Smartlap

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De oorspronkelijke "smartlap": een vastendoek
19e-eeuwse afbeelding van een liedzanger met een smartlap

Smartlap is een benaming voor het levenslied en dan vooral voor die vormen van het levenslied waarin een larmoyante geschiedenis wordt verteld. De benaming was oorspronkelijk neerbuigend bedoeld.[1]

Het woord kwam in zwang aan het begin van de jaren zestig toen velen naar aanleiding van de successen van de Zangeres Zonder Naam een weerzin opbouwden tegen het genre. Deze niet-liefhebbers spraken badinerend van een smartlap, naar analogie van de Duitse woorden Schmachtlappen (zwijmelaar) en Schmachtfetzen (sentimenteel lied). Deze woorden betekenen letterlijk 'smachtlap'. Het zijn oorspronkelijk bijnamen voor de in de katholieke liturgie gebruikte vastendoek. Met zo'n doek, waarop het lijden van Christus staat uitgebeeld, wordt tijdens de vastentijd het altaar afgedekt.

Smartlappen, roldoeken en troubadours[bewerken]

De vroegste bekende vermelding van het woord smartlap is te vinden in een editie van De Tijd / De Maasbode van 12 maart 1960.[2] In 1973 definieerde de Winkler Prins smartlap als: "een ironische benaming die in de jaren zestig in zwang kwam voor wat men vroeger aanduidde met levenslied."

Er dook ook een alternatieve verklaring voor het woord op. In zijn boek Huilen is voor jou te laat (2002) vertelt variété-kenner Jacques Klöters hoe hij in 1976 als medewerker van de kermistentoonstelling in het Toneelmuseum in Amsterdam, een met een bloederig tafereel beschilderd zeil voorzag van de toelichting 'Rollied (ook: Smartlap)'. De vaststelling dat het hier om een rollied of roldoek ging was juist. Dergelijke roldoeken werden vanaf de 17e eeuw door straatzangers gebruikt om hun gezangen te illustreren. Er werden gruwelijke verhalen over moord en doodslag op verbeeld. Het woord 'smartlap' werd echter nooit voor deze doeken gebruikt, zo blijkt uit een artikel van Carel Jansen en Marijke Meijer Drees (2006). De reden dat Klöters de twee begrippen toch gelijkstelde was dat het hem 'een plausibele verklaring' leek. Die plausibele, maar feitelijk onjuiste woordverklaring werd eerder ook al gegeven door de leiding van het toenmalige Utrechtse Museum van Speeldoos tot Pierement (Romke de Waard en Jules Jongenelen) in een interview in NRC Handelsblad van 8 maart 1971.[bron?]

In het Nationaal Museum van Speelklok tot Pierement worden roldoeken nog steeds ten onrechte als "smartlap" aangeduid, en de associatie van de twee woorden werd ook voldoende gangbaar om door de Dikke Van Dale te worden overgenomen. De smartlap wordt, als uitbreiding van deze pseudo-etymologie, vaak gepresenteerd als een vorm van typisch Nederlandse folklore die terug te voeren zou zijn op middeleeuwse troubadours. Ook zij zouden namelijk, volgens sommige varianten op het verhaal, gebruik hebben gemaakt van roldoeken c.q. 'smartlappen' om hun liederen te illustreren.

In de jaren negentig groeide het woord smartlap met de opkomst van smartlappenkoren en smartlappenfestivals uit tot een geuzennaam. Verwijzend naar de roldoeken werd deze ontwikkeling niet zelden gepresenteerd als een herleving van een 'eeuwenoude traditie'. Het repertoire waarop werd teruggegrepen was echter van relatief recente datum: de artiesten J.H. Speenhoff, Kees Pruis en Willy Derby maakten deze sentimentele liedjes over armoede, zieke moeders en stervende kinderen aan het begin van de 20e eeuw populair. De geboorte van de typische smartlap is daarmee geen eeuwenoud verschijnsel, maar een onderdeel van de opkomst van de Nederlandse amusementsindustrie.

Het lijkt, vanwege het volkse karakter van de smartlap, waarschijnlijk dat het genre geïnspireerd is op het repertoire van markt- en straatzangers uit de 19e eeuw, en daarvoor.

Externe link[bewerken]

  • Aan de muur van het oude kerkhof - Tekst en muzieknotatie van een typische smartlap. Met een uitvoering door Bob Fosko. De pagina is onderdeel van de website Geheugen van Nederland.