Roodbuikspitskopschildpad

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Spitskopschildpad)
Ga naar: navigatie, zoeken
Roodbuikspitskopschildpad
Exemplaar uit de Kölner Zoo, de dierentuin van Keulen
Exemplaar uit de Kölner Zoo, de dierentuin van Keulen
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Reptilia (Reptielen)
Orde: Testudines (Schildpadden)
Onderorde: Pleurodira (Halswenders)
Familie: Chelidae (Slangenhalsschildpadden)
Geslacht: Emydura (Spitskopschildpadden)
Soort
Emydura subglobosa
Krefft, 1876
Afbeeldingen Roodbuikspitskopschildpad op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Roodbuikspitskopschildpad op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Herpetologie

De roodbuikspitskopschildpad[1] (Emydura subglobosa) is een schildpaddensoort uit de familie slangenhalsschildpadden (Chelidae).[2]

Taxonomie[bewerken]

De soort werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Johann Ludwig Gerard Krefft in 1876. Oorspronkelijk werd de wetenschappelijke naam Euchelymys subglobosa gebruikt. De verouderde wetenschappelijke naam Emydura albertisii wordt nog wel eens gebruikt. De soortnaam subglobosa slaat op de schildvorm en betekent vrij vertaald 'bijna rond'; sub = minder dan en globosa = bolvormig.

Ondersoorten[bewerken]

Er worden twee ondersoorten erkend, die verschillen in het uiterlijk en het verspreidingsgebied.

Algemeen[bewerken]

De maximale schildlengte is ongeveer 26 centimeter. Het schild van een mannetje is meestal 20 centimeter, die van een vrouwtje rond de 25 cm. De soort komt voor in Australië en Nieuw-Guinea. De roodbuikspitskopschildpad is sterk aan water gebonden en leeft in grotere meren en plassen met diepere en ondiepere delen en komt er maar zelden uit. Onder andere rivieren, meren en lagunes zijn een geschikte habitat.[3] Het voedsel bestaat voornamelijk uit plantendelen zoals kool- en loofsoorten maar ook wel kreeftachtigen en weekdieren als slakken worden gegeten. De schildpad kan een leeftijd bereiken van maximaal 25 jaar. Ondanks de familienaam slangenhalsschildpadden heeft deze soort een normale nek, het is een van de 'kortnekkige' soorten binnen de groep van de slangenhalsschildpadden..

Uiterlijke kenmerken[bewerken]

De roodbuikspitskopschildpad heeft zwarte poten en een bruin tot zwart vrij plat schild met een meestal gele tot oranje schildrand en een opvallende rode vlek op de kin. Jonge dieren hebben een felrode buik, die wel vervaagt naarmate de dieren ouder worden, maar altijd duidelijk te zien is. Juvenielen hebben een relatief grotere kop en meer afstekende kleuren. Op de zijkanten van de poten lopen meestal twee gele strepen. Ieder oog heeft een pijlvormige, enkele grote gele oogvlek die naar achteren toe snel breder wordt en ophoud voor de nek, wel meer schildpadden hebben gele vlekken rond de ogen, zoals de diadeemschildpad (Hardella thurjii).

Mannetjes en vrouwtjes zijn voornamelijk te herkennen aan de staart, de man heeft een langere staart en de cloaca bevindt zich voorbij het rugschild. De vrouw heeft een kortere staart en haar cloaca bevindt zich voor de rand van het rugschild (carapax).

Voortplanting[bewerken]

Juveniel

De dieren houden geen winterslaap, maar door de temperatuur ’s winters te verlagen naar 24-25 graden en dan in februari weer te verhogen naar 27-28 graden zal de paringsdrang groter worden. De man zal de vrouw 'betasten' met zijn neus en verleidt haar met een soort dansje. Dan zal de man achter op de vrouw klimmen en houdt zich goed vast, waarna de paring volgt.

Het vrouwtje graaft een nest met haar achterpoten in een mengsel van rivierzand langs de oever. Nadat de eitjes zijn afgezet, wordt het nest weer afgedekt en met het buikschild wordt het zand platgedrukt. Een enkel legsel bestaat uit ongeveer 9 tot 13 (gemiddeld 10) eitjes maar er worden per seizoen 3 legsels geproduceerd. Mannetjes zijn geslachtsrijp op een leeftijd van 5 tot 6 jaar, vrouwtjes op een leeftijd van 9 tot 12 jaar, soms eerder.

Net als vrijwel alle andere schildpadden heeft de roodbuikspitskopschildpad geen geslachtschromosomen; het geslacht is afhankelijk van de temperatuur waarop het ei wordt uitgebroed. Bij een temperatuur van 26 graden komen er voornamelijk mannetjes uit de eieren na ongeveer 60 dagen, bij 31 graden voornamelijk vrouwtjes na ongeveer 45 dagen. Bij temperaturen hiertussen komen er ongeveer evenveel vrouwtjes als mannetjes uit de eieren.

In gevangenschap[bewerken]

Exemplaar in een aquarium.

Volwassen dieren vereisen een groot aquarium. Een aquarium van ongeveer 180 cm lang, 50cm breed en 50cm hoog is voldoende voor een volwassen koppel. De hoogte van het water moet minimaal zo hoog zijn als de breedte van het schild, maar hoe hoger hoe beter. Decoratieve waterplanten zijn af te raden aangezien ze als voedsel worden beschouwd. Een goed bodemsubstraat bestaat uit grind of grof zand, ze vinden het fijn om te graven en naar voedsel te zoeken.

Ook vereisen ze altijd schoon water, omdat schimmelinfecties op de loer liggen door vervuild water. Mochten ze dit krijgen dan dient het water de komende dagen tot weken goed schoon te worden gehouden en zal de infectie meestal weer verdwijnen. Het water is het best schoon te houden met een filter, zoals een binnenfilter of een buitenfilter gebruiken. Daarnaast moet het aquarium om de zoveel weken worden schoongemaakt om algen en andere substanties te verwijderen, zeker als er een bodemsubstraat aanwezig is.

De eitjes worden uitgebroed in een stoof, maar eerst in bakjes in een substraat van vermiculiet of perliet gelegd, dit is te koop bij reptielenspeciaalzaken. Er wordt een klein kuiltje gemaakt voor het ei, dat er voor een derde in wordt gelegd. Het substraat dient iets aangedrukt te worden zodat het eitje niet om kan rollen, omdat het embryo verdrinkt als het ei wordt gedraaid. Vervolgens worden de eitjes in de broedstoof gezet, deze zijn te koop maar ook zelf te maken. De temperatuur moet tussen de kritieke waarden 26 en 34 graden liggen.

Bronvermelding[bewerken]