Sterke kernkracht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De sterke (kern)kracht, sterke interactie of sterke wisselwerking is de sterkste van de vier fundamentele natuurkrachten uit de natuurkunde en is nog ongeveer 100 keer sterker dan de elektromagnetische kracht. Ze is verantwoordelijk voor de stabiliteit van atoomkernen.

Werking[bewerken | brontekst bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Kwantumchromodynamica voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De sterke kernkracht bindt protonen en neutronen aan elkaar tot atoomkernen, en bindt quarks aan elkaar in het inwendige van protonen en neutronen. Ze wordt voortgebracht door de uitwisseling van gluonen tussen quarks, die beschikken over een interne vrijheidsgraad (kwantumgetal) die "kleur" wordt genoemd.[1]

De sterke kernkracht beïnvloedt op kleine schaal alleen quarks en antiquarks, en is verantwoordelijk voor het samenbinden van quarks, zodat deze hadronen kunnen vormen (waaronder baryonen, zoals protonen en neutronen, maar ook mesonen). Op "grotere" schaal (ca. 10-15 m) worden ook de nucleonen (protonen en neutronen), waaruit de atoomkern bestaat, door deze kracht bijeengehouden, al is dat eigenlijk maar een zwak neveneffect van de krachten die in de protonen en neutronen werkzaam zijn - enigszins vergelijkbaar met vanderwaalskrachten, die een residu op grotere schaal zijn van elementaire elektromagnetische krachten op kleinere schaal.[2]

Residuele effecten, samengevat in de Yukawa-potentiaal, reiken tot buiten het hadron en binden de neutronen en protonen vervolgens tot de kern van het atoom. Zonder deze kracht zouden de positief geladen protonen elkaar afstoten en zou een atoomkern niet kunnen bestaan.

De sterke kernkracht ontstaat door het continu uitwisselen van krachtvoerende deeltjes tussen de quarks. Deze krachtdragende deeltjes heten gluonen (van het Engelse glue, dat lijm betekent).

De sterke kernkracht wordt beschreven door de kwantumchromodynamica. De werking wordt ook wel omschreven met de term "kleurkracht". Daarbij gaat men ervan uit dat quarks drie kleuren kunnen hebben (rood, blauw en groen) en antiquarks ook (antirood, antiblauw en antigroen). Een gluon transporteert kleurlading van de ene quark naar de andere.

Een ander effect waar de sterke kernkracht voor zorgt, is de "confinement" of opsluiting. Dit houdt in dat een quark nooit uit zijn hadron getrokken zal kunnen worden. Deze opsluiting wordt veroorzaakt doordat de gluonen zelf ook kleurladingen hebben, zodat de sterke kernkracht ook op hen inwerkt. Dit zorgt ervoor dat de sterke kernkracht vele malen zwakker is op heel kleine afstanden en op grote afstanden niet afneemt per afstandseenheid maar constant blijft. Voor afstanden groter dan 0,5 fm (femtometer) heeft men berekend dat de grootte van de sterke kernkracht nagenoeg constant 1,8 x 105 N blijft.[1] Als aan een quark die deel uitmaakt van een systeem, meer dan een bepaalde drempelenergie wordt toegevoegd, worden de afstanden niet meer groter, maar wordt spontaan een nieuw quark-antiquarkpaar gevormd. Afzonderlijke quarks worden niet waargenomen.

Een voorstelling hiervan zou kunnen zijn dat de quarks door touwtjes aan elkaar zijn vastgebonden en dus relatief vrij kunnen bewegen als ze op korte afstand van elkaar staan en de "touwtjes" dus slap hangen. Als ze verder van elkaar komen te staan, worden de "touwtjes" echter aangespannen, waardoor de volle kracht op de quarks kan inwerken en dus ook niet afneemt per afstandseenheid, dit is natuurlijk maar een voorstelling om de werking te verduidelijken, maar niet de werkelijkheid.

Een belangrijk verschil tussen de elektromagnetische kracht en de sterke kernkracht is dat fotonen, de dragers van de elektromagnetische wisselwerking, geen elektrische lading hebben, terwijl gluonen wel degelijk een kleurlading dragen. Dit maakt de analyse