Naar inhoud springen

Sint-Nicolaaskapel (Nijmegen)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Sint-Nicolaaskapel
De kapel in 2018
De kapel in 2018
Locatie
Land Vlag van Nederland Nederland
Plaats Nijmegen, Benedenstad
Adres Voerweg 1Bewerken op Wikidata
Coördinaten 51° 51′ NB, 5° 52′ OL
Gewijd aan Nicolaas van Myra
Status en tijdlijn
Gebouwd in ca. 1000
Monumentale status Rijksmonument (17 april 1973)Bewerken op Wikidata
Monument­nummer 31192
Kerkprovincie en -genootschap
Denominatie katholicismeBewerken op Wikidata
Portaal  Portaalicoon   Christendom

De Sint-Nicolaaskapel of Valkhofkapel in de Nederlandse stad Nijmegen, vooral vroeger ook Karolingische kapel of Heydense kapel genoemd[1], is een middeleeuwse stenen kapel. Ze is gelegen aan de Voerweg op de Valkhofheuvel, aan de rand van het centrum van de stad.

De kapel is – volgens de nieuwste inzichten – zeer waarschijnlijk gebouwd in de eerste helft van de 11e eeuw. Vanaf het midden van de 12e eeuw stond hier ook de Valkhofburcht van keizer Frederik Barbarossa. Hoewel de Nicolaaskapel meestal als een van de overblijfselen daarvan wordt gezien, is niet helemaal duidelijk of en in hoeverre de kapel zelf bouwkundig echt deel uitmaakte van de burcht.

Tegenwoordig is de Sint-Nicolaaskapel het oudste nog bestaande gebouw van Nijmegen, en tevens een van de oudste stenen gebouwen in heel Nederland.[1] Op het Valkhof – dat tegenwoordig een stadspark is – bevinden zich ook nog de resten van de apsis van de Sint-Maartenskapel: de Barbarossa-ruïne, een ander overblijfsel van de burcht.

Oorsprong: mogelijke stichters, verschillende dateringen

[bewerken | brontekst bewerken]

Fabels, mythen en legendes rond de bouw

[bewerken | brontekst bewerken]

De ouderdom van de kapel zelf is gedurende een aantal eeuwen – vooral door Nijmeegse en sommige Duitse historici – veel te hoog ingeschat. De oorzaak was een combinatie van foutieve aannames, het herhaaldelijk verkeerd leggen van historische en archeologische verbanden en mythologisering van bepaalde zaken. Ook omtrent degene die de kapel heeft gesticht zijn verschillende theorieën opgevoerd, maar voor geen hiervan is tot nog toe enig rechtstreeks ondersteunend bewijs gevonden.

Eeuwenlang werd algemeen aangenomen dat de kapel al uit de oudheid dateerde. Het idee was populair (ook onder invloed van de "Bataafse mythe") dat het bouwwerk in de basis Bataafs was; Oppidum Batavorum (de hoofdstad van de Bataven) had immers ook in de nabijheid van het Valkhof gelegen.[2] De 15e-eeuwse chroniqueur Willem van Berchen dateerde de bouw van de Nicolaaskapel in de 1e eeuw na Christus. Zijn theorie was dat het hier eigenlijk om een Romeinse tempel ging, die door Julius Caesar in eigen persoon was gesticht ter ere van vier gestorven consuls. Dit idee, hoewel gebaseerd op louter fantasie en verkeerde interpretaties, is daarna gedurende meerdere eeuwen vrij algemeen aanvaard geweest in de Nijmeegse geschiedschrijving. Naar aanleiding van een in de kapel ingemetselde Romeinse grafinscriptie situeerde Van Berchen de bouw van de kapel meer specifiek in de tijd dat het Romeinse Legio X Gemina (het Tiende Legioen) hier gelegerd was (vanaf het jaar 71, na de Bataafse Opstand). Van Berchen noemt deze steen in zijn omstreeks 1465-1470 geschreven kroniek De nobili principatu Gelrei et eius origine.[3]:36 (zie verder onder #Romeinse grafsteen).

