Spoedeisende hulp

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een hoogtechnologische behandelkamer voor spoedeisende hulp.
Een nog niet schoongemaakte behandelkamer voor spoedeisende hulp na de opvang van een patiënt.

De spoedeisende hulp is een gespecialiseerde afdeling van een ziekenhuis die erop gericht is medische en verpleegkundige zorg te verlenen aan ongevalslachtoffers en patiënten met acute aandoeningen of verwondingen.[1] Spoeddiensten maken deel uit van een keten van acute zorg waarin huisarts en huisartsen(wacht)post, meldkamer (de Hulpcentra 100/112 in België), verloskundige, ambulancedienst, MUG (België) en MMT (Nederland) elk hun aandeel leveren.[2] De benaming voor deze ziekenhuisafdeling verschilt van land tot land. In Nederland spreekt men meestal van de spoedeisende hulp (vaak afgekort tot SEH), de centrale spoedopvang (CSO) of de eerste hulp. In België spreekt men vaak van de spoed(gevallen)dienst, spoedafdeling, spoedopname of meestal gewoon kortweg de spoed.

Geschiedenis[bewerken]

Vroeger, voor er gespecialiseerde spoedeisende hulpafdelingen ingericht werden, werden patiënten met een dringend probleem opgevangen op een van de bestaande ziekenhuisafdelingen. Traumapatiënten (patiënten met ernstige verwondingen) werden meestal opgevangen in een vrije zaal op het operatiekwartier. Overdag was er permanentie door het personeel van het operatiekwartier, terwijl er 's nachts en tijdens het weekend vaak een verpleegkundige van wacht aanwezig was die indien nodig ander personeel kon oproepen. Patiënten met internistische problemen werden opgenomen op een van de gewone verpleegafdelingen naargelang hun aandoening. Patiënten met minder ernstige problemen werden gezien op een van de consultatieafdelingen. Sinds het ontstaan van intensieve zorgafdelingen werden patiënten met ernstige internistische aandoeningen meestal rechtstreeks op die afdeling opgevangen.[3]

De eerste officiële richtlijnen voor spoedgevallendiensten in België werden gegeven in bijlage I van het koninklijk besluit van 28 november 1986 omtrent de normen voor een dienst medische beeldvorming met een CT-scanner. Het doel van deze richtlijnen was definiëren wat precies een spoedgevallendienst was om dit te kunnen koppelen aan de erkenning van een CT-scanner. Voor een aantal ziekenhuizen die een CT-scanner wensten te installeren was dit een impuls om een aparte spoedgevallendienst op te richten die aan deze richtlijnen voldeed.

Werkwijze[bewerken]

Veel patiënten worden per ambulance naar de spoedeisende hulpafdeling gebracht.

Na binnenkomst van een of meerdere patiënten (met een ambulance, doorverwezen door de huisarts of op eigen houtje - de zogenaamde "zelfverwijzers") wordt meestal een triage uitgevoerd waarbij de aard van de verwonding of aandoening vastgesteld wordt en daarmee ook de prioriteit. Uiteraard zullen mensen met een ernstige aandoening eerder behandeld worden dan mensen met een minder spoedeisende aandoening. Het werk op de spoedeisende hulp is divers en omvat diagnostiek en soms behandeling op het terrein van onder meer de volgende disciplines:

Ook urologische en dermatologische klachten worden buiten kantooruren soms opgevangen op de spoedeisende hulp.

Organisatie[bewerken]

Een Amerikaans traumateam aan het werk op de spoedeisende hulp.

België[bewerken]

In België poogde de overheid een tweeledig systeem van acute ziekenhuiszorg in te voeren door het creëren van twee soorten ziekenhuisfuncties: de functies "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" en de functies "eerste opvang van spoedgevallen". Een ziekenhuisfunctie is een zorgonderdeel van een ziekenhuis dat diensten levert horizontaal over verschillende ziekenhuisdiensten heen, zoals bijvoorbeeld een ziekenhuisapotheek of een dagziekenhuis, in plaats van enkel aan een bepaalde groep patiënten (zoals bijvoorbeeld een materniteit). Enkel de functies "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" kunnen in de werking van de dringende geneeskundige hulpverlening (het 'systeem 112') ingeschakeld zijn; dat wil zeggen dat ambulances binnen het 112-systeem patiënten enkel naar ziekenhuizen met een dergelijke functie mogen brengen. Ziekenhuizen die niet over een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" beschikken, moeten een functie "eerste opvang van spoedgevallen" hebben. Deze functies kunnen niet in de werking van de dringende geneeskundige hulpverlening opgenomen zijn. In de praktijk beschikken bijna alle ziekenhuizen of ziekenhuisgroeperingen over een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg". Wanneer men in België van een spoedgevallendienst spreekt, bedoelt men daarom meestal een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg".

