Gijsbrecht van Aemstel: verschil tussen versies

Naar navigatie springen Naar zoeken springen
36 bytes verwijderd ,  10 jaar geleden
k
Linkfix ivm sjabloonnaamgeving + standaardtabelopmaak
k (WikiCleaner 0.99 - Link naar doorverwijspagina aangepast. Help mee!)
k (Linkfix ivm sjabloonnaamgeving + standaardtabelopmaak)
 
== De inhoud ==
Vondel gaf het stuk de titel: ''Gysbregt van Aemstel, d’ondergang van zijn stad en zijn ballingschap. Treurspel''. Vondel draagt de ''Gijsbreght'' op aan [[Hugo de Groot (rechtsgeleerde)|Hugo de Groot]], die in 1638 als balling in Frankrijk leefde. De Groots ideaal was het herstel van de eenheid van alle christenen in een terugkeer naar de situatie van de oude kerk in de eerste eeuwen na Christus. <ref>Ibidem, Inleiding p. XXVI. ISBN 90 230 06119</ref> Vondel besluit zijn, aan de door hem bewonderde '' Here Huig de Groot'' gerichte inleiding van de ''Gijsbrech''t, met de woorden: ''Ik offer Uwe Exc. in zyne ballingschap mynen Gysbreght van Aemstel, den godvruchtigen en dapperen balling''.
 
Het stuk speelt in Amsterdam, tijdens een kerstnacht omstreeks 1300<ref> [http://www.dbnl.org/tekst/vond001gysb01_01/vond001gysb01_01_0007.php Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren]. Gysbreght van Aemstel, inleidingen en aantekeningen Mieke B. Smits-Veldt, Amsterdam University Press, Amsterdam 1994. 'Vondel en het vaderlands verleden', noot 18; historisch beleg gesteld op 1304</ref><ref>Ibidem, Vierde bedrijf vs. 1000, noot 6.</ref> en gaat over de belegering van de stad door de omliggende dorpen, verenigd in de [[Kennemerland|Kennemers]] en [[Waterland (regio)|Waterlanders]]. Aanleiding is de vermeende betrokkenheid van Gijsbrecht bij de ontvoering en doodslag van [[Floris V van Holland|Floris V]] in 1296. De vijandelijke soldaten lijken zich aanvankelijk terug te trekken, maar duiken als gevolg van een list van het personage 'Vosmaar, de Spie' onverwacht weer op. Gijsbrecht wordt na hevige gevechten gedwongen, met zijn vrouw [[Badeloch]] en hun kinderen, naar [[Pruisen]] te vluchten, om daar een ''Nieuw Holland'' te stichten.
 
De tijd van handeling, de kerstnacht en de parallel tussen de moord op de onschuldige [[Clarissen|Klaris]]sen en de [[kindermoord van Bethlehem|kindermoord in Bethlehem]] benadrukt de Christelijke strekking van de door God opgelegde beproeving die uiteindelijk zinvol zal blijken te zijn.
 
De tragedie ''Geeraerdt van Velsen'' van [[Pieter Corneliszoon Hooft|P.C. Hooft]] uit 1613 is gebaseerd op de gebeurtenissen rond de moord op Floris V. Deze gebeurtenissen vormen de voorgeschiedenis van de verwikkelingen in Vondels Gijsbrecht.
 
In 1637 tijdens de [[Tachtigjarige Oorlog]], toen in zuidelijker provincies de Spaansgezinde vijandelijkheden nog woedden, schreef Vondel in zijn inleiding van de ''Gijsbrecht'':
:"Of enige Amsterdammers mochten walgen van de zwaren val hunner muren en ’t verstrooien hunner voorouderen te horen, zo wordt die bittere nasmaak verzoet door Rafaëls voorspelling van de heerlijke verrijzenisse der verdelgde vesten en verstrooielingen; dat wij nu op het allergelukkigste beleven, onder de wijze regering der tegenwoordige burgemeesteren, die het gemeen beste boven hun eigen behartigen en genen oorlog prijzen, dan die om de vrede gevoerd wordt."
 
