Spoedeisende hulp

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een hoogtechnologische behandelkamer voor spoedeisende hulp.
Een nog niet schoongemaakte behandelkamer voor spoedeisende hulp na de opvang van een patiënt.

De spoedeisende hulp is een gespecialiseerde afdeling van een ziekenhuis die erop gericht is medische en verpleegkundige zorg te verlenen aan ongevalslachtoffers en patiënten met acute aandoeningen of verwondingen.[1] Spoeddiensten maken deel uit van een keten van acute zorg waarin huisarts en huisartsen(wacht)post, meldkamer (de Hulpcentra 100/112 in België), verloskundige, ambulancedienst, MUG (België) en MMT (Nederland) elk hun aandeel leveren.[2] De benaming voor deze ziekenhuisafdeling verschilt van land tot land. In Nederland spreekt men meestal van de spoedeisende hulp (vaak afgekort tot SEH), de centrale spoedopvang (CSO) of de eerste hulp. In België spreekt men vaak van de spoed(gevallen)dienst, spoedafdeling, spoedopname of meestal gewoon kortweg de spoed.

Geschiedenis[bewerken]

Vroeger, voor er gespecialiseerde spoedeisende hulpafdelingen ingericht werden, werden patiënten met een dringend probleem opgevangen op een van de bestaande ziekenhuisafdelingen. Traumapatiënten (patiënten met ernstige verwondingen) werden meestal opgevangen in een vrije zaal op het operatiekwartier. Overdag was er permanentie door het personeel van het operatiekwartier, terwijl er 's nachts en tijdens het weekend vaak een verpleegkundige van wacht aanwezig was die indien nodig ander personeel kon oproepen. Patiënten met internistische problemen werden opgenomen op een van de gewone verpleegafdelingen naargelang hun aandoening. Patiënten met minder ernstige problemen werden gezien op een van de consultatieafdelingen. Sinds het ontstaan van intensieve zorgafdelingen werden patiënten met ernstige internistische aandoeningen meestal rechtstreeks op die afdeling opgevangen.[3]

De eerste officiële richtlijnen voor spoedgevallendiensten in België werden gegeven in bijlage I van het koninklijk besluit van 28 november 1986 omtrent de normen voor een dienst medische beeldvorming met een CT-scanner. Het doel van deze richtlijnen was definiëren wat precies een spoedgevallendienst was om dit te kunnen koppelen aan de erkenning van een CT-scanner. Voor een aantal ziekenhuizen die een CT-scanner wensten te installeren was dit een impuls om een aparte spoedgevallendienst op te richten die aan deze richtlijnen voldeed.

Werkwijze[bewerken]

Veel patiënten worden per ambulance naar de spoedeisende hulpafdeling gebracht.

Na binnenkomst van een of meerdere patiënten (met een ambulance, doorverwezen door de huisarts of op eigen houtje - de zogenaamde "zelfverwijzers") wordt meestal een triage uitgevoerd waarbij de aard van de verwonding of aandoening vastgesteld wordt en daarmee ook de prioriteit. Uiteraard zullen mensen met een ernstige aandoening eerder behandeld worden dan mensen met een minder spoedeisende aandoening. Het werk op de spoedeisende hulp is divers en omvat diagnostiek en soms behandeling op het terrein van onder meer de volgende disciplines:

Ook urologische en dermatologische klachten worden buiten kantooruren soms opgevangen op de spoedeisende hulp.

Organisatie[bewerken]

Een Amerikaans traumateam aan het werk op de spoedeisende hulp.

Nederland[bewerken]

In Nederland bestaan er buiten de 'gewone' spoedeisende hulpafdelingen ook gespecialiseerde traumacentra. Zwaargewonde patiënten worden in deze centra opgevangen. Voor kleinere verwondingen en acute ziektes kan men in de 'gewone' spoedeisende hulpafdelingen terecht.