Een belangrijke reden dat bij de afbraak van de burcht in 1796-1797 de Nicolaaskapel gespaard bleef, is dat In de Betouw nog eens herinnerde aan het toen gangbare idee dat het best een tempel van Julius Caesar zou kunnen zijn.[4][2][5] Omstreeks 1825 werd er nog eens een variant op dit verhaal verspreid door Cornelis ten Hoet, een notaris uit Ubbergen.[6] Het vermeende afgodstempeltje zou wellicht zijn gebouwd door enkele Romeinen die zich van de rest afkeerden. De Nicolaaskapel en de Sint-Maartenskapel zouden enkele eeuwen later, in 799, door de uit Rome gevluchte paus Leo III zijn omgevormd tot christelijke bouwwerken. Leo III zou dit op verzoek van Karel de Grote hebben gedaan.[7][8][2] Korte tijd nadat Hoet dit verhaal opnieuw oprakelde, is het door Van Schevichaven volledig naar het rijk der fabelen verwezen.[9]:45-47

Gerardus Geldenhouwer, die een collega-historicus en tijdgenoot was van Van Berchen, ging mee in veel van diens aannames. Zowel Johannes Smetius als ca. anderhalve eeuw later diens achter-achterkleinzoon Johannes in de Betouw hielden de Nicolaaskapel voor een iets jonger bouwwerk, dat dateerde uit de laat-Romeinse tijd. De kapel zou volgens deze visie aan het eind van de 4e of in de 5e eeuw gebouwd zijn. Tevens zou het een voorbeeld van Romeinse afgoderij zijn. Ook deze verklaring geldt inmiddels als volledig gefalsifieerd.[9]:41-42

Herhaaldelijk bijgestelde dateringen

[bewerken | brontekst bewerken]

De 19e-eeuwse archeoloog Caspar Reuvens was de eerste die de vermeende Romeinse oorsprong van de Nicolaaskapel serieus in twijfel trok; hij dateerde de bouw van de kapel in de 8e of 9e eeuw. De bouwstijl van de Sint-Nicolaaskapel is vooral in de 19e eeuw zodoende vaak gehouden voor een typisch voorbeeld van Karolingische bouwkunst.[10][1]. Vooral Duitse archeologen uit deze tijd waren erg voor dit idee geporteerd, onder wie Jacob Burckhardt en Konrad Plath.[11]:45 De kapel werd daarbij, onder meer vanwege de locatie, aangezien voor een restant van de 8e-eeuwse Valkhofpalts van Karel de Grote. Hierbij speelden ook de opvallende bouwkundige overeenkomsten met de Akense paltskapel (een restant van de Akense koningspalts) mee, zoals de achthoekige binnenmuur die aan de dom van Aken doet denken.[12] In dat geval zou de Nicolaaskapel veruit het oudste nog bestaande bouwwerk in het huidige Nederland zijn geweest. Men meende dat de kapel zelf iets later was gebouwd dan de eigenlijke palts, en in de palts zou zijn geïntegreerd. Guyot stelde dat Karel de Grote omstreeks het jaar 800 persoonlijk opdracht tot de bouw van de kapel zou hebben gegeven.[13]

Als nog een andere mogelijke bouwperiode gold het eind van de 10e eeuw. Aanvankelijk zou de kapel dan nog even deel hebben uitgemaakt van de 8e-eeuwse palts die in 1047 werd verwoest, om ca. een eeuw later te worden geïntegreerd in de omstreeks 1155 voltooide burcht van Barbarossa.[14]