De ''Gijsbrecht'' wordt wel een [[tragedie (toneel)|tragedie]] genoemd, omdat Vondel in [[Drama (kunst en cultuur)|drama's]] als ''[[Lucifer (toneelstuk)|Lucifer]]'' de [[Aristoteles|Aristotelische]] uitgangspunten volgt van de [[Klassieke oudheid|klassieke]] tragedie. Hoewel ook Vondel zelf in de ondertitel van een "treurspel" spreekt, is dat in de ''Gijsbrecht'' maar ten dele het geval. Zo is het [[personage]] Gijsbrecht niet de tragische [[Protagonist|held]] die ten onder gaat door eigen handelen en vindt er geen [[Katharsis (literatuur)|catharsis]] plaats. De afloop is dan ook niet [[noodlot (term)|noodlot]]tig.
Het 17e eeuwse publiek, het Amsterdamse stadsbestuur en de toenmalige financiers van de voorstellingen waaraan een deel van de inkomsten ten goede kwam (de [[caritas (deugd)|charitatieve]] instellingen Het Burgerweeshuis en het Oude Manne- en Vrouwenhuis<ref>''Vondel, Volledige dichtwerken en oorspronkelijk proza.'' Verzorgd door Albert Verweij. Opnieuw uitgegeven met een inleiding door Mieke B. Smits-Veldt en Marijke Spies. Becht, Amsterdam, 1986, Inleiding p. XXIX, ISBN 90 230 06119.</ref>) zullen deze heilsboodschap instemmend hebben aangehoord.
 
Ook de verschijning van Machteld in Badelochs droom kan worden gezien als een deus ex machina.
 
Gijsbrecht is een toonbeeld van deemoed en godsvertrouwen in tijden van beproeving. Het stuk is een icoon in de tijd van de bezetting. Het herinnerde het publiek aan het oorlogsgeweld, de strijd tegen Spanje, de strijd van soldaten, aan de belegering van steden en vermiste echtgenoten.
 
Om na het zien van de onfortuinlijke voorouders de stemming nog wat te verhogen werden latere Amsterdamse voorstellingen van de ''Gijsbrecht'' (v.a. het einde van de 17e of het begin van de 18e eeuw) rond Nieuwjaarsdag gevolgd door ''De bruiloft van Kloris en Roosje''. Wie de auteur is van deze boertige [[klucht]] met zang en dans, staat niet vast. Dit vrolijke naspel eindigde traditioneel met een door de personages ''Thomasvaer'' en ''Pieternel'' uitgesproken Nieuwjaarswens, waarin de actuele gebeurtenissen van die dagen van [[satire|satirisch]] commentaar werden voorzien.
Zoals Vondel in zijn uitvoerige inleiding vermeldt, schreef hij de ''Gijsbrecht'' in navolging van de [[Aeneis]] van de Romeinse dichter [[Vergilius]]. Dit [[epos|heldendicht]] in het [[Latijn]] beschrijft in 12 boeken de daden van de [[Troje|Trojaanse]] stamvader [[Aeneas]] en de ondergang van zijn stad. Vrij naar het, op het titelblad van de ''Gijsbrecht'' vermelde en in de Aeneis naar de val Troje verwijzende motto ''Urbs antiqua ruit'' (een oude stad wordt vernietigd), verwoordt Vondel in het vierde bedrijf de val van Amsterdam met de verzen 1120/1122: ''"De groote aloude stad, vermaert in oorelogen, (...) Gaet plotzelijck te gronde en zinckt met eenen slagh."'' De inhoud van het klassieke [[paard van Troje]] vertoont een duidelijke overeenkomst met de lading van Vondels “Schuit ’t Zeepaardje” en het lot van Vondels personage Bisschop Gozewijn herinnert aan het beklagenswaardige einde van de oude koning [[Priamus]].
 
Schreef Vergilius in [[hexameter]]s, Vondel koos meestal voor de [[alexandrijn]] als dichtvorm. Al in de vroege jaren twintig van de [[17e eeuw]] had Vondel zich door studie van de klassieke cultuur en [[humanisme|humanistische]] wetenschappen ontwikkeld tot een humanistisch-[[renaissance|renaissancistisch]] dichter.<ref>Ibidem, Inleiding p. XVII</ref> In navolging van [[de klassieken]] heeft de ''Gijsbrecht'' een [[klassieke oudheid|klassieke]] bouw in vijf bedrijven, die worden afgesloten met een 'Rey' of [[reidans|rei]]'. Deze aan de Griekse [[koor (toneel)|koorzangen]] verwante, gesproken of gezongen [[lyriek|lyrische]] bespiegelingen staan los van de handeling.
 
