een grotere achterhoofdsknobbel in de vorm van een liggende ovaal. Het bovenste centrale element van het achterhoofd, het supraoccipitale, maakt een klein deel van de bovenrand van het achterhoofdsgat uit. Het helt sterk naar voren tot aan de dwarskam op de achterzijde van de wandbeenderen, van welke kam het een ondersteunende beenstijl vormt, wigvormig naar achteren uitstekend. De interne voorkant van het supraoccipitale wordt ingekeept door een neerwaarts uitsteeksel vanuit de middenlijn van de wandbeenderen. De zijkanten van het achterhoofdsgat worden gevormd door de exoccipitalia. Het basioccipitale levert een kleine bijdrage aan de onderrand van het achterhoofdsgat en vormt het grootste deel van de achterhoofdsknobbel. Dit element loopt naar onder uit in de vrij kleine en niet wijd uiteenstaande tubercula basilaria. De exoccipitalia reiken aan weerszijden tot onder deze uitsteeksels, wat uitzonderlijk is. De beennaad tussen exoccipitale en opisthoticum is van een uitsteeksel gescheiden door een inkeping. Meer naar voren hangen flinke processus basipterygoidei af. Deze lopen naar voren uit in twee beenwebben die een lange trog overwelven op de onderkant van het dolkvormig uitsteeksel van de voorste hersenpan. De trog wordt van achteren afgesloten door een dwarsrichel tussen de processus basipterygoidei. Daarachter ligt een uitholling op de onderkant, afgesloten door een tweede dwarsrichel. Daar weer achter ligt de gebruikelijke recessus basipterygoideus, afgesloten door een derde dwarsrichel, nu tussen de tubercula basilaria. Deze derde uitholling is relatief kort. Op de achterste zijkant van de hersenpan bevindt zich een groot foramen als uitgang voor de nervus trigeminus. De opening is verticaal ingesnoerd, volgens Currie het begin van een splitsing in een voorste en achterste doorgang voor de takken van de zenuw, zoals bij latere theropoden. Aangezien die echter niet direct verwant zijn, moet de toestand bij Sinraptor de terugkeer zijn naar een meer basale situatie en geen symplesiomorfie. Stukken van de stapes, de staafvormige gehoorbeentjes, zijn aangetroffen met een dikte van 1,7 millimeter.

In het verhemelte zijn de ploegschaarbeenderen op hun middelste lengte met elkaar vergroeid en hebben daar hun hoogste punt. Op hun gezamenlijke bovenzijden en onderzijden hebben ze lengtetroggen. Achteraan zijn ze gesplitst en vormen uitsteeksels die ook van troggen voorzien zijn, welke weer naar voren samenvloeien met de troggen op de middenlijn. In de troggen kunnen uitlopers van de verhemeltebeenderen hebben gelegen. Bij het verhemeltebeen heeft de tak naar het jukbeen een naar beneden gericht uitsteeksel. Tussen dit uitsteeksel en het hoofdlichaam bevindt zich een inkeping waarin de beennaad met het bovenkaaksbeen doorloopt. De tak naar het jukbeen raakt het traanbeen niet en steekt ook niet ver naar achteren uit. De tak wordt doorboord door een pneumatisch foramen dat toegang biedt aan een vertakkende holte die tot in de voorste tak doorloopt, die ver uitsteekt en een uitzonderlijk lang raakvlak vormt, niet bekend van andere Theropoda, met het eronder liggende ploegschaarbeen. Ook het ectopterygoïde is sterk gepneumatiseerd met een opening in de binnenste basis en in de onderste buitenzijde van de haak die contact maakt met het jukbeen. Het achterste pterygoïde is het langste bot van de schedel met vierenzestig centimeter lengte. Beide pterygoïden samen vormen een hoge welving van de muil. Slechts een dunnen beentong van het pterygoïde raakt de fenestra postpalatina en scheidt daar het verhemeltebeen van het ectopterygoïde. De onderste tak van het pterygoïde heeft een uitholling die doorloopt in de inzinking aan de basis van het ectopterygoïde; hier lag vermoedelijk een luchtzak in. De tak naar het quadratum is plaatvormig en relatief hoog, met een inkeping als kort contact met het epipterygoïde.

Tanden[bewerken | brontekst bewerken]

Er zijn vier premaxillaire, vijftien maxillaire en zestien dentaire tanden voor een totaal van zeventig in de kop. De tanden zijn vrij groot en lang. Bij een nog aanwezige rechtermaxillaire tand is de lengte van de kroon achtenzestig millimeter. Gevonden losse dentaire tanden hebben een kroonlengte van zo'n vier centimeter. De tanden zijn dolkvormig en zijdelings afgeplat. De tandbasis is iets minder dan half zo lang als de kroon verticaal lang is.