België[bewerken]

In België poogde de overheid een tweeledig systeem van acute ziekenhuiszorg in te voeren door het creëren van twee soorten ziekenhuisfuncties: de functies "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" en de functies "eerste opvang van spoedgevallen". Een ziekenhuisfunctie is een zorgonderdeel van een ziekenhuis dat diensten levert horizontaal over verschillende ziekenhuisdiensten heen, zoals bijvoorbeeld een ziekenhuisapotheek of een dagziekenhuis, in plaats van enkel aan een bepaalde groep patiënten (zoals bijvoorbeeld een materniteit). Enkel de functies "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" kunnen in de werking van de dringende geneeskundige hulpverlening (het 'systeem 112') ingeschakeld zijn; dat wil zeggen dat ambulances binnen het 112-systeem patiënten enkel naar ziekenhuizen met een dergelijke functie mogen brengen. Ziekenhuizen die niet over een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" beschikken, moeten een functie "eerste opvang van spoedgevallen" hebben. Deze functies kunnen niet in de werking van de dringende geneeskundige hulpverlening opgenomen zijn. In de praktijk beschikken bijna alle ziekenhuizen of ziekenhuisgroeperingen over een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg". Wanneer men in België van een spoedgevallendienst spreekt, bedoelt men daarom meestal een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg".

In België bestaan er geen officiële gespecialiseerde traumacentra.

Normen[bewerken]

Nederland[bewerken]

Infrastructuur[bewerken]

In veel Engelstalige landen wordt de ingang van de spoedeisende hulp aangeduid met het woord 'EMERGENCY'.

De meeste spoedeisende hulpafdelingen beschikken normaalgezien over een onthaal, wachtruimte, triagelokaal, onderzoeksruimtes, reanimatieruimte(s) (ook wel shockroom, crashroom, acute kamer of traumakamer genoemd), meestal ook een aparte gipsruimte en soms eigen speciale voorzieningen zoals een eigen CT-scanner of radiologielokaal (meestal echter beschikt men op de spoedeisende hulp over mobiele röntgenapparatuur) of een decontaminatieruimte. Ook is er soms een observatiezaal of observatieafdeling aanwezig op de spoedeisende hulp.

Personeel[bewerken]

In Nederland bestaat het typische personeel uit arts-assistenten (al of niet in opleiding tot specialist of huisarts), soms artsen met een specialisatie tot SEH-arts en verpleegkundigen (eventueel opgeleid tot SEH-verpleegkundige).

Wetgeving[bewerken]

In 2009 zijn door de Werkgroep Kwaliteitsindeling SEH van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kwaliteitsrichtlijnen opgesteld met betrekking tot spoedeisende hulpafdelingen, na rapporten van Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). De Nederlandse richtlijnen stellen dat een SEH acute zorg levert en deze gedurende de openingstijden over voldoende deskundig personeel en materieel voor herkenning, stabilisatie en resuscitatie van alle acute medische calamiteiten dient te beschikken. Op een SEH moet men in staat zijn een breed scala aan acute ziekten en letsels in alle leeftijdscategorieën te herkennen en te behandelen of door te verwijzen.

Alle SEH’s moeten voldoen aan een basis kwaliteitsniveau en sommige SEH’s bieden daarnaast gespecialiseerde spoedeisende zorg aan één of meer omschreven patiëntencategorieën, in samenhang met ziekenhuisfuncties na de SEH (bijvoorbeeld intensieve zorg of chirurgie).[4][5] Dit basiskwaliteitsniveau stelt onder meer dat op de spoedeisende hulp speciaal opgeleide artsen en verpleegkundigen moeten werken, dat er altijd een arts binnen 5 minuten aanwezig moet zijn die een luchtweg kan zekeren en dat verpleegkundigen in staat zijn om te beademen.[6]

België[bewerken]

Materiaal[bewerken]

Met een pulse-oxymeter kan de hoeveelheid zuurstof in het bloed worden bepaald.