In de 17e eeuw was het gebruikelijk de dramatische handeling af en toe letterlijk stil te zetten tijdens de vertoning van een "tableau vivant". Met zo’n vaak rijkelijk vormgegeven "levend schilderij" met stilstaande personages in expressieve houdingen kon men, tussen de tekst, de visueel indrukwekkende hoogtepunten extra aandacht schenken.
en spreekt de engel (voor het eerst in 1638, tijdens de opening van de schouwburg, in de nabijheid van de net gereed gekomen gekroonde spits van de [[Westertoren (Amsterdam)|Westertoren]]) , ten overstaan van de middeleeuwse personages en het 17e eeuwse publiek de '[[profetie]]' uit dat:
:'eer drie honderd jaer Verloopen'(...) ‘Als uw naemhafte stad haer' Schouwburgh open doet' (...) de stad “haer kroon tot aen den hemel toe’ zal verheffen.<br />
Gijsbrechts slottekst luidt:
:Vaer wel, mijn Aemsterland: verwacht een' andren heer.
 
== Samenvatting ==
{{Leeswaarschuwing}}
{{Spoil}}
 
===Eerste bedrijf===
 
Het verhaal speelt zich af in de nacht voor kerstmis omstreeks 1300. De stad Amsterdam wordt al een jaar belegerd door de troepen van Floris V, heer van de Waterlanders en de Kennemers. Deze Floris V is een aantal jaar eerder ontvoerd en vermoord door een onbekende dader. Er wordt evenwel gedacht dat Gijsbrecht van Aemstel iets met de moord te maken heeft. Gijsbrecht is de stadsheer van Amsterdam. Vandaar dat de troepen van Floris V de stad al zo lang belegeren. In het eerste bedrijf heeft Gijsbrecht vernomen dat de vijandelijke troepen zijn weggetrokken. Daarop spreekt hij in een lange monoloog zijn dank uit. Zijn broer Arend gaat kijken of het bericht werkelijk waar is. Als Arend de belegeraars achterna gaat, vertelt Abt Willebrord aan Gijsbrecht dat Willem van Egmond en Diederick van Haarlem, twee vijandelijke aanvoerders, onenigheid hadden gehad en dat hij ze gezegd had om de stad te verlaten en de belegering te staken. Bij de terugkomst van Arend voert hij een gevangene mee die de naam Vosmeer draagt. Hij oogt meelijwekkend, maar is in werkelijkheid een spion. Deze Vosmeer vertelt over een schip, ‘het Zeepaard’. De vijand zou dit schip, beladen met [[rijshout]], in alle haast zijn vergeten. Gijsbrecht gelooft wat Vosmeer zegt en besluit het schip de stad binnen te laten halen. Zonder dat iemand het in de gaten heeft, voert men het schip, dat volzit met vijandelijke soldaten, de stad binnen. Dit is vergelijkbaar met het verhaal van het Trojaanse paard. Iedereen tuint erin. Tot slot zingt een rij van meisjes zelfs een overwinningslied.
 
===Tweede bedrijf===
 
In het tweede bedrijf spreken Willem van Egmond, Diedrick van Haerlem en de Hoplieden met elkaar. Ze zijn bij het klooster en het speelt zich af in de avond. Willem en Diedrick vertellen de hoplieden over de vermeende aanslag. Zij vertellen ook dat zij van plan zijn de vijand ’s nachts te overrompelen. Ook wordt er over het Zeepaard vertelt; hoe deze gereedgemaakt is. Men spreekt af om bij het klooster ’s nachts te ontmoeten. Ook spreekt men af dat Egmond nog naar de stad gaat om Vosmeer te spreken, die aan zal komen zwemmen. De hoplieden worden verteld de monnikken niet te storen en zich stil te houden.
Dan verplaatst de scene zich naar de poort, waar de portier en Van Haerlem converseren. Diedrick poogt de portier te overtuigen de poort te openen, hoewel het laat in de avond is. Diedrick draagt de portier op om Willebord te halen uit de kerk. Willebord komt en Diedrick introduceert zichzelf als gast. Willebord vertrouwt het niet en vraagt naar de reden van de komst van Van Haerlem. Deze zegt dat hij soldaten in het klooster wil laten overnachten. Willebord wil gerust soldaten binnen laten, maar weigert ze in het klooster te laten. Diedrick protesteert en zo discussiëren zij enige tijd, tot de soldaten aankomen. Diedrick beveelt ze naar het klooster te gaan en Willebord klaagt, maar protesteert niet.
Van Egmond en Vosmeer vinden elkaar bij de rand van de stad, waar Vosmeer aan is komen zwemmen. Vosmeer vertelt hoe het Zeepaard binnen gehaald is. Hij vertelt ook hoe de stedelingen de wallen versterkten en hoe hij de mannen in het zeepaard stil hield. Hij vertelt ook wat het plan is voor de aanval. Egmond vertelt over de manschappen die klaarliggen in het klooster. Na het gesprek scheiden de wegen van beide mannen en sluit Egmond af met de volgende woorden: ‘God geef, dat u en my dees aenslagh wel geluck.’
Het bedrijf eindigt met een kerstzang, de Rey van Endelingen. De zang begint ermee dat de Heiland in Bethlehem is en dat Jezus in een armoedige stal is geboren. Jezus is goddelijk en zit vol goedheid. Gods goedheid wordt ook nog benadrukt, want God heeft immers de inwoners van Amsterdam veel ellende bespaard. Het is daarom verstandig altijd te luisteren naar God, en hem te vereren.
 
