Sinteren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Bij het sinteren verhit men materiaalkorrels tot op een temperatuur waarop ze net niet smelten. Op die manier groeien de contactpunten tussen de korrels, waardoor een zeer hard materiaal kan ontstaan. Er zijn bijvoorbeeld slechts weinig stoffen (onder andere diamant) die harder zijn dan gesinterde wolfraamcarbide (Widia, afkorting voor het Duitse "wie Diamant"). Zie hardheidsschaal van Mohs.

Types[bewerken]

Bij solid-state sintering wordt geen vloeistof gebruikt: een poeder wordt hier via een bakproces omgezet. Liquid-phase sintering is een complexer proces waarbij op de baktemperatuur een gedeelte van het materiaal vloeibaar is. Deze vloeistof zal, door capillariteit, trachten om alle spleetjes en poriën tussen de niet-gesmolten partikels op te vullen.

Gebruik[bewerken]

IJzererts[bewerken]

Sinter van ijzererts

Na de Tweede wereldoorlog werd minder stukerts aangeboden en nam het aanbod van fijnerts toe. Deze laatste kon niet direct in de hoogovens worden gebruikt omdat het de stroom van hete lucht in de hoogovens blokkeerde. Het fijnerts werd met behulp van een brandstof tot vuistgrote, poreuze brokken aaneengebakken. In de hoogoven kon de hete lucht de sinter passeren en raakten de luchtkanalen niet verstopt. Door te sinteren konden diverse fijnertsen worden gebruikt waardoor de afhankelijkheid van het schaarsere en duurdere stukertsen verminderde. De eerste sinterbanden werden in 1911 in de Verenigde Staten toegepast en de eerste sinterband in Europa volgde drie jaar later. In Nederland werd de eerste sinterband door Koninklijke Hoogovens in 1956 in gebruik genomen. Dankzij de lagere kosten voor ertsen en de hogere productie van de hoogovens werd in 1958 een tweede sinterband in IJmuiden gebouwd. Naast sinter worden tegenwoordig ook pellets toegepast voor de ijzerproductie in hoogovens.

Zie ook[bewerken]