Sociale institutie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een sociale institutie, of kortweg institutie als de context duidelijk is, is een formele of informele regel die het gedrag en de interactie binnen een groep beperkt.[1] Een andere mogelijke definitie is een algemeen ingeslepen, collectief gedragspatroon, dat zich historisch heeft ontwikkeld, en dat het handelen van de mens modelleert [...].[2] Sociale instituties zijn noodzakelijk in de samenleving om mensen min of meer voorspelbaar met elkaar te laten omgaan. Instituties zorgen voor stabiliteit tussen mensen, maar zijn tegelijk ook beperkend, omdat de mens binnen een institutie vaste patronen moet volgen. Deze beperkingen vormen de sociale structuur door bepaald gedrag te verbieden of juist te vereisen. Het zijn de spelregels van een samenleving die de onzekerheden moeten verminderen die ontstaan bij interacties en uitwisseling.[1] Hiermee brengen instituties stabiliteit in de samenleving, wat overigens niet betekent dat bestaande instituties de meest doeltreffende structuur bieden. Instituties bepalen samen met de omgevingsfactoren in belangrijke mate de mogelijkheden binnen een samenleving.

Er zijn formele instituties als wetten, terwijl er ook informele instituties als gewoonten zijn. Vaak zijn formele en informele instituties met elkaar gecombineerd, zoals in de institutie huwelijk. Er bestaat allerlei wetgeving voor het huwelijk en de gehuwden, maar ook bestaan er allerlei gewoonten hoe getrouwde mensen met elkaar om horen te gaan.

Sociale instituties hebben vaak een lange traditie.[3] Ze kunnen echter wel veranderen; zo is het huwelijk – oorspronkelijk alleen toegestaan tussen een man en een vrouw – in veel landen veranderd zodat het een verbintenis is geworden tussen twee mensen, ongeacht hun geslacht.

Instituties worden ervaren als voorgegeven feiten die door de samenleving aan individuen zijn opgelegd. Soms wordt er een morele autoriteit aan toegekend en wordt aantasting ervan als een heiligschennis gezien.

Basiskenmerken[bewerken | brontekst bewerken]

Sociale instituties hebben een aantal basiskenmerken:

  • extern: zij bestaan buiten het individu; dat individu kan een institutie niet elimineren
  • objectief of intersubjectief: iedereen is het erover eens dat zij bestaan, dat hun regels geldig zijn; iets is volgens een maatschappelijke meerderheid, of volgens nagenoeg iedereen, moreel onverantwoord (zoiets doe je niet!), taalkundig correct, wettelijk toegestaan
  • dwingend: ongewenst taalgebruik wordt op meer of minder subtiele wijze tegengegaan in de opvoeding of zelfs door wetgeving; op het overtreden van wetten staan straffen, hoewel de opvoeding (zelf een institutie) er deels op gericht is het zover niet te laten komen
  • moreel gezag: wie de wet overtreedt, is niet alleen strafbaar, maar wordt ook als immoreel gezien; wie taalfouten maakt, roept ridiculisering over zich af
  • padafhankelijkheid: de huidige economie, de tegenwoordige staatsinrichting, het gezin en het taalgebruik zijn historisch gegroeid en zijn niet van de ene dag op de andere in de huidige vorm ontstaan, maar hebben die vorm in de loop van eeuwen, soms millennia aangenomen

Voorbeelden[bewerken | brontekst bewerken]

Om het abstracte begrip sociale institutie wat sprekender te maken hieronder een aantal voorbeelden.[3][4]

  • Het huwelijk. Dit bestaat uit wetgeving, maar ook allerlei gedrag dat huwelijkspartners van elkaar verwachten en dat ook de omgeving van hen verwacht
  • Het gezin
  • Het rechtssysteem
  • Het onderwijs
  • De wetenschap
  • De (sociale) media
  • Rituelen rondom rouw
  • Het geloof, de kerk, de moskee, synagoge
  • Koningsdag
  • Voetbalsport: bestaat uit de spelregels, maar ook allerlei niet vastgelegd, maar wel verwacht gedrag
  • De taal