De abdis van het Sticht Essen, Theophanu van Essen, is ook nog genoemd als de mogelijke stichteres, met als hoofdreden de opvallende en voor Nederlandse bouwwerken ongebruikelijke achthoekige binnenbouw. Theophanu van Essen zou de Nicolaaskapel dan hebben laten bouwen ter herinnering aan haar grootmoeder en naamgenote: de van oorsprong Byzantijnse prinses Theophanu (later keizerin van het Heilige Roomse Rijk). Laatstgenoemde overleed, zo maakt men tenminste op uit de annalen hierover, in 991 tijdens een verblijf op het Valkhof.[2][15][16] Keizerin Theophanu was een groot vereerder van de heilige Nicolaas van Myra. De mogelijkheid dat zij zelf degene was die opdracht gaf om de kapel aan deze heilige te wijden, wordt echter door Wolfert S. van Egmond in het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland als onjuist afgedaan.[17][noten 1] Volgens nog een andere theorie, onderschreven door onder meer Elizabeth den Hartog, werd de kapel gebouwd rond 996, onder Otto III.[18] Otto III was de zoon van de hiervoor genoemde Theophanu, en hij zou in dat geval de kapel te harer nagedachtenis hebben opgedragen.[19] Hij was tevens degene geweest die bij de Abdij van Burtscheid (bij Aken) de allereerste aan Nicolaas van Myra gewijde kapel in het deel van Europa boven de Alpen had laten bouwen. Er gaat verder ook nog een verhaal dat Otto III in 980 werd geboren in het Ketelwald/Reichswald, niet ver van Nijmegen, terwijl zijn moeder onderweg was van Aken naar de Valkhofpalts. Hij had dus in dat geval al vanaf zijn geboorte een sterke band met die laatste plek. Dit alles maakte het voor de hand liggend om Otto III ook aan te wijzen als de stichter van de Nicolaaskapel aan het Valkhof.[20]:65

De architect en ingenieur Jan Jacob Weve (1852-1942), die omstreeks 1910 het Valkhofterrein grondig bestudeerde, wees daarentegen keizer Koenraad II aan als de mogelijke bouwer. Weve baseerde deze aanname op stilistische vergelijkingen en op de veronderstelling dat Koenraad II met Pasen het Valkhof had bezocht.[3]:25-26 Door de bank genomen wees Weves onderzoek uit dat de kapel zeer waarschijnlijk niet eerder dan medio 10e eeuw was gebouwd. Datering van de bouw in het Karolingische tijdperk, waar men tot dan toe nog vrij algemeen van was uitgegaan, leek hiermee nu dus uitgesloten.

Dateringen vanaf 1030

[bewerken | brontekst bewerken]

Nog verder verbeterde inzichten wezen uit dat de kapel iets na het jaar 1000 moest zijn gebouwd.[15] J.J.F.W. van Agt was de eerste onderzoeker die 1030 als het meest waarschijnlijke bouwjaar noemde. Hij baseerde dit op vergelijkingen van de terlingkapitelen, basementen en imposten[2]:36-37 In 2007 concludeerden onderzoekers van de Technische Universität Berlin en de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht na een nieuwe studie dat de bouw meer precies in het tijdvak 1030-1040 gedateerd moest worden: de tijd waarin veel kerken in romaanse stijl zijn verrezen. Ook werd geconcludeerd dat het dak van de kapel eind 14e eeuw was vervangen; houtmonsters wezen uit dat de benodigde bomen hiervoor in 1393-1394 moesten zijn gekapt.[21]

Andere onderzoekers die de Nicolaaskapel sinds de 20e eeuw hebben bestudeerd – onder wie Aart Mekking – dateren de bouw veelal nog iets later, op z'n vroegst omstreeks 1050.[22] De blindbogen aan de buitenkant en de teerlingkapitelen lijken ook nog aanwijzingen hiervoor.[23]:115 Ook Sandra Langereis stelde dat de kapel enkele jaren na 1047 (dus pas na de verwoesting van de palts) moest zijn gebouwd, waarbij een deel van het oudere nog aanwezige bouwmateriaal op deze plek zou zijn hergebruikt.[11]:45 Hylke Roodenburg, een Nijmeegs geograaf en bouwhistoricus, dateert de bouw eveneens pas na 1047.[24]:77 Ook Keizer Hendrik III is nog genoemd als mogelijke opdrachtgever voor de bouw, indien de kapel inderdaad pas wordt gedateerd rond 1050.[12] Als in ditzelfde verband wordt bedacht dat de kapel overduidelijk gewijd is aan Nicolaas van Myra, vallen Hendrik II en Koenraad II in ieder geval af als mogelijke opdachtgevers; zij hadden nog geen affiniteit met de Nicolaascultus, die pas iets later zou doordringen in deze streken van Noordwest-Europa.[23]:114