In België bestaan er geen officiële gespecialiseerde traumacentra.

Nederland[bewerken]

In Nederland bestaan er buiten de 'gewone' spoedeisende hulpafdelingen ook gespecialiseerde traumacentra. Zwaargewonde patiënten worden in deze centra opgevangen. Voor kleinere verwondingen en acute ziektes kan men in de 'gewone' spoedeisende hulpafdelingen terecht.

Materiaal[bewerken]

Met een pulse-oxymeter kan de hoeveelheid zuurstof in het bloed worden bepaald.

België[bewerken]

In België zijn de minimumvereisten qua beschikbaar materiaal voor een spoedgevallendienst bij wet- en regelgeving bepaald. Zo moet een spoedgevallendienst ("functie gespecialiseerde spoedgevallenzorg") beschikken over de noodzakelijke apparatuur voor monitoring, aspiratie, beademing en reanimatie; een elektrocardiogramtoestel; voldoende draagbare zuurstofflessen en brancards; een voorraad rode bloedcellenconcentraat en plasmavervangmiddelen (eventueel via de bloedbank van het ziekenhuis) en voldoende medicatie voor spoedpatiënten. De medische apparatuur moet aangesloten zijn op de noodstroomvoorziening van het ziekenhuis. Ook moet de spoedgevallendienst een telefaxtoestel, radiocommunicatiemiddelen voor het A.S.T.R.I.D.-netwerk en een eigen, onafhankelijke telefoonlijn voor communicatie met het Hulpcentrum 100/112 hebben.

De vereisten voor een "functie eerste opvang van spoedgevallen" zijn minder hoog: deze moet beschikken over voldoende medicatie en plasmavervangmiddelen; een vaste zuurstofbron; apparatuur voor aspiratie en een reanimatiekar voor toezicht op en behandeling van een patiënt in kritieke toestand. Tevens moet binnen het ziekenhuis een voorraad O-Rh-neagtief rode bloedcellenconcentraat en een mobiel röntgenapparaat beschikbaar zijn. Ook moet de functie beschikken over een eigen, onafhankelijke telefoonlijn.

Infrastructuur[bewerken]

In veel Engelstalige landen wordt de ingang van de spoedeisende hulp aangeduid met het woord 'EMERGENCY'.

De meeste spoedeisende hulpafdelingen beschikken normaalgezien over een onthaal, wachtruimte, triagelokaal, onderzoeksruimtes, reanimatieruimte(s) (ook wel shockroom, crashroom, acute kamer of traumakamer genoemd), meestal ook een aparte gipsruimte en soms eigen speciale voorzieningen zoals een eigen CT-scanner of radiologielokaal (meestal echter beschikt men op de spoedeisende hulp over mobiele röntgenapparatuur) of een decontaminatieruimte. Ook is er soms een observatiezaal of observatieafdeling aanwezig op de spoedeisende hulp.

België[bewerken]

In België zijn de minimumvereisten qua infrastructuur voor een spoedgevallendienst eveneens bij wet- en regelgeving bepaald. Zo moet een spoedgevallendienst (functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg") onder andere beschikken over een aparte voetgangersingang; een overdekte, verwarmde ambulancehal; een onthaal en wachtzaal; personeelsruimtes; onderzoekslokalen voor de spoedpatiënten; minstens twee bedden voor de opvang van patiënten in kritieke toestand (deze zijn meestal gesitueerd in één of meerdere ruimtes die men de 'shockrooms' of 'reanimatiezalen' noemt); een isolatieruimte voor psychiatrische patiënten en minstens vier bedden voor een 24-uursobservatie van patiënten. Verder moet een spoedgevallendienst beschikken over een lokaal dat kan gebruikt worden voor de triage bij massale toestroom van slachtoffers bij een ramp (in veel spoedgevallendiensten is er een specifiek triagelokaal dat ook gebruikt wordt voor triage in de reguliere spoedwerking). Sommige spoedgevallendiensten beschikken bovenop de wettelijke vereisten ook nog over bijkomende faciliteiten. Zo hebben sommige spoedgevallendiensten bijvoorbeeld hun eigen radiologiezaal of CT-scanner; of ze beschikken over een hyperbare zuurstoftank. Al dan niet in het kader van het nucleair noodplan beschikken sommige ziekenhuizen ook over decontaminatievoorzieningen.[4]

Een functie "eerste opvang van spoedgevallen" moet daarentegen slechts over één lokaal beschikken dat in de buurt van het ambulanceonthaal ligt.