Organisaties[bewerken | brontekst bewerken]

Grote maatschappelijke organisaties of instituten zijn een bundeling van zulke instituties. Te denken valt aan organisatievormen die een wettelijke of staatkundige basis hebben: het rechtssysteem is een institutie, het politieke bedrijf eveneens en het onderwijs is weer een ander voorbeeld. Vaak zijn deze instituties voor een individu onmiddellijk als zodanig herkenbaar.

Maar de maatschappij is ook op minder herkenbare wijzen georganiseerd. Zo valt de economie van een samenleving minder onmiddellijk op als regulerend patroon voor de individuen, maar toch vormt deze een programma waarnaar die individuen hebben te leven. Dit valt temeer op wanneer verschillende economische systemen met elkaar vergeleken worden: dan blijkt de economie geen vanzelfsprekend, objectief vaststaand gegeven, maar er zijn varianten mogelijk.

Transactiekosten[bewerken | brontekst bewerken]

Transactiekosten[5]
Voor transactie
(ex ante)
Na transactie
(ex post)
Markt Informatiekosten
Zoekkosten
Onderhandelingskosten
Contractkosten
Nalevingskosten
Management Opstartkosten Operationele kosten
Politiek Lobbyingkosten
Kosten maatschappelijk draagvlak
Wetgevingskosten
Controlekosten
Handhavingskosten
Vertragingskosten

In de neoklassieke economie wordt impliciet aangenomen dat iedereen volledig rationeel handelt, dat iedereen winstmaximalisatie nastreeft en dat alle partijen beschikken over alle relevante informatie, de perfecte markt. Als dat het geval zou zijn, zouden instituties onnodig zijn, aangezien ieders handelen voorspelbaar zou zijn. Uitwisseling zou daarbij kosteloos zijn en is er alleen sprake van de prijs van het product zelf. Veel economische benaderingen negeren het bestaan van instituties dan ook, of zien deze slechts als gegeven zonder te achterhalen waarom deze zijn ontstaan.

In werkelijkheid zijn er wel degelijk transactiekosten, zoals bij de imperfecte markt en bij onvolledige contracten. Daarmee ontstaat er onzekerheid over de uitkomst van de uitwisseling. Het opheffen of verminderen van deze onzekerheid brengt kosten met zich mee, de transactiekosten. Instituties kunnen bijdragen aan het verminderen van de onzekerheid en daarmee de transactiekosten verlagen, waarmee ten dele verklaard wordt waarom er instituties zijn.

Verandering[bewerken | brontekst bewerken]

Hoewel instituties stabiliteit bieden, zijn zij wel aan verandering onderhevig, veelal gradueel. Economische verandering wordt in gang gezet door veranderingen in smaak, maar vooral door veranderingen in relatieve prijzen. Veranderingen in de laatste kunnen zowel exogeen als endogeen zijn, van buiten of binnen het systeem afkomstig. Exogene veranderingen vinden hun oorzaak in de omgeving, zoals klimaatverandering en epidemieën, terwijl endogene veranderingen voortkomen uit pogingen om het eigenbelang te dienen, zoals winstmaximalisatie.

Veranderingen in relatieve prijs vinden hun oorzaak onder meer in veranderingen in de verhouding van productiefactoren – de verhoudingen tussen land tot arbeid, arbeid tot kapitaal of kapitaal tot land. Technologische veranderingen zijn ook van grote invloed, onder meer door het dalen van de kosten van informatie. Daarbij geldt een wisselwerking aangezien veranderde instituties transactiekosten kunnen verlagen. Zo kan nieuwe wetgeving en de handhaving daarvan op het gebied van eigendomsrecht het aantrekkelijker maken om overeenkomsten aan te gaan. Dit kan weer de bereidheid vergroten tot grote investeringen en langetermijninvesteringen.

