Staatsnationalisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Staatsnationalisme is een vorm van nationalisme waarbij de natie wordt gedefinieerd als de burgerschap van de bestaande staat. Het formele staatsburgerschap is hier uitgangspunt. Het onderscheidt zich daarmee van het etnisch nationalisme dat juist een staat wil vormen vanuit een, tot natie geëvolueerd, volk ('etnie'). In het staatsnationalisme behoort men pas volledig tot de natie als men zich solidariseert en identificeert met de wetgeving, gewoontes en normen, de geschiedenis en de taal van de staat. In het staatsnationalisme wordt de nationale identiteit bewust en programmatisch vormgegeven door het onderwijs en de media, om dan in een succesvol proces na enkele generaties een vanzelfsprekendheid te worden.

Het Franse staatsnationalisme geldt als een historisch model. Het ontstond in de tijd van de Franse Revolutie en kenmerkte zich, althans in theorie, als liberaal en progressief. Het stond sindsdien model voor zich elders ontwikkelende nationalismen en was grondslag en een kader voor de democratische emancipatie van de staatsburgers. In het etnisch nationalisme of volksnationalisme van Centraal- en Oost-Europa gold een geheel ander uitgangspunt en verliep de ontwikkeling dan ook wezenlijk anders. De volkeren hier leefden in supra- en multinationale staten, zoals Oostenrijk-Hongarije, het Russische en het Ottomaanse Rijk, en konden niet binnen deze staten naar hun staatkundige emancipatie streven. Zij streefden daarom naar een eigen nationale staatsvorm waarbinnen zij zich politiek en cultureel wel zouden kunnen emanciperen. Hun uitgangspunt was daarmee niet het bestaande staatsburgerschap, maar het behoren tot een volk (etniciteit), of, indien deze was gepolitiseerd, een natie. Soevereiniteit was hier, anders dan in het staatsnationale denken, niet in de bestaande staat verankerd maar in een volk. Niet de soevereine staat maar het soevereine 'volk' was uitgangspunt. Pas na het stichten van een op dat volk gebaseerde nationale staat zou politieke emancipatie van het volk in die staat tot een staatsburgerschap ontwikkeld kunnen worden. Het behoren tot en solidariseren met de staatsnatie door de staatsburgers was hierbij naast uitgangspunt de voorwaarde. Het gevolg was dat groepen die daaraan zich niet wilden of konden voldoen een tweederangs staatsburgerschap kregen, aangeduid als 'nationale minderheid'. In dit deel van Europa kwam de staatsvorming aldus in de schaduw van de nationale identiteitsvorming te staan. De nationale staat werd daar uiteindelijk het resultaat van de nationale identiteit, en niet de vormgever ervan, zoals in West-Europa, waar oorspronkelijk ook nationale althans etnische minderheden voorkwamen maar gaandeweg werden zij door assimilatie en aanpassing toch in de staatsburgerschap geïntegreerd. Nog steeds speelt dit, tot onbegrip en misverstand leidende, verschil een rol in de verhouding tussen de Europese staten en in het onbegrip voor de tegenstellingen tussen natie en nationale minderheid in de Midden-Europese staten. Zie etnisch nationalisme, een moderne term voor het oudere volksnationalisme, dat het odium draagt van vooroorlogs fascisme.