Oudst bekende vermeldingen

[bewerken | brontekst bewerken]

De kapel wordt voor zover bekend in 1258 voor het eerst schriftelijk vermeld als "keizerlijke kapel" (capella Imperatoris), in een aantekening van het Aartsdiakonaat Xanten (Liber procurationem et petitionem).[23]:112 In de 16e eeuw is hier nog een zin toegevoegd waarin de hertog van Gelre wordt genoemd.[3]:35-36

De oudst bekende vermelding van de wijding aan bisschop Nicolaas van Myra dateert uit 1470.[15][17] Ook in de 16e eeuw wordt de kapel expliciet benoemd als "Sint-Nicolaaskapel" (Est ibi (Noviomagi) capella S. Nicolai in castro [...])[25]:258[26]

Prent (gemaakt vóór 1915) van het interieur van de kapel

In 1250 waren er twee kapelaans aan de kapel verbonden, genaamd Andreas en Ghiselbertus.

Hertogin Katharina van Kleef moet de kapel minimaal één keer hebben bezocht, omstreeks 1470-1471.[27] In deze tijd waren er drie altaren. Katharina stichtte op 19 maart 1470 vier erfelijke missen, om op te dragen aan het altaar van Alexis.[25]:239[28]

De hiervoor genoemde Weve concludeerde bij zijn onderzoek dat de kapel van de 15e tot en met de 17e eeuw nog vrij grondig moet zijn verbouwd. De oorspronkelijke romaanse kapel moet namelijk omstreeks het begin van de 15e eeuw aanzienlijke schade hebben geleden als gevolg van belegeringen, waarna ze deels werd heropgebouwd in een veel meer gotisch getinte stijl. De oorspronkelijke tufstenen muren en romaanse rondbogen werden grotendeels vervangen door spitsbogen. De achthoekige kern werd hoger gemaakt, zodat deze nu als uitkijktoren kon fungeren.[24]:78 De oorspronkelijke grondvorm van de kapel bleef wel behouden, en ook de ingang bleef min of meer ongewijzigd.[9]:43[2]

In 1545 is de kapel geheel gewit, blijkens rekeningen van de burggraaf.[3]:25-26

In 1564 (tijdens het regime van Karel V) werd de Nicolaaskapel (samen met de rest van de burcht) grondig gerestaureerd en voorzien van heilige vaten en misgewaden.[25]:40

Anna van Oostenrijk bracht in 1570 een bezoek aan de burcht. Vermoedelijk in verband met haar bezoek zijn er in die tijd in de muur van de Nicolaakapel fresco's aangebracht, waarvan een deel nog steeds zichtbaar is.[29]

Nadat Jan van Nassau in 1578 op de burcht was ingehuldigd als de nieuwe Gelderse stadhouder, verbood hij de uitoefening van het katholieke geloof. De Nicolaaskapel verloor hierdoor haar religieuze functie. Het werd nu onder meer een opslagplaats voor brandhout en een kolenhok.[11]:49[16]

Oorspronkelijk hingen er ook twee klokken in de kapel, die in 1674 door het stadsbestuur werden overgebracht naar de kerktorens van Neerbosch en Hees.[25]:239

De kapel is het enige nog bestaande voorbeeld van (deels/oorspronkelijk) romaans-byzantijnse centraalbouw in het huidige Nederland, naar voorbeeld van de kapel in Aken (het oudste deel van de Dom van Aken). Dat de uit 796 daterende Karolingische paltskapel te Aken daadwerkelijk als voorbeeld moet zijn genomen bij de bouw van de Sint-Nicolaaskapel wordt onder meer opgemaakt uit de bijzondere zestienhoekige vorm aan de buitenkant. In het midden van de kapel bevindt zich een open achtzijdige ruimte. Deze achthoekigheid van de binnenruimte is een van de typische kenmerken voor de Byzantijnse bouwcultuur. Via Theophanu is deze bouwcultuur in de tijd waarin ook de kapel is gebouwd, in enige mate naar de Lage Landen gebracht.[15][24]:78 Dergelijke typisch Byzantijnse bouwwerken zijn op het huidige Nederlandse grondgebied voor de rest erg zeldzaam.[1]