Personeel[bewerken]

Onder bepaalde voorwaarden mag de arts die voor de spoeddienst instaat ook voor de MUG instaan.

Nederland[bewerken]

In Nederland bestaat het typische personeel uit arts-assistenten (al of niet in opleiding tot specialist of huisarts), soms artsen met een specialisatie tot SEH-arts en verpleegkundigen (eventueel opgeleid tot SEH-verpleegkundige).

België[bewerken]

In België moet het diensthoofd van de spoedgevallendienst (functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg") een erkend arts-specialist in de urgentiegeneeskunde zijn. De hoofdverpleegkundige van de spoedgevallendienst moet de bijzondere beroepstitel in intensieve zorg en spoedgevallenzorg hebben of ten minste vijf jaar specifieke ervaring hebben. Op de spoedgevallendienst moeten 24 uur op 24 uur ten minste één arts met specifieke kwalificaties en ten minste twee verpleegkundigen, waarvan één met de bijzondere beroepstitel in intensieve zorg en spoedgevallenzorg of met ten minste vijf jaar specifieke ervaring, aanwezig zijn. De dienstdoende arts mag, op een specifieke uitzondering voor de MUG na, zijn permanentie niet zomaar combineren met die van andere ziekenhuisafdelingen (zoals die voor de afdeling intensieve zorg) en mag niet langer dan 24 uur aan een stuk de permanentie vervullen. Wel is het personeel van de MUG, wanneer deze niet op interventie is, meestal werkzaam op de spoedgevallendienst van het ziekenhuis waartoe ze behoort.

Het team van de spoedgevallendienst moet, buiten zijn eigen spoedpersoneel, ten allen tijde een beroep kunnen doen op een aantal arts-specialisten (onder andere een chirurg, een anesthesist, een kinderarts en een psychiater). Ook moet het ten allen tijde een beroep kunnen doen op een aantal andere ziekenhuisdiensten, waaronder de afdeling intensieve zorg, het operatiekwartier, het klinisch laboratorium en de dienst medische beeldvorming (die over een mobiel röntgenapparaat en een CT-scanner moet beschikken). Het personeel van de spoedgevallendienst is tevens wettelijk verantwoordelijk voor de opleiding van het overige ziekenhuispersoneel in de reanimatie.

Voor de functie "eerste opvang van spoedgevallen" zijn de normen veel minder veeleisend. Het diensthoofd van de functie moet een erkend arts-specialist in de urgentiegeneeskunde zijn of een specifieke opleiding hebben genoten en is verantwoordelijk voor de opleiding van de rest van het personeel van de functie. De permanentie van de functie moet 24 uur op 24 uur door een arts en verpleegkundige worden waargenomen.

Wetgeving[bewerken]

Nederland[bewerken]

In 2009 zijn door de Werkgroep Kwaliteitsindeling SEH van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kwaliteitsrichtlijnen opgesteld met betrekking tot spoedeisende hulpafdelingen, na rapporten van Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). De Nederlandse richtlijnen stellen dat een SEH acute zorg levert en deze gedurende de openingstijden over voldoende deskundig personeel en materieel voor herkenning, stabilisatie en resuscitatie van alle acute medische calamiteiten dient te beschikken. Op een SEH moet men in staat zijn een breed scala aan acute ziekten en letsels in alle leeftijdscategorieën te herkennen en te behandelen of door te verwijzen.

Alle SEH’s moeten voldoen aan een basis kwaliteitsniveau en sommige SEH’s bieden daarnaast gespecialiseerde spoedeisende zorg aan één of meer omschreven patiëntencategorieën, in samenhang met ziekenhuisfuncties na de SEH (bijvoorbeeld intensieve zorg of chirurgie).[5][6] Dit basiskwaliteitsniveau stelt onder meer dat op de spoedeisende hulp speciaal opgeleide artsen en verpleegkundigen moeten werken, dat er altijd een arts binnen 5 minuten aanwezig moet zijn die een luchtweg kan zekeren en dat verpleegkundigen in staat zijn om te beademen.[7]