===Derde bedrijf===
Badeloch is bang en heeft nachtmerries. Gysbrecht vraagt hoe dit komt en zegt dat hij haar tranen zal weg kussen. Ook zegt hij dat dromen geen werkelijkheid zijn. Badeloch vertelt dat zij in haar dromen de geest van Machteld aan haar bed zag staan. Machteld werd waanzinnig en trok haar kleren kapot, krabde zichzelf open en stond te huilen. Badeloch vertelt Machteld dat ze zich nergens zorgen om hoeft te maken omdat de vijanden verslagen zijn. Maar Machteld vertelt Badeloch dat de vijanden helemaal niet verslagen zijn en dat het een wonder is dat Badeloch zo rustig kan slapen. Hierop raadt Machteld Badeloch aan om naar een ander gewest te vluchten. De strijd van Gysbrecht is volgens haar tevergeefs geweest en de heiligen hebben de kerk verlaten. Als zij vlucht zullen de engelen haar beschermen.
 
Badeloch schrikt wakker uit haar droom en is heel erg geschrokken van haar droom en de verschijning van Machteld. Gysbrecht blijft erbij dat het slechts verbeelding is.
Badeloch is bang en heeft nachtmerries. Gysbrecht vraagt hoe dit komt en zegt dat hij haar tranen zal weg kussen. Ook zegt hij dat dromen geen werkelijkheid zijn. Badeloch vertelt dat zij in haar dromen de geest van Machteld aan haar bed zag staan. Machteld werd waanzinnig en trok haar kleren kapot, krabde zichzelf open en stond te huilen. Badeloch vertelt Machteld dat ze zich nergens zorgen om hoeft te maken omdat de vijanden verslagen zijn. Maar Machteld vertelt Badeloch dat de vijanden helemaal niet verslagen zijn en dat het een wonder is dat Badeloch zo rustig kan slapen. Hierop raadt Machteld Badeloch aan om naar een ander gewest te vluchten. De strijd van Gysbrecht is volgens haar tevergeefs geweest en de heiligen hebben de kerk verlaten. Als zij vlucht zullen de engelen haar beschermen.
Broer Peter komt aanstormen en zegt dat hij en Gysbrecht ten strijde moeten trekken. Dit is voor Badeloch een teken dat haar droom werkelijkheid is en echt onheil voorspelde. Broer Peter vertelt dat de vijand terug is in de stad met een groter leger dan ooit. Ze stichten brand en zijn erg sterk. Broer Peter zegt dat de stad verloren is en al het vechten voor niks is geweest. Gysbrecht gaat naar de Schreiers toren om voor zichzelf te zien hoe de toestand is.
Badeloch schrikt wakker uit haar droom en is heel erg geschrokken van haar droom en de verschijning van Machteld. Gysbrecht blijft erbij dat het slechts verbeelding is.
Badeloch is bang dat het allemaal te veel wordt voor Gysbrecht. Hij heeft dit niet verdient omdat hij zo'n goed hart heeft en vroom is. Omdat zij in een grote stad leven, krijgen zij alle problemen terwijl de kleine steden rustig zijn. Broer Peter zegt dat God slechts zijn uitverkorenen wil beproeven. Gysbrecht ziet dat de stad in brand staat en wil gaan vechten. De bondgenoten van Gysbrecht zeggen hem toe dat zij voor hem zullen vechten. Gysbrecht zegt hierop dat zij hiervoor door God beloont zullen worden. Badeloch vraagt aan God of hij Gysbrecht wil beschermen.
Broer Peter komt aanstormen en zegt dat hij en Gysbrecht ten strijde moeten trekken. Dit is voor Badeloch een teken dat haar droom werkelijkheid is en echt onheil voorspelde. Broer Peter vertelt dat de vijand terug is in de stad met een groter leger dan ooit. Ze stichten brand en zijn erg sterk. Broer Peter zegt dat de stad verloren is en al het vechten voor niks is geweest. Gysbrecht gaat naar de Schreiers toren om voor zichzelf te zien hoe de toestand is.
Badeloch is bang dat het allemaal te veel wordt voor Gysbrecht. Hij heeft dit niet verdient omdat hij zo'n goed hart heeft en vroom is. Omdat zij in een grote stad leven, krijgen zij alle problemen terwijl de kleine steden rustig zijn. Broer Peter zegt dat God slechts zijn uitverkorenen wil beproeven. Gysbrecht ziet dat de stad in brand staat en wil gaan vechten. De bondgenoten van Gysbrecht zeggen hem toe dat zij voor hem zullen vechten. Gysbrecht zegt hierop dat zij hiervoor door God beloont zullen worden. Badeloch vraagt aan God of hij Gysbrecht wil beschermen.
 
