Sippenhaftung

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De Sippenhaftung (Duits, ongeveer 'aansprakelijkheid volgens verwantschap'; ook: Sippenhaft) is een collectieve aansprakelijkheid van bloed- of aangetrouwde verwanten voor een misdaad die een familielid heeft begaan, zonder dat zij daarbij betrokken waren of weet van hadden. De term stamt uit de Oud-Germaansrechtelijke traditie, en betekent in zijn uiterste vorm ook familie-, bloed- of groepswraak.[1][2]

Germaanse traditie[bewerken | brontekst bewerken]

Bij heidense Germaanse stammen was Sippenhaftung volkomen normaal.[bron?] Men mocht wraak nemen op familieleden, echtgenoten of stamleden van de dader. Het idee erachter was dat de stamleden elkaar in de gaten zouden houden om te voorkomen dat een van hen ontoelaatbaar gedrag zou vertonen. Het leidde echter vaak tot stamvetes die letterlijk hele volksstammen konden uitroeien. Met de toename van het centraal gezag zag men in dat dit inefficiënt was, en werd Sippenhaftung verboden.

In juli 1933 werd deze traditie nieuw leven ingeblazen: Na een artikel in de New York Times van Philipp Scheidemann (degene die op 9 november 1918 in Duitsland de republiek uitriep) werden vier verwanten van hem door de Gestapo gearresteerd. Ook na latere verzetsactiviteiten (de aanslag door Johann Georg Elser (1939), de vlugschriften van de informele verzetsgroep de Weisse Rose (1943), de aanslag door Claus Schenk Graf von Stauffenberg en zijn medestanders (1944)) werd deze rechtsregel toegepast. Pas nadat Nazi-Duitsland door de geallieerden was verslagen werd deze praktijk opnieuw afgeschaft.[3]

Andere contexten[bewerken | brontekst bewerken]

In sommige niet-Westerse, sterk collectief gerichte culturen, werd dezelfde praktijk als iets volkomen normaals beschouwd en ook door niet-totalitaire regimes toegepast, bijvoorbeeld in Japan tot midden in de 19de eeuw.

Het Oude Testament bevat voorbeelden in Daniël 6:24 (of 6:25, er zijn verschillende nummeringen) en in Esther 8:14. Zie ook Exodus 20:5, 34:7 en Numeri 14:18, waarin de kleinkinderen en achterkleinkinderen moeten boeten voor hun voorouders.

De traditie was heel taai in de Balkan, vooral bij de Albanese bergstammen, en veel Oosterse tribale (berg)streken, zoals Koerdistan. Ook de Iraakse president-dictator Saddam Hoessein hanteerde Sippenhaftung. Wie zich tegen hem keerde, liep ook het risico dat zijn hele (mannelijke) familie vermoord zou worden. De zonen moesten dood, zodat ze niet konden opgroeien en een vete beginnen. De broers moesten sterven, zodat ze geen wraak konden nemen. En ook de vader moest dood, zodat er geen "besmet zaad" meer was.

Stalin en Mao stelden familie van degenen die ze lieten oppakken niet terecht, maar legden hen wel vaak gevangenis- en kampstraffen op. In de wat mildere gevallen werden familieleden niet vervolgd, maar raakten toch vaak hun banen kwijt.