In België zijn de minimumvereisten qua beschikbaar materiaal voor een spoedgevallendienst bij wet- en regelgeving bepaald. Zo moet een spoedgevallendienst ("functie gespecialiseerde spoedgevallenzorg") beschikken over de noodzakelijke apparatuur voor monitoring, aspiratie, beademing en reanimatie; een elektrocardiogramtoestel; voldoende draagbare zuurstofflessen en brancards; een voorraad rode bloedcellenconcentraat en plasmavervangmiddelen (eventueel via de bloedbank van het ziekenhuis) en voldoende medicatie voor spoedpatiënten. De medische apparatuur moet aangesloten zijn op de noodstroomvoorziening van het ziekenhuis. Ook moet de spoedgevallendienst een telefaxtoestel, radiocommunicatiemiddelen voor het A.S.T.R.I.D.-netwerk en een eigen, onafhankelijke telefoonlijn voor communicatie met het Hulpcentrum 100/112 hebben.

De vereisten voor een "functie eerste opvang van spoedgevallen" zijn minder hoog: deze moet beschikken over voldoende medicatie en plasmavervangmiddelen; een vaste zuurstofbron; apparatuur voor aspiratie en een reanimatiekar voor toezicht op en behandeling van een patiënt in kritieke toestand. Tevens moet binnen het ziekenhuis een voorraad O-Rh-neagtief rode bloedcellenconcentraat en een mobiel röntgenapparaat beschikbaar zijn. Ook moet de functie beschikken over een eigen, onafhankelijke telefoonlijn.

Infrastructuur[bewerken]

In België zijn de minimumvereisten qua infrastructuur voor een spoedgevallendienst eveneens bij wet- en regelgeving bepaald. Zo moet een spoedgevallendienst (functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg") onder andere beschikken over een aparte voetgangersingang; een overdekte, verwarmde ambulancehal; een onthaal en wachtzaal; personeelsruimtes; onderzoekslokalen voor de spoedpatiënten; minstens twee bedden voor de opvang van patiënten in kritieke toestand (deze zijn meestal gesitueerd in één of meerdere ruimtes die men de 'shockrooms' of 'reanimatiezalen' noemt); een isolatieruimte voor psychiatrische patiënten en minstens vier bedden voor een 24-uursobservatie van patiënten. Verder moet een spoedgevallendienst beschikken over een lokaal dat kan gebruikt worden voor de triage bij massale toestroom van slachtoffers bij een ramp (in veel spoedgevallendiensten is er een specifiek triagelokaal dat ook gebruikt wordt voor triage in de reguliere spoedwerking). Sommige spoedgevallendiensten beschikken bovenop de wettelijke vereisten ook nog over bijkomende faciliteiten. Zo hebben sommige spoedgevallendiensten bijvoorbeeld hun eigen radiologiezaal of CT-scanner; of ze beschikken over een hyperbare zuurstoftank. Al dan niet in het kader van het nucleair noodplan beschikken sommige ziekenhuizen ook over decontaminatievoorzieningen.[7]

Een functie "eerste opvang van spoedgevallen" moet daarentegen slechts over één lokaal beschikken dat in de buurt van het ambulanceonthaal ligt.

Personeel[bewerken]

Onder bepaalde voorwaarden mag de arts die voor de spoeddienst instaat ook voor de MUG instaan.

In België moet het diensthoofd van de spoedgevallendienst (functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg") een erkend arts-specialist in de urgentiegeneeskunde zijn. De hoofdverpleegkundige van de spoedgevallendienst moet de bijzondere beroepstitel in intensieve zorg en spoedgevallenzorg hebben of ten minste vijf jaar specifieke ervaring hebben. Op de spoedgevallendienst moeten 24 uur op 24 uur ten minste één arts met specifieke kwalificaties en ten minste twee verpleegkundigen, waarvan één met de bijzondere beroepstitel in intensieve zorg en spoedgevallenzorg of met ten minste vijf jaar specifieke ervaring, aanwezig zijn. De dienstdoende arts mag, op een specifieke uitzondering voor de MUG na, zijn permanentie niet zomaar combineren met die van andere ziekenhuisafdelingen (zoals die voor de afdeling intensieve zorg) en mag niet langer dan 24 uur aan een stuk de permanentie vervullen. Wel is het personeel van de MUG, wanneer deze niet op interventie is, meestal werkzaam op de spoedgevallendienst van het ziekenhuis waartoe ze behoort.