===Vierde bedrijf===
Het vierde bedrijf bestaat uit drie scenes. In de eerste scene komen de personages Gozewijn van Aemstel (bisschop), Klaeris van Velzen (abdis) en Gijsbreght van Aemstel aan het woord, begeleid door een rei, behorende bij Klaeris. De tweede scene wordt opgevoerd door de personages Badeloch van Aemstel (vrouw van Gijsbreght van Aemstel) en Arend van Aemstel (broer van Gijsbreght). In de laatste scène komt slechts Badeloch aan het woord, in de scène bezingt een rei de gedachten van de burchtbewoners.
De eerste scène verhaalt de discussie tussen voornamelijk Gijsbreght en Gozewijn betreffende het al dan niet op de vlucht slaan voor de snel naderende vijand. Gijsbreght poogt de oude bisschop over te halen om samen met hem te vluchten. Gijsbreght wil de bisschop op zijn rug dragen en dit is een verwijzing naar Vergilius' Aeneis, waarin Aeneas zijn vader draagt als zij Troje ontvluchten. Gozewijn stelt dat hij te oud is, dat het leven hem zoveel moeite niet waard is, dat hij klaar is om te sterven en zich bij God te voegen. De trouwe nonnen, waaronder Klaeris, laten weten Gozewijn niet alleen te zullen en kunnen laten. Zij zijn bereid te sterven. De scène wordt afgesloten met een ‘stomme’ vertoning, waarin te zien is hoe bisschop Gozewijn en de nonnen vermoord worden.
 
In de tweede scène komt Arend van Aemstel aan bij Badeloch, de vrouw van Gijsbreght. Zij schrikt omdat hij alleen arriveert en veronderstelt dat Gijsbreght gesneuveld is. Arend ontkent dit en doet gedetailleerd verslag van het gruwelijk schouwspel dat zich voor zijn en Gijsbreght’s ogen afspeelde; van de strijd; van de bezetting van Amsterdam; van de dood van onder andere Gozewijn en de nonnen. Badeloch besluit de scène met de woorden dat zij Gijsbreght dood rekent.
In de laatste scène van het vierde bedrijf bezingt de rei allereerst de pure, oprechte liefde tussen Badeloch en Gijsbreght. Zij geven uiting van het verdriet dat zij door de veronderstelde dood van haar man moet voelen en eindigen met een bede aan God, waarin Hem gevraagd wordt haar smart te verlichten. Het vierde bedrijf wordt afgesloten met de uitroep van Badeloch dat zij Gijsbreght’s stem gehoord heeft en dat hij voor de poort staat.
 
===Vijfde bedrijf===
Aanvankelijk werden alle rollen door mannelijke acteurs gespeeld. [[Ariana Nozeman]] (1626/1628 - 1661) was de eerste vrouwelijke Badeloch.
 
Begin jaren vijftig waren de opvoeringen van de Gijsbreght van Aemstel door het Amsterdams Toneelgezelschap van [[Albert van Dalsum]] drukbezochte evenementen. Het gezelschap speelde Vondels Gijsbreght van 1948 tot 1954 iedere Nieuwjaarsdag in de Amsterdamse Stadsschouwburg;. in de maand januari gevolgd door een aantal voorstellingen in verschillende Nederlandse steden.
 
