Slag bij de Twee Rivieren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De Slag bij de Twee Rivieren (bij de Engelsen bekend als de Battle of Modder River) vond plaats op 28 november 1899 tijdens de Tweede Boerenoorlog bij de samenvloeiing van de Modderrivier en de Rietrivier nabij de rijksweg N12; iets ten zuiden van Kimberley

Vooraf[bewerken | brontekst bewerken]

Na de veldslagen bij Graspan en Belmont merkte generaal Koos de la Rey op dat de oude Boerenstrategie om heuvels te veroveren niet langer een duurzame strategie was, aangezien de toppen niet alleen binnen het bereik van de Britse kanonnen waren, maar ook uitstekende doelen voor de artillerie. Bovendien boden de steile hellingen van de heuvels ook een goede dekking voor de aanvallers, zodra ze de voet van de heuvel bereikten. Hij realiseerde zich dat een vlakke ondergrond een veel betere beschutting kon bieden en ook een effectiever schietbereik bood aan de moderne geweren. Koos de la Rey had ook, in tegenstelling tot de gebruikelijke gewoonte, de voorkeur om rivieren als obstakel te gebruiken. Hij had daarom zijn manschappen aan de zuidkant laten ingraven. Ongeveer 50 tot 100 meter van de rivieroever. Generaal De la Rey had samen met generaal Piet Cronjé ongeveer 3500 tot 4000. Ze hadden zes Krupp-kanonnen en minstens vier ‘pom-pom’-machinegeweren bij zich. De Britse troepen bestonden uit ongeveer 10.000 man met drie artilleriebatterijen en vier zware 12-pond scheepskanonnen.

De aanval[bewerken | brontekst bewerken]

Omstreeks 04.00 uur in de ochtend van de 28e marcheerde de Britse strijdmacht naar de brug over de Modderrivier (de spoorbrug loopt nog steeds op dezelfde plek over de rivier en vandaag is daar nog steeds een replica van een flatgebouw te zien). Luitenant-generaal lord Methuen, die de krachten van de Boeren op de heuvel verwachtte, liep regelrecht in de val van de Boeren. Het vuurgevecht tussen de twee strijdkrachten duurde 10 uur. De Britten zaten aanvankelijk vast op het open veld, maar een aanval op de rechterflank van de Boeren was succesvol en dwong de Boeren zich terug te trekken. De Britse verliezen waren 70 doden en 413 gewonden. Lord Methuen zelf raakte tijdens het gevecht gewond aan de rechterheup. Aan de kant van de Boertroepen werden 16 soldaten gedood, 66 gewond en 13 mannen gevangengenomen. Eén van de slachtoffers was Adriaan, de oudste zoon van Koos de la Rey, die dodelijk gewond werd door een granaat.

Lord Methuen meldde dat de strijd "een van de zwaarste en meest beproevende gevechten in de annalen van het Britse leger" was geweest. Hoewel de verliezen niet bijzonder hoog waren, vooral omdat de Boeren het vuur voortijdig openden, was het duidelijk dat een simpele frontale aanval door infanterie op een vijand die alleen geweren gebruikt, feitelijk onmogelijk was. De Britten moesten tien dagen pauzeren om hun slachtoffers te evacueren, verdere versterkingen te ontvangen en hun communicatielijnen te herstellen. Door dit uitstel konden de Boeren de loopgraven en muren bouwen die ze moesten verdedigen in de Slag bij Magersfontein.