Het team van de spoedgevallendienst moet, buiten zijn eigen spoedpersoneel, ten allen tijde een beroep kunnen doen op een aantal arts-specialisten (onder andere een chirurg, een anesthesist, een kinderarts en een psychiater). Ook moet het ten allen tijde een beroep kunnen doen op een aantal andere ziekenhuisdiensten, waaronder de afdeling intensieve zorg, het operatiekwartier, het klinisch laboratorium en de dienst medische beeldvorming (die over een mobiel röntgenapparaat en een CT-scanner moet beschikken). Het personeel van de spoedgevallendienst is tevens wettelijk verantwoordelijk voor de opleiding van het overige ziekenhuispersoneel in de reanimatie.

Voor de functie "eerste opvang van spoedgevallen" zijn de normen veel minder veeleisend. Het diensthoofd van de functie moet een erkend arts-specialist in de urgentiegeneeskunde zijn of een specifieke opleiding hebben genoten en is verantwoordelijk voor de opleiding van de rest van het personeel van de functie. De permanentie van de functie moet 24 uur op 24 uur door een arts en verpleegkundige worden waargenomen.

Wetgeving[bewerken]

De eerste officiële richtlijnen voor spoedgevallendiensten werden weergegeven in bijlage I van het koninklijk besluit van 28 november 1986 omtrent de normen voor een dienst medische beeldvorming met een CT-scanner. Het doel van deze richtlijnen was definiëren wat precies een spoedgevallendienst was om dit te kunnen koppelen aan de erkenning van een CT-scanner.[8] Deze normen werden, in afwachting van definitieve normen, gebruikt als erkenningsnormen voor spoedgevallendiensten die in de werking van de dringende geneeskundige hulpverlening (het 'systeem 112') wensten te worden opgenomen volgens het koninklijk besluit van 2 april 1965 omtrent de dringende geneeskundige hulpverlening.[9]

Op 27 april 1998 traden de huidige richtlijnen voor spoedgevallendiensten in werking met vier nieuwe koninklijke besluiten. Het 'koninklijk besluit van 27 april 1998 waarbij sommige bepalingen van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, toepasselijk worden verklaard op de functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg"' bepaalt dat een spoedgevallendienst een ziekenhuisfunctie is volgens de ziekenhuiswet.[10] Verder bepaalt dit koninklijk besluit de opdracht van een spoedgevallendienst als volgt:

Aanhalingsteken openen

De functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" moet in staat zijn de vitale functies te vrijwaren, te stabiliseren en te herstellen en is belast met de opvang van elkeen die er zich aanmeldt of erheen wordt gevoerd en waarvan de gezondheidstoestand onmiddellijke verzorging vereist of kan vereisen.

Aanhalingsteken sluiten

Het definieert verder ook wat deze opvang precies omvat. Het tweede 'koninklijk besluit van 27 april 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" moet voldoen om erkend te worden' bepaalt verder de specifieke vereiste infrastructuur, materiaal, personeel, organisatie en werkingsnormen.[11] Het derde 'koninklijk besluit van 27 april 1998 waarbij sommige bepalingen van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, toepasselijk worden verklaard op de functie "eerste opvang van spoedgevallen"' bepaalt dat deze functie eveneens een ziekenhuisfunctie is en definieert zijn opdracht als volgt:[12]

Aanhalingsteken openen

De functie "eerste opvang van spoedgevallen" beoogt het onthaal en de behandeling van patiënten met een acute pathologie in ziekenhuizen die niet over een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" beschikken.