Groepen met veel onderhandelingsmacht kunnen instituties meer beïnvloeden, zodat het resultaat niet altijd voor de samenleving als geheel het optimale resultaat geeft. North maakt in dit verband onderscheid tussen allocative efficiency en adaptive efficiency, vrij vertaald kostendoelmatigheid en aanpassingsvermogen. Allocative efficiency maakt huidige bedrijven en beslissingen sterk, maar adaptive efficiency houdt rekening met de creatieve vernietiging van Schumpeter die bedrijven op lange termijn sterker maakt.

Er bestaat daarnaast veelal een verschil tussen formele en informele veranderingen. Zo werkt een wetswijziging met vertraging door in het gedrag en de normen, terwijl andersom een verandering in normen niet direct wordt vertaald in wetswijzigingen. Dat kan resulteren in een gedoogbeleid, omdat de noodzaak tot handhaving niet meer gevoeld wordt.

Zoals gesteld zijn instituties van groot belang bij de mogelijkheden binnen een maatschappij. Er zijn dan ook wel pogingen ondernomen door ontwikkelingslanden om instituties over te nemen van succesvolle ontwikkelde landen. Dat is niet altijd succesvol gebleken, doordat nooit alle instituties overgenomen kunnen worden. Zo is de common law van het Verenigd Koninkrijk overgenomen door veel voormalige koloniën. Daarbij zijn de Verenigde Staten en Australië wel succesvol gebleken - gebieden waar mensen met een oorsprong in Europa de heersende meerderheid werden, maar veel koloniën in Afrika niet. Oude gewoontes en normen die in gebruik bleven naast de nieuwe wetgeving zijn daarbij van groot belang. Padafhankelijkheid – de invloed van het verleden – maakt het daarbij moeilijk om hier verandering in aan te brengen.

Andere patronen[bewerken | brontekst bewerken]

Regulerende patronen die niet onmiddellijk op grond van organisatie tot stand komen, zijn onder meer het familieverband en de taal. Het onderdeel zijn van een familie heeft doorgaans wettelijke consequenties, maar is ook van grote invloed op de privé-sfeer; de banden zijn niet of slechts met grote moeite te verbreken.

Taal is een institutie die het individu helpt de werkelijkheid te benaderen: die werkelijkheid wordt ingedeeld door middel van begrippen die sturing geven aan het denkbeeld dat het individu van de werkelijkheid heeft.

Die sturing is maatschappelijk: een individu kan bijvoorbeeld niet zelf woorden verzinnen voor realia die door een bepaalde maatschappij niet onderkend of erkend worden, ook al komen die begrippen wellicht in andere taalgebieden en maatschappijen wel voor:

  • Zo zou een woord voor televisie niet in iedere samenleving in de jaren 60 hebben bestaan.
  • Sommige samenlevingen onderscheiden generatiegenoten naar geslacht (broer tegenover zus), terwijl andere een leeftijdsonderscheid maken (oudere tegenover jongere).


Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

  • Berger, P.L.; Berger, B. (1976): Sociology: A Biographical Approach, Harmondsworth
  • North, D.C. (1990): Institutions, Institutional Change and Economic Performance, Cambridge University Press

Noten[bewerken | brontekst bewerken]

  1. a b North (1990)
  2. 'Institutie, sociale', Nieuwe Geïllustreerde Lekturama Encyclopedie, Lekturama, 1981
  3. a b Maatschappijwetenschappen: de begrippen (2019)
  4. (nl) Sociale Instituties - Samenvatting - Sociologie - Vives. StuDocu. Geraadpleegd op 16 juni 2020.
  5. Furubotn, E.G.; Richter, R. (1997): Institutions and Economic Theory. The Contribution of the New Institutional Economics, University of Michigan Press