In de jaren zestig was een strijd gaande in de toneelwereld tussen traditie en vernieuwing, een weerslag overigens van de culturele (r)evolutie in andere sectoren van de maatschappij. De jaren '60 en '70 van de vorige eeuw waren roerig. Het was onder andere een tijd van provocatie en vrije moraal, waar Provo een exponent van was. Jongeren keerden zich tegen het establishment. De Gysbreght stond daarbij – juist als symbool van traditie – aan de verkeerde kant, verloor, moest opgeven en de stad verlaten. Het keerpunt kwam met de jeugdvoorstelling van de Gysbrecht in de Rotterdamse Schouwburg in 1967. De voorstelling werd gestaakt omdat er gelachen en gefloten werd. De leraren van deze jongeren kwamen voor de jeugd op en beweerden zelf ook dat het een volstrekt statisch toneelbeeld was en dat de Gysbreght geen realistische opvatting bevatte. De opvoering van '69 zou voorlopig de laatste worden in een sinds 1641 onafgebroken reeks. De galapremière liep dat jaar in het honderd doordat van te voren extra vervalste toegangskaarten waren verspreid. De Amsterdamse gemeenteraad besloot daarop de Nederlandse Comedie te verlossen van de aan subsidiëring verbonden plicht om elk jaar de Gysbrecht ten tonele te voeren. Op nieuwjaarsdag 1969 stond De Spaanse Brabander van Bredero op de planken in plaats van de Gysbreght. De zogeheten Aktie Tomaat heeft geen invloed gehad op het afbreken van de Gysbreghttraditie. De eerste tomaten troffen pas in oktober 1969 ''De Storm'' van Shakespeare, ook van de Nederlandse Comedie. De Gysbreghttraditie is volledig aan eigen gedateerdheid bezweken. Ze was ingehaald door de tijd.
 
Het toneelgezelschap Het Publiekstheater heeft zowel in 1974 als in 1975 Gijsbrecht van Amstel als toneelstuk opgevoerd. De oorspronkelijke tekst werd voor deze uitvoering bewerkt door Guus Rekers en de regie was in handen van René Lobo. Het stuk werd opgevoerd in de Stadsschouwburg Amsterdam. Het stuk was sterk geactualiseerd: met 1975 als het jaar van de vrouw in gedachten kregen de vrouwen in het stuk een geëmancipeerde en belangrijke rol. Ook was dat jaar het jubileumjaar van Amsterdam, dat 700 jaar bestond, waarnaar in de tekst van het toneelspel werd verwezen.
Guus Rekers was een actievoerder binnen de Aktie Tomaat. Aktie Tomaat wordt vaak als reden gezien voor het beëindigen van de jaarlijkse Gijsbreghtopvoeringen in 1968, terwijl [[Aktie Tomaat]] in 1969 plaatsvond. De beëindiging moet in de tijdgeest van Aktie Tomaat gezien worden.
 
Hans Croiset heeft bij zijn opvoering in 1988 de reien meer in de dramatische handeling opgenomen. De derde en vierde rei werden gezegd door Badeloch, de kinderen van Gijsbrecht en andere belangrijke personages uit het toneelstuk. De eerste twee reien werden gezegd door personages met een minder centrale rol.
 
In zijn ''Gysbreght'' voor Toneelgroep Amsterdam in 1991 ging de Haarlemse regisseur en decorontwerper Rieks Swarte op zoek naar Vondels liefdes: [[Peter Paul Rubens]], Vergilius en [[Jacob van Campen]]. Hij belichtte de spelopvattingen van de zeventiende eeuw, de klassieke poses, zoals beschreven door [[Karel van Mander|Carel van Mander]] in zijn 'schilder-boeck', en het feit dat het stuk oorspronkelijk geheel door mannen werd gespeeld. Met een knipoog plaatste hij het barokdrama, als een opera met [[recitatief|recitatieven]] en [[Aria (compositie)|aria]]’s, in een sterk picturaal en historiserend kader, waarbinnen de Vlaamse acteurs speelden in een stijl waaruit al het psychologische realisme was verbannen.
 
