Equinor

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Statoil)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Equinor ASA
Equinor.svg
Beurs OSE: EQNR
NYSE: EQNR
Oprichting 14 juni 1972
Oprichter(s) Noorse staat
Sleutelfiguren Jon Erik Reinhardsen (voorzitter),
Anders Opedal (CEO),
Svein Skeie (CFO)
Hoofdkantoor Stavanger, Noorwegen
Werknemers 21.412 (2019)[1]
Producten Olie, (vloeibaar) gas
Omzet/jr US$ 64,4 miljard (2019)[1]
Winst/jr US$ 1851 miljoen (2019)[1]
Website (en) https://www.equinor.com
Portaal  Portaalicoon   Economie
Gullfaks Alpha platform

Equinor ASA is een Noors energiebedrijf. Energie wordt gewonnen uit olie, gas en wind. Forbes plaatste in 2020 het bedrijf op #165[2] in de Global 2000, de 2000 grootste bedrijven ter wereld gemeten naar omzet, winst, activa en marktkapitalisatie

Tot 2018 heette het bedrijf Statoil. De naamswijziging werd doorgevoerd omdat het bedrijf meerdere soorten producten aanbiedt naast energie uit fossiele brandstoffen en omdat het jonge werknemers wil aantrekken die zich zorgen maken om klimaatverandering.[3]

Activiteiten[bewerken | brontekst bewerken]

Equinor is veruit de grootste Noorse olie- en gasproducent. Het haalt ruim 2 miljoen vaten olie-equivalent (vpd) naar boven.[1] De reserves waren per eind 2019 ruim 6 miljard vaten waardoor het bedrijf het productieniveau nog zo'n acht jaar kan volhouden. Er werken ruim 21.000 mensen bij het bedrijf, waarvan het aandeel buiten Noorwegen zeer beperkt is.

De twee belangrijkste bedrijfsonderdelen zijn het zoeken naar en winnen van olie en aardgas in Noorwegen en internationaal. Equinor wint in 13 landen olie en gas, maar Noorwegen is met een aandeel van 60% in het totaal het prominentste wingebied.[1] Het bedrijfsonderdeel raffinage en verkoop houdt zich bezig met raffinage, de verkoop van olie, olieproducten en gas, de terminals en pijplijnen. In Mongstad, in de provincie Vestland, staat de grootste van de drie raffinaderij van Equinor. Onder de overige activiteiten vallen de herwinbare energie activiteiten waaronder windmolens, zonne-energie en de opslag van koolstofdioxide.

Noorwegen is veruit de belangrijkste afzetmarkt en vertegenwoordigde in 2019 zo’n twee derde in de totale omzet. De Verenigde Staten staat met een duidelijk verschil op de tweede plaats en dan volgens nog kleinere markten als Denemarken en Brazilië.[1]

De Noorse staat is met een belang van 67% de grootste aandeelhouder.

bedragen luiden in miljoenen Amerikaanse dollars
Jaar[4] Omzet Bedrijfs-resulaat Netto-resultaat Productie
(×1000 vpd)
Reserves
(×miljoen vaten o.e.)
Werknemers
2015 59.642 1.366 –5169 1971 5060
2016 45.873 80 –2902 1978 5013
2017 61.187 13.771 4598 2080 5367 20.245
2018 79.593 20.137 7538 2111 6175 20.525
2019 64.357 9.299 1851 2074 6004 21.412

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Tegen het eind van de jaren vijftig kwam er enige belangstelling om voor de kust van Noorwegen naar olie te zoeken toe. De staat bereidde zich voor en in oktober 1962 kwam het Amerikaanse bedrijf Phillips Petroleum met de eerste aanvraag. Eind 1969 toonde Phillips een grote hoeveelheid winbare olie aan in het Ekofisk veld, wat later een van de grootste offshore olievelden is gebleken.[5]

Op 18 september 1972 werd Den Norske Stats Oljeselskap AS opgericht na een besluit van het Noorse parlement. Alle aandelen waren in handen van de Noorse staat. Het kreeg als taak de commerciële ontwikkeling van de olie- en gasindustrie in het land. De activiteiten waren primair gericht op de exploratie, ontwikkeling en productie van olie en gas op het Noorse continentaal plat (NCS). Het Statfjord-veld werd in 1974 ontdekt en in 1979 startte de productie. In dit veld heeft het bedrijf nog steeds een belang van 44% in 2020. In 1981 was Den Norske Stats Oljeselskap de eerste Noorse operator van een veld in de Noordzee, het Gullfaks-veld.

Er volgden jaren van aanzienlijke groei door de ontwikkeling van velden zoals Statfjord, Gullfaks, Oseberg en Troll. Het bedrijf werd een belangrijke speler in de Europese gasmarkt met verkoopcontracten en voor de ontwikkeling en exploitatie van gaspijplijnen en terminals. In 2001 kreeg het bedrijf een nieuwe naam, Statoil, en de aandelen kregen een notering aan de beurzen van Oslo en New York. De Noorse staat bleef grootaandeelhouder met een meerderheidsbelang van 67%. De introductieprijs was NOK 69 per aandeel en het bedrijf had een beurswaarde van zo'n NOK 151 miljard (ruim US$ 16 miljard).[6]

Op 1 oktober 2007 ging het een fusie aan met de olie- en gasdivisie van Norsk Hydro.[7] Vlak voor de fusie was Statoil operator van 29 olie- en gasvelden voor de kust van Noorwegen, Norsk Hydro was veel actiever internationaal. Tezamen hielden de twee een productie van 1,9 miljoen vaten per dag en reserves ter grootte van 6,3 miljard vaten olie-equivalent. Na de transactie had Norsk Hydro een aandelenbelang van 32,7% in de nieuwe combinatie. In 2007 kwam het grote Ormen lange gasveld in productie, maar er werden ook activiteiten ontplooit in, onder andere, Algerije, Angola, Azerbeidzjan, Brazilië, Nigeria, het Verenigd Koninkrijk en de Amerikaanse Golf van Mexico.

In april 2011 kwam het Peregrinoveld voor de kust van Brazilië in productie en is daarmee het grootste olieveld buiten Noorwegen waarbij Equinor is betrokken. Aanvankelijk was Anadarko Petroleum de uitvoerende partner en had Norsk Hydro belang van 50%. Op 4 maart 2008 nam Statoil het belang van Anadarko over voor US$ 1,8 miljard.[8] Twee jaar later verkocht Statoil een belang van 40% voor US$ 3,1 miljard aan de Chinese Sinochem Group.[9] Het veld bevat 400 miljoen vaten aan winbare olie. Sinds de start van de productie tot eind 2019 is reeds 40% uit de bodem gehaald en in 2020 lag de gemiddelde productie op zo'n 75.000 vaten per dag.

In 2018 werd de naam gewijzigd van Statoil ASA in Equinor ASA.[10] De naamswijziging is mede ingegeven door de ambitie een breed energiebedrijf te worden.

Op 5 oktober 2019 kwam het Johan Sverdrup-veld in productie.[11] Het is een van de grootste olievondsten in de Noordzee en het veld kan in potentie een kwart van de totale Noorse olieproductie vertegenwoordigen. In het veld zit 2,7 miljard vaten olie en er wordt een piekproductie verwacht van zo'n 690.000 vaten per dag omstreeks 2024.