Slop

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Slop in Amsterdam, 1900

Een slop was het doodlopende einde van een smalle steeg of gang waaraan een tot eenkamerwoningen verbouwd pakhuis, werkplaats of stal was gelegen. De mensen leefden er zeer dicht op elkaar in de soms wel 10 tot 12 woninkjes per slop.[1]

In de Europese steden werden - vooral in de 19e eeuw ten tijde van de snelle en ongecontroleerde industrialisatie - grote aantallen van deze sloppen aangelegd achter de huizen die aan de doorgaande straten lagen. Deze onderkomens vormden dus letterlijk een achterbuurt.

Nederland[bewerken]

In steden als Amsterdam, Rotterdam en Den Haag (Scheveningen) waren beruchte sloppenwijken ontstaan. In hun tijd bekende boeken als Krotten en sloppen (1901), waarin de socialist Louis M. Hermans verslag deed van zijn onderzoek naar de woonomstandigheden in de Amsterdamse Jodenbuurt, en de romanserie Kinderen der sloppen (1923-1930) van de schrijfster J.P. Zoomers-Vermeer vestigen de aandacht op de slechte leefomstandigheden. M.J. Brusse schreef een journalistiek verslag getiteld Het rosse leven en sterven van de Zandstraat (1912) over de krottenwijk rond de Zandstraat te Rotterdam.

Ook in de dorpen kwamen sloppen voor. Er heerste een ongezond leefklimaat, hetgeen in Nederland uiteindelijk resulteerde in het aannemen van de Woningwet 1901. In het vervolg konden krotten door een gemeentebestuur onbewoonbaar worden verklaard. Het duurde in Nederland echter nog tot circa 1970 voordat alle slopwoningen verlaten waren.

Heden[bewerken]

Sloppenwijken zijn vooral in niet westerse landen nog een veel voorkomend verschijnsel. De gebrekkige woningen zijn meestal slechts via nauwe doorgangen bereikbaar. Deze zijn vaak niet breder dan 50 cm tot 1,5 meter.

Zoek dit woord op in WikiWoordenboek