Aanhalingsteken sluiten

Het laatste 'koninklijk besluit van 27 april 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie "eerste opvang van spoedgevallen" moet voldoen om te worden erkend' bepaalt dat elk algemeen ziekenhuis dat niet over een functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg" beschikt over een functie "eerste opvang van spoedgevallen" moet beschikken en bepaalt de precieze normen waaraan deze functie moet voldoen.[13]

Zowel de van toepassing zijnde koninklijke besluiten als de wet- en regelgeving rond de dringende geneeskundige hulpverlening (het 'systeem 112') bepalen dat een spoedgevallendienst geen patiënten mag weigeren; noch patiënten die zichzelf hebben aangemeld, noch patiënten die per ambulance zijn binnengebracht.

Inspectie[bewerken]

De Zorginspectie van de Vlaamse overheid is verantwoordelijk voor het inspecteren van alle Vlaamse ziekenhuizen en hun diensten. De inspectieverslagen kunnen op de website van de Zorginspectie opgevraagd worden.[14]

Statistieken[bewerken]

Nederland[bewerken]

SEH-aanbod[bewerken]

Uit analyses van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu bleek dat Nederland in totaal over 95 spoedeisende hulpafdelingen beschikte in 2014. Daarvan waren 91 spoedeisende hulpafdelingen permanent geopend (24 uur op 24 en 7 dagen per week). Daarnaast waren er nog vier spoedeisende hulpafdelingen die enkel tijdens bepaalde uren geopend zijn (één enkel overdag en drie overdag en 's avonds). 9 SEH's werden verder als 'gevoelig' aangemerkt. Een als 'gevoelig' aangemerkte SEH is een SEH waarvan een sluiting ervoor zou zorgen dat het aantal mensen zou toenemen dat niet meer binnen de 45-minutennorm per ambulance een SEH kan bereiken. Een ziekenhuis mag deze SEH's niet zomaar sluiten. Ten opzichte van de laatste inventarisatie in 2013 waren er drie permanent geopende SEH's minder en één 'gevoelige' SEH meer. Ten opzichte van de allereerste inventarisatie in 2003 waren er 16 permanent geopende SEH's minder (in 2003 waren er 107). Daarmee is er de afgelopen jaren een algemene afname in het aantal SEH's merkbaar.

Van de 91 permanent geopende SEH's hadden er 16 permanent beschikking over een SEH-arts, 52 SEH's enkel gedurende een deel van de dag en week terwijl 23 SEH's helemaal geen SEH-arts in dienst hadden. 87 van de 91 permanent geopende SEH's voldeden aan de basiskwaliteitsvereisten voor een SEH. Voor de vier SEH's die niet voldeden aan de basiskwaliteitsvereisten was dit omwille van onvoldoende opleiding van de SEH-verpleegkundigen omtrent ernstig zieke kinderen. De afdeling kindergeneeskunde van deze ziekenhuislocaties voldeed echter wel aan deze norm. 71 SEH's hadden verder ook een huisartsenpost (HAP) op hun ziekenhuislocatie. Op 31 van deze ziekenhuislocaties werkten de HAP en de SEH geïntegreerd samen. 29 van deze 31 SEH-HAP-combinaties hadden een permanent (24/7) geopende SEH.

Begin 2016 werden de cijfers geactualiseerd; door de concentrering van enkele SEH's bleven er begin 2016 89 permanent geopende SEH's over. Ook steeg het aantal SEH's dat als 'gevoelig' werd aangemerkt tot 12.

SEH-bereikbaarheid[bewerken]

Uit de analyse van 2014 bleek dat 99,8% van de Nederlandse bevolking binnen 45 minuten naar een SEH kon worden gevoerd per ambulance. Onder deze norm van 45 minuten worden een vaste 3 minuten voor de melding, de tijd waarin de ambulance met spoed naar de patiënt rijdt, een vaste 5 minuten om de patiënt in de ambulance te laden en de tijd waarin de ambulance met spoed de patiënt naar de SEH overbrengt verstaan. Ongeveer 24 300 inwoners lagen buiten deze 45-minutenzone. De meesten hiervan woonden op de Waddeneilanden maar er vielen ook twee gebieden in respectievelijk De Marne en Baarle-Nassau buiten deze 45-minutenzone. De 45-minutennorm is opgenomen in de beleidsregels van de Wet toelating zorginstellingen (Wtzi).[15]