Ze bestaat grotendeels uit tuf- en baksteen. Voor het muurwerk is onder meer Römer tufsteen gebruikt. Het muurwerk aan de buitenkant moet enkele malen zijn gewijzigd, terwijl de achtzijdige kern van het gebouw werd verhoogd met een verdedigingstoren. Er is een galerij aan de binnenkant, die alleen per ladder bereikbaar is.[10] Boven deze galerij lijkt aanvankelijk een houten plafond te zijn geweest. Tijdens de herbouwingen vanaf de late middeleeuwen moeten de buitenmuren aan de zuid- en oostzijde opnieuw zijn gemetseld.[1][30][3]:35 De ingang bevindt zich in de uitbouw aan de westzijde.[24]:78

De Nicolaaskapel zou los van de rest van de burcht kunnen hebben gestaan; uit overgeleverde afbeeldingen valt dit niet met zekerheid op te maken.[11]:132 Vooral de bovenbouw lijkt enige brandschade te hebben.[2]

Hergebruikte Romeinse onderdelen

[bewerken | brontekst bewerken]

De kapel bevat een aantal hergebruikte Romeinse bouwelementen, zoals dakpannen en bakstenen, waarop nog steeds het merkteken van het Tiende Legioen is te zien.[2]

Romeinse grafsteen

[bewerken | brontekst bewerken]

Boven het portaal van de kapel was oorspronkelijk een Romeinse grafsteen ingemetseld, die volgens schattingen dateert uit de periode 96-104.[31] Deze grafsteen was gemaakt voor een omgekomen Romeinse veteraan uit het hier aanwezige Tiende Legioen, genaamd Julies Pudens.[2] Het lijkt waarschijnlijk dat de grafsteen oorspronkelijk deel uitmaakte van een veel groter Romeins grafmonument, dat moet hebben gestaan aan een van de uitvalswegen die door de Romeinen werden gebruikt.[2] Ene Julius Junius, die de zoon was van Julius Pudens, moet de grafsteen hebben laten maken.

De inscriptie wordt afgesloten met de Latijnse afkorting HFC, Heres Faciendum Curavit ("de erfgenaam heeft deze steen laten maken"). De grafsteen is in 1670 (de tijd dat er steeds meer bouwmaterialen van het Valkhofterrein weg werden gehaald) overgebracht naar het stadhuis waar hij opnieuw is ingemetseld.[32]:68 Tegenwoordig is de steen te bezichtigen in het Valkhof Museum. Van Berchen interpreteerde deze afkorting geheel foutief als haec figura caesara. Hij trok op basis daarvan de volledig onjuiste conclusie dat het hier om het zegel van Julius Caesar moest gaan. Bijgevolg werd Caesar door Van Berchen gehouden voor de bouwer van de kapel, bij uitbreiding van de hele Valkhofburcht en vervolgens zelfs voor de stichter van heel Nijmegen, een misvatting die hierna enige tijd standhield.[33]

Het monogram is in 1982 uiteindelijk ontcijferd als opto sit tibi terra levis ("ik wens dat de aarde voor jou licht is"), een Latijnse standaardspreuk.

Het gebouw is in 1973 opgenomen in het rijksmonumentenregister.

De kapel wordt tegenwoordig onder andere gebruikt door de Grieks-Orthodoxe Kerk, exposities en literaire voordrachten. Sinds 2010 worden er tijdens de Vierdaagseweek onder de naam 'kapelsessies' kleinschalige muzikale optredens opgenomen.

In Madurodam staat een 1:25 schaalmodel van de Sint-Nicolaaskapel.

Zie de categorie Sint-Nicolaaskapel (Nijmegen) van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.