De voorstellingen van de ''Gijsbrecht'' van Theater Nomade, in 2001 en 2008 onder regie van Ab Gietelink waren toegespitst op de politieke situatie van die tijd. De vijanden in zijn voorstelling uit 2001 waren, als Amerikaanse soldaten gestoken in gevechtstenue. De belegering van Amsterdam verwees naar steden als Jeruzalem en Bagdad of een land als Afghanistan, waar strijders de rechtvaardiging voor hun strijd zoeken in een religieuze overtuiging. Hij probeerde het proces van escalatie te laten zien, dat leidt tot oorlog. In Gietelinks voorstelling uit 2008 verwees hij naar Uruzgan en het Nederlandse aandeel in de strijd tegen de Taliban. Op projectieschermen werden historische oorlogsbeelden getoond. De traditionele 17e eeuwse tekst was aangevuld met militaire en journalistieke termen. <ref>Vussen, Peter van de, ‘De Gijsbrecht met video, techno en rap’ In: Utrechts Nieuwsblad, 14 augustus 2008</ref>
 
De meest recente opvoering van de ''Gysbrecht'' vond plaats op 1 januari 2010 door theatergroep De Warme Winkel. De groep maakte een eigen versie van drie kwartier (in plaats van de oorspronkelijke zes uur). De toneelgroep werd gegrepen door Vondels taalgebruik en deed er alles aan om hier zo strak mogelijk aan vast te houden. De alexandrijnen werden behouden, omdat deze volgens de theatergroep het stuk maken. De acteurs moesten zich daarom strak aan de tekst houden; ze wilden niet spelen met metrum of woordvolgorde. Herman van Elteren, een 82-jarige acteur die het stuk zo'n 600 keer had gespeeld, hielp hen daarbij. Ook werden voor de gelegenheid oude opnamen beluisterd.
*Op de Gijsbrecht zijn verschillende [[parodie]]ën en vervolgen geschreven door andere auteurs, waaronder de [[musical]] ''De Engel van Amsterdam''.
*Verwijzingen naar Vondels Gijsbrecht van Aemstel zijn onder andere te vinden in de straatnamen van diverse Nederlandse gemeenten (zoals het [[Gijsbrecht van Aemstelpark]] in Amsterdam) en de [[Scouting Nederland|scoutinggroep]] "Gijsbrecht van Aemstel".
* Op de plek waar de eerste stenen [[Stadsschouwburg Amsterdam|Amsterdamse Schouwburg]] in 1638 haar deuren opende, stond tussen 1617-1622 [[Samuel Coster]]s [[Eerste Nederduytsche Academie]], waar men zich naast de [[Rederijker|rederijkerij]] ook wijdde aan hoger onderwijs in de volkstaal.
* De eerste opvoering van de ''Gysbreght van Aemstel'' deed Vondel voor de geleerde staatsman Hugo Grotius, rond 1636. In een ‘Voorspel’ wijdde Vondel de tragedie tevens aan de stadsregering. Al snel concludeerde men dat dit stuk, met zijn klassieke allure, zo goed was, dat de ‘Gysbreght van Aemstel’ als openingsstuk voor de nieuwe schouwburg een feit werd.
* De naam Schouwburg werd echter ook bedacht door Vondel. Met Schouw en burg verwees Vondel naar een plaats waar men kon kijken. Het van het Griekse woord 'theatron' afgeleidde Schouwburg werd door de tijd heen zo'n populaire benaming dat het van een eigen naam is verworden tot een soortnaam.
* Vele kunsthistorici schreven en speculeerden over de raakvlakken in het werk en de levens van de tijdgenoten Rembrandt en Vondel. <ref> http://www.dbnl.org/tekst/ster002oork01_01/ster002oork01_01_0011.php?q J.F.M. Sterck, Oorkonden over Vondel en zijn kring. N.V. Uitgevers-maatschappij, voorheen Paul Brand, Bussum 1918 vanaf pag. 287</ref> Hoewel de [[clair-obscur]] belichting een zekere theatraliteit suggereert, is de veronderstelling dat ''de Nachtwacht'' direct geïnspireerd is op de openingsscène in de ''Gysbrecht'' niet waarschijnlijk, omdat Rembrandt, zonder enige verwijzing naar de Middeleeuwen alle op zijn doek afgebeelde 17e eeuwse figuren, met naam en toenaam vermeldt in het naast de poort afgebeelde schild. Wel meent men in sommige tekeningen van Rembrandt figuren uit het stuk te hebben herkend.
* In januari 1967 vond in de Rotterdamse schouwburg een schoolvoorstelling van de Gysbreght plaats, waar scholieren verplicht naar toe moesten. Er was zoveel keet en rumoer in de zaal, dat de stervende Arend, geleund in de armen van Gysbreght zich voor het laatst oprichtte en rechtstreeks tot de zaal de in de Gysbrecht-traditie unieke tekst sprak: ‘Mag ik effe rustig doodgaan alsjullieblieft?’ Enig geloei klonk op, maar veel aandacht trok hij zelfs met deze woorden niet.
* Karel Porteman en Mieke B. Smits-Veldt proberen in hun boek ''Een vaderland voor de muzen'' te verklaren waarom het stuk zo snel in de canonisering is beland. Volgens hen heeft het treurspel alles in zich om vele generaties Amsterdammers te boeien. In het boek wordt ook aangegeven dat het onduidelijk is of Vondel de opdracht kreeg tot het schrijven van het openingsstuk van de Schouwburg of dat hij zelf het initiatief nam tot het schrijven van het openingsstuk, zoals Vondel zelf deed vermoeden.
* De Italiaan Marco Prandoni schreef in 2007 zijn proefschrift 'Een mozaïek van stemmen. Verbeeldend lezen in Vondels Gysbreght van Aemstel'. Hij probeert in dit proefschrift de theaterervaring van het 17e-eeuwse publiek te reconstrueren. Hij vergelijkt de ''Gysbreght'' met Vondels voorbeeld de 'Aeneis'. In dit epos van Vergilius over de ondergang van Rome laat de auteur de Romeinen afstammen van de Trojanen.
* Het feit dat de Gijsbrecht van Aemstel nog altijd opgevoerd wordt, geeft aan dat het een tijdloos stuk is. Twee aspecten spelen hierbij een belangrijke rol. Allereerst maakt de Gysbreght deel uit van de Nederlandse vaderlandse geschiedenis. Joost van den Vondel is voor de Nederlanders wat Shakespeare is voor de Britten. De Nederlanders zijn trots op hem en willen hem in ere houden. Daarnaast is de Gysbreght een toneelstuk dat gemakkelijk te actualiseren is, doordat de hoofdthema's, bezetting, oorlog en ondergang tijdloze thema's zijn. Om een oud toneelstuk dichterbij de belevingswereld van de moderne mens te brengen, is dit actualiseren belangrijk.
 