Begin 2016 werd een nieuw model in gebruik genomen door het RIVM om de rijtijden van ambulances te berekenen. Door dit nieuwe model werd de berekende rijtijd voor ambulances voor de meeste gebieden in Nederland één tot twee minuten langer. Als gevolg hiervan steeg het aantal mensen dat buiten de 45-minutenzone viel van ongeveer 24 300 tot 33 300. Het betrof inwoners van de Waddeneilanden en de gemeenten De Marne, Baarle-Nassau, Korendijk, Sluis en Steenwijkerland.[16]

Bij deze bereikbaarheidsanalyses werd wel geen rekening gehouden met de eventuele inschakeling van buitenlandse hulpdiensten in de grensgebieden met België en Duitsland. Ook gaat het hierbij enkel om theoretische bereikbaarheid; door de praktische omstandigheden kan de reële bereikbaarheid sterk afwijken.

Anno 2016 kon tevens 99,5% van de Nederlandse bevolking met eigen vervoer (personenauto) een SEH bereiken binnen 30 minuten. Ongeveer 78 000 inwoners woonden meer dan 30 minuten rijden verwijderd van een SEH; het gaat hier dan vooral om inwoners uit de Waddeneilanden, Zeeuws-Vlaanderen, Schouwen-Duiveland, Noordoostpolder en sommige delen van Friesland en Noord-Groningen. In 2005 bedroeg dit aantal slechts ongeveer 45 000 inwoners; ten opzichte van 2005 is het aantal mensen dat op meer dan 30 minuten rijden van een SEH woont dus bijna verdubbeld. Dit aantal nam daarmee omgekeerd evenredig toe met de afname van het aantal SEH's.

SEH-bezoeken[bewerken]

Uit het Letsel Informatie Systeem (LIS) berekende de Stichting Consument en Veiligheid (nu VeiligheidNL) dat SEH's in de periode 2004-2008 gemiddeld 1,9 miljoen bezoekers per jaar kregen, wat overeen kwam met 116 bezoeken per 1 000 inwoners per jaar. Het LIS is een databank die sinds 1997 bestaat met gegevens over de patiënten die door de deelnemende SEH's behandeld zijn. Aan het LIS werken een steekproef van Nederlandse SEH's mee.[17] Sommige andere onderzoeken lieten echter veel lagere bezoekersaantallen zien.[18] In IJ­mui­den werd in 2002 en 2003 het aantal bezoeken gemeten voor vier maanden gemeten op drie SEH’s, waarbij een gemiddelde van 39 SEH-bezoeken per 1 000 inwoners per jaar naar voren kwam.[19]

In december 2012 werd met behulp van een nationale enquête gemeten hoeveel bezoeken plaatsvonden aan SEH's die permanent (24 uur op 24 en 7 dagen per week) geopend zijn. 89 SEH's van de 93 gecontacteerde verstrekten gegevens, waarmee er een respons was van 96%. Op deze 89 SEH's waren er in 2012 1 989 746 patiënten behandeld, waarbij het aantal patiënten per ziekenhuislocatie gemiddeld 22 357 was en varieerde van 6 000 tot 50 000. Na correctie voor de SEH's waarvoor geen gegevens waren kwam men tot een schatting voor heel Nederland van ongeveer 2 079 000 SEH-bezoeken, wat overeenkomt met ongeveer 124 SEH-bezoeken per 1 000 inwoners.[20] Die schatting lag in de buurt van de schatting berekend op basis van de LIS-registratie voor 2012, dewelke 2 049 000 SEH-bezoeken bedroeg.