België[bewerken]

De eerste officiële richtlijnen voor spoedgevallendiensten werden weergegeven in bijlage I van het koninklijk besluit van 28 november 1986 omtrent de normen voor een dienst medische beeldvorming met een CT-scanner. Het doel van deze richtlijnen was definiëren wat precies een spoedgevallendienst was om dit te kunnen koppelen aan de erkenning van een CT-scanner.[8] Deze normen werden, in afwachting van definitieve normen, gebruikt als erkenningsnormen voor spoedgevallendiensten die in de werking van de dringende geneeskundige hulpverlening (het 'systeem 112') wensten te worden opgenomen volgens het koninklijk besluit van 2 april 1965 omtrent de dringende geneeskundige hulpverlening.[9]

Op 27 april 1998 traden de huidige richtlijnen voor spoedgevallendiensten in werking met vier nieuwe koninklijke besluiten. Het 'koninklijk besluit van 27 april 1998 waarbij sommige bepalingen van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, toepasselijk worden verklaard op de functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg"' bepaalt dat een spoedgevallendienst een ziekenhuisfunctie is volgens de ziekenhuiswet.[10] Verder bepaalt dit koninklijk besluit de opdracht van een spoedgevallendienst als volgt:

Aanhalingsteken openen

De functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" moet in staat zijn de vitale functies te vrijwaren, te stabiliseren en te herstellen en is belast met de opvang van elkeen die er zich aanmeldt of erheen wordt gevoerd en waarvan de gezondheidstoestand onmiddellijke verzorging vereist of kan vereisen.

Aanhalingsteken sluiten

Het definieert verder ook wat deze opvang precies omvat. Het tweede 'koninklijk besluit van 27 april 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" moet voldoen om erkend te worden' bepaalt verder de specifieke vereiste infrastructuur, materiaal, personeel, organisatie en werkingsnormen.[11] Het derde 'koninklijk besluit van 27 april 1998 waarbij sommige bepalingen van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, toepasselijk worden verklaard op de functie "eerste opvang van spoedgevallen"' bepaalt dat deze functie eveneens een ziekenhuisfunctie is en definieert zijn opdracht als volgt:[12]

Aanhalingsteken openen

De functie "eerste opvang van spoedgevallen" beoogt het onthaal en de behandeling van patiënten met een acute pathologie in ziekenhuizen die niet over een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" beschikken.

Aanhalingsteken sluiten

Het laatste 'koninklijk besluit van 27 april 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "eerste opvang van spoedgevallen" moet voldoen om te worden erkend' bepaalt dat elk algemeen ziekenhuis dat niet over een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" beschikt over een functie "eerste opvang van spoedgevallen" moet beschikken en bepaalt de precieze normen waaraan deze functie moet voldoen.[13]

Zowel de van toepassing zijnde koninklijke besluiten als de wet- en regelgeving rond de dringende geneeskundige hulpverlening (het 'systeem 112') bepalen dat een spoedgevallendienst geen patiënten mag weigeren; noch patiënten die zichzelf hebben aangemeld, noch patiënten die per ambulance zijn binnengebracht.

Statistieken[bewerken]

België[bewerken]

Het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid publiceerde in 2011 statistieken met betrekking tot spoedcontacten in Vlaanderen uit de Minimale Ziekenhuisgegevens (MZG) die elk ziekenhuis moet bijhouden in opdracht van de FOD Volksgezondheid. Daaruit bleek dat voor 2011:

  • Er in totaal 1 449 731 spoedcontacten waren in alle Vlaamse ziekenhuizen, waarvan enerzijds 892 209 ambulante contacten en anderzijds 557 522 contacten die tot een hospitalisatie leidden. Daarmee resulteerden 38,5% van de aanmeldingen op spoedgevallendiensten in een hospitalisatie terwijl het merendeel (61,5%) ambulant werd behandeld.
  • Het grootste deel van deze patiënten zichzelf heeft aangemeld op de spoedgevallendienst (81,2%), terwijl 15,2% van de patiënten per ambulance werd binnengebracht (privaat ambulancevervoer of via 100/112) zonder MUG-bijstand en 3,6% van de patiënten per ambulance werd binnengebracht met MUG-bijstand.[14]

Trivia[bewerken]

  • In de Nederlandse televisieserie Ingang Oost werd het werk op de afdeling spoedeisende hulp in beeld gebracht. Ook de Belgische televisieserie Spoed is gebaseerd op het werk op deze afdeling.