== Zie ook ==
*De [[Lindengracht]] voor het terrein van het klooster van Vondels [[personage]] Willebord, [[Prior]] van het Klooster der [[Kartuizers]].
*De [[Nieuwezijds Kolk]] voor mogelijke resten van een kasteel van de Heren van Amstel.
* [[O Kerstnacht, schoner dan de dagen]] voor het meerstemmig getoonzette kerstlied.
 
==Externe links==
* [http://igitur-archive.library.uu.nl/student-theses/2010-0727-200204/Nieuwe%20Heren,%20Nieuwe%20Gysbreghts%20masterthesis%202010%20R.%20van%20Dooren%203331466.pdf Universiteit Utrecht]. ''‘Nieuwe Heren, Nieuwe Gysbreghts’: Een onderzoek naar de actualisering van de producties van de Gysbreght na 1968'', masterthesis van Rita van Dooren (2010).
* [http://letterkunde.letterentijdschriften.nl/document_articles/150.pdf Letterentijdschriften]. ''‘O christelijcken knoop!’: Vondels visie op de geestelijken in zijn Gysbrecht van Aemstel'' (2002).
* [http://web.archive.org/web/20080226233248/http://www.dbnl.org/tekst/kopp002node01/kopp002node01_001.htm Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren]. Johan Koppenol. ''‘Nodeloze onrust. Het "roomse karakter" van Vondels Gysbreght van Aemstel’''. In: Nederlandse letterkunde (Groningen): 4 (1999) 4 (nov) 313-329.
* [http://cf.hum.uva.nl/bookmaster/gysbrecht/toneel.htm Universiteit van Amsterdam]. ''Gysbreght op de planken: Theatervormgeving 1638-1988'', Marije de Nood.
* [http://cf.hum.uva.nl/bookmaster/gysbrecht/opvoeringtraditie.htm]. '' De ontragische dood van Gysbreght van Aemstel: Het einde van een eeuwenlange opvoeringstraditie in de culturele context van Nederland van de jaren zestig van de 20ste eeuw '', Marta Gnyp.

Navigatiemenu