Uit gegevens van het LIS schatte de organisatie VeiligheidNL dat er voor het jaar 2013 daarop ongeveer 1,8 miljoen bezoeken aan SEH's van ziekenhuizen plaatsvonden, wat overeenkomt met ongeveer 110 bezoeken per 1 000 inwoners. Het aantal bezoeken per uur was overdag het hoogst; ongeveer 67% van de SEH-bezoeken gebeurden tussen 06:00 en 17:59 uur. Verder waren er geen grote verschillen tussen het aantal bezoeken op weekdagen en die tijdens het weekend. Deze schattingen waren gebaseerd op de gegevens van veertien SEH's van twaalf ziekenhuizen. Elk van deze deelnemende SEH's registreerde acute lichamelijke letsels en dertien registreerden ook acute ziekten en aandoeningen. Deze schattingen waren echter mogelijk niet representatief omdat deze bestonden uit drie UMC's en negen kleinere ziekenhuizen (topklinische en middelgrote ziekenhuizen ontbraken dus). Ook kon de ligging of de sociaaleconomische status van de patiënten een vertekend beeld hebben gegeven. Omdat niet alle acute problemen op de SEH worden opgevangen (bijvoorbeeld acute psychische problemen) gaven ze mogelijk ook geen volledig beeld van alle acute gezondheidsproblemen die in algemene en psychiatrische ziekenhuizen worden opgevangen. Vanaf 2014 nam wel een topklinisch ziekenhuis deel aan het LIS.[21]

SEH-patiënten[bewerken]

Uit de nationale enquête van 2012 bleek dat gemiddeld 32% van alle patiënten gehospitaliseerd werd, terwijl 68% ambulant werd behandeld. Gemiddeld was 30% van de behandelde patiënten een zelfverwijzer.

Uit de LIS-analyse van VeiligheidNL voor 2013 bleek dat het aantal bezoeken per 1 000 inwoners het hoogst was voor personen van 65 jaar of ouder. Absoluut gezien bezochten mensen uit de leeftijdscategorie 18-44 jaar (met 500 000 bezoeken) en 45-64 jaar (met 430 000 bezoeken) de SEH het vaakst; samen was dit meer dan de helft (52%) van alle bezoeken. Ongeveer 37% van de bezoeken (± 660 000 bezoeken) was het gevolg van een letsel of een vergiftiging en ongeveer 55% (± 980 000 bezoeken) was het gevolg van een ziekte of aandoening. Ongeveer 4% (± 70 000 bezoeken) was omwille van een controle. Voor de bezoeken omwille van een letsel bleek dat letsels van de bovenste ledematen (schouder, arm en hand) het vaakst reden waren voor SEH-bezoek.

België[bewerken]

Het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid publiceerde in 2011 statistieken met betrekking tot bezoeken aan spoedgevallendiensten in Vlaanderen uit de Minimale Ziekenhuisgegevens (MZG) die elk ziekenhuis moet bijhouden in opdracht van de FOD Volksgezondheid. Daaruit bleek dat voor 2011:

  • Er in totaal 1 449 731 bezoeken waren aan de spoedgevallendiensten van alle Vlaamse ziekenhuizen, waarvan enerzijds 892 209 ambulante bezoeken en anderzijds 557 522 bezoeken die tot een hospitalisatie leidden. Daarmee resulteerden 38,5% van de aanmeldingen op spoedgevallendiensten in een hospitalisatie terwijl het merendeel (61,5%) ambulant werd behandeld.
  • Het grootste deel van deze patiënten zichzelf had aangemeld op de spoedgevallendienst (81,2%), terwijl 15,2% van de patiënten per ambulance werd binnengebracht (privaat ambulancevervoer of via 100/112) zonder MUG-bijstand en 3,6% van de patiënten per ambulance werd binnengebracht met MUG-bijstand.[22]

In 2007 vonden er 1 292 440 bezoeken plaats aan Vlaamse spoedgevallendiensten. Het aantal bezoeken nam daarmee de afgelopen jaren toe.

Trivia[bewerken]

  • In de Nederlandse televisieserie Ingang Oost werd het werk op de afdeling spoedeisende hulp in beeld gebracht. Ook de Belgische televisieserie Spoed is gebaseerd op het werk op deze afdeling.

Zie ook[bewerken]