Onderkaken[bewerken | brontekst bewerken]

De onderkaak heeft een relatief groot buitenste zijvenster dat van achteren tongvormig uitsteekt en van voren ploegvormig. Het zijvenster maakt een zijgewricht mogelijk. De onderkaak kan daar naar buiten uitklappen, wat de punt van de onderkaken naar binnen trekt. Dat is een bij grote theropoden gebruikelijke aanpassing om een prooi naar binnen te werken. Volgens Currie kon bij Sinraptor het voorste deel van de onderkaak ten opzichte van de achterkant ook wat van voor naar achter glijden. Het dentarium of os dentale van de onderkaak is lang en laag. Beide dentaria zijn vooraan zwak verbonden in een symfyse. Het dentarium heeft aan de buitenzijde twee horizontale rijen openingen voor aderkanalen, waarvan de bovenste groter zijn en achteraan meer spleetvormig. De fossa Meckeliana aan de binnenzijde toont vooraan twee foramina. Twee van die openingen bevinden zich ook achteraan in de beenwand waar de groeve overgegaan is in een intern kanaal. De gescheiden tongvormige interdentaalplaten die de dentaire tanden van achteren versterken, zijn verbonden via een lengte groeve waarvan aftakkingen naar iedere tandkas lopen. Currie achtte een supradentarium aanwezig. Het spleniale is driehoekig en dun. Het omringt het zenuwkanaal van het foramen mylohyoideum volledig.

Het surangulare draagt een krachtige zijrichel met eronder twee foramina. Het angulare is licht gebogen en heeft een dikke onderrand. Het overlapt de buitenste onderzijde van het surangulare. Het prearticulare is een dunne beenplaat, aan beide uiteinden naar boven uitlopend. Naar achteren loopt het uit in een aantal vingervormige uitsteeksels. Enig spoor van een mogelijk antarticulare ontbreekt. Het articulare is langwerpig, ook naar voren toe, en eindigt achteraan in een lang retroarticulair uitsteeksel voor het openen van de muil, dat schuin naar achteren en buiten gericht is. De onderrand ervan is een dunne beenplaat.

Een paar tongbeenderen is bewaard die ongeveer een halve meter lang zijn. Ze zijn in de schacht het breedst op vijftien centimeter van de voorkant; naar achteren lopen ze taps toe in een punt, naar voren in een afgeplatte nog bredere en overdwars naar beneden geplooide beenplaat die weer in een smalle punt uitloopt.

Postcrania[bewerken | brontekst bewerken]

De indeling van de wervelkolom is onzeker. Er zijn drieëntwintig wervels vóór het heiligbeen. Afgaande op de vorm van de wervels zijn er negen halswervels; als de vorm van de ribben in acht genomen wordt tien.

Het intercentrum van de atlas heeft een diepe gladde uitholling om het tandvormig uitsteeksel te bevatten. Het heeft duidelijke uitsteeksels aan de onderste zijranden. De atlas lijkt geen ribben te hebben gedragen. Het is hecht verbonden met het intercentrum van de draaier. Daarvan ligt de onderzijde abrupt hoger dan de brede ongekielde onderzijde van het centrum van de draaier. De voorvlakken van beide elementen zijn schuin naar boven gericht. Ook het achtervlak van de draaier maakt een flinke hoek met de onderzijde. Volgens Currie bracht dat alles de schedel uniek afhangend op de nek. De draaier heeft per zijde een opvallende grote en voorwaarts gelegen pleurocoel. Die van de linkerzijde heeft een dubbele opening die tot in de wervelboog doorloopt. Op de rechterzijde loopt de pleurocoel echter dood. Het wervellichaam heeft gepaarde luchtkamers gescheiden door een dun tussenschot. Het doornuitsteeksel is schuin naar achter gericht. De epipofysen zijn lang. Tussen de epipofyse en het doornuitsteeksel loopt een richel die een diepe uitholling begrenst. Het zijuitsteeksel is matig lang. Het achterste gewrichtsuitsteeksel is groot en driehoekig, een hoek van slechts 20° makend met het horizontale vlak. De draaier heeft dunne dubbelkoppige nekribben.

De overige halswervels zijn opisthocoel: met het centrum bol van voren en hol van achteren. Ze worden ieder op de voorste zijkant doorboord door een pleurocoel, gelegen boven de parapofyse, het onderste ribfacet. De pleurocoelen lopen uit in grote luchtkamers, opnieuw gescheiden door een tussenschot. Ook de wervelboog is gepneumatiseerd. Er dringen per zijde drie holten het bot binnen: in de bases van het voorste gewrichtsuitsteeksel, het zijuitsteeksel en het achterste gewrichtsuitsteeksel. De epipofysen van de voorste wervels zijn krachtig gebouwd, vermoedelijk om de nek te ondersteunen, hoewel dit volgens Currie de neerwaartse beweeglijkheid verminderde. De doornuitsteeksels zijn matig lang. Op de vierde en vijfde wervel zijn ze tamelijk kort en naar achteren hellend, wat zou duiden op een sterkere kromming van de nek. Achteraan de nek zijn deze uitsteeksels duidelijk langer. De derde wervel heeft een nekrib met pneumatische openingen in het facet van het tuberculum en in de basis van de richel tussen tuberculum en capitulum, de ribkoppen. De openingen zijn niet intern verbonden. De nekribben versmallen plots onder het tuberculum, vermoedelijk waar ze de achterliggende ribben raken.

De eerste ruggewervel is opisthocoel, de tweede heeft een tussenvorm en de derde is amfiplat. De eerste vier ruggewervels hebben grote pleurocoelen achter de parapofyse. De eerste twee wervels zijn gekield voor de aanhechting van de musculus colli ventralis, de spier die nek en hoofd deed buigen. De eerste twee doornuitsteeksels zijn doornvormig; de derde is breder en de volgende zijn plaatvormig in zijaanzicht. Tot en met de tiende wervel nemen de doornuitsteeksels in hoogte toe. De eerste zes doornuitsteeksels hellen naar achteren, de zevende tot en met tiende staan haaks en de elfde twaalfde en dertiende hellen naar voren wat de rug als geheel een bolle kromming gaf. Alle ruggewervels hebben een hyposfeen-hypantrum-complex van secundaire gewrichtsuitsteeksels. Het hypantrum wordt onderaan versterkt door een opvallend uitsteeksel onder de voorste gewrichtsuitsteeksels. De wervelboog is sterk gepneumatiseerd. De richel tussen het voorste gewrichtsuitsteeksel en het zijuitsteeksel wordt bij de middelste wervels van onderen versterkt door twee of meer bijkomende richels naast de parapofyse. Bij de achterste ruggewervels vloeien die laatste richels samen tot één enkele beenplaat. De uitholling tussen de achterrand van het zijuitsteeksel en het achterste gewrichtsuitsteeksel loopt uit in kleinere kanalen die de wervelboog doorboren. De vijfde rib heeft een pneumatopoor.

Het heiligbeen bestaat uit vijf sacrale wervels. Die zijn bij het holotype niet vergroeid. De eerste sacrale rib raakt het wervellichaam van de eerste sacrale wervel niet. Die wervel is vermoedelijk een uit de rug "ingevangen" dorsosacraal. De verdere sacrale ribben overspannen de beennaden tussen de wervels.

Er zijn zeven staartwervels bewaard naast fragmenten van verdere wervels. De eerste wervel is niet gekield. Zijn achterste gewrichtsfacet ligt twee centimeter hoger dan het voorste wat de staartbasis naar boven gekromd zou hebben. Het zijuitsteeksel is naar achteren gekromd maar voorrand en achterrand houden een constante afstand. Het doornuitsteeksel is hoog en smal. Wellicht hadden de eerste en tweede wervel nog een hyposfeen en hypantrum. De tweede wervel heeft een dubbele kiel en een verbreed uiteinde van het zijuitsteeksel.

Fylogenie[bewerken | brontekst bewerken]

In 1994 werd Sinraptor in een eigen Sinraptoridae geplaatst. Latere studies gaven vaak een plaatsing in de Metriacanthosauridae, soms als zustersoort van Siamotyrannus. Het een sluit het ander niet strikt uit en mocht Metriacanthosaurus binnen de definitie van de Sinraptoridae vallen dan heeft Metriacanthosauridae zelfs prioriteit als familienaam.

Een mogelijke positie van Sinraptor in de evolutionaire stamboom toont het volgende kladogram.

Orionides 

Megalosauroidea


 Avetheropoda 
 Coelurosauria 

Lourinhanosaurus



overige Coelurosauria



 Allosauroidea 
 Allosauria 

Allosauridae


 Carcharodontosauria 

Neovenatoridae



Carcharodontosauridae




 Metriacanthosauridae 
Yangchuanosaurus

Y. zigongensis


 Y. shangyouensis 

CV 00214



CV 00215 & CV 00216




 Metriacanthosaurinae 

Shidaisaurus




Metriacanthosaurus




"Sinraptor" hepingensis




Sinraptor dongi



Siamotyrannus










Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

  • Anderson, A.M., 1987, "Chinese dinosaur dig strikes bonanza", New Scientist 1584: 25
  • Anderson, A.M., 1987, "Chinese unearth a dinosaurs' graveyard", New Scientist 1586: 28-29
  • P.J. Currie and X.-J. Zhao, 1994, "A new carnosaur (Dinosauria, Theropoda) from the Jurassic of Xinjiang, People's Republic of China". Canadian Journal of Earth Sciences 30(10-11): 2037-2081
  • Gao Y., 1999, A complete carnosaur skeleton from Zigong, Sichuan. Sichuan Science & Technology Press, Chengdu. 80 pp
  • Currie, P.J., 2006, "On the quadrate of Sinraptor dongi (Theropoda: Allosauroidea) from the Late Jurassic of China", In: Csiki (ed.). Mesozoic and Cenozoic Vertebrates and Paleoenvironments: Tributes to the career of Professor Dan Grigorescu. Ars Docendi. pp 111-115
  • Arinana Paulina-Carabajal and P.J. Currie, 2012, "New information on the braincase of Sinraptor dongi (Theropoda: Allosauroidea): Ethmoidal region, endocranial anatomy, and pneumaticity", Vertebrata PalAsiatica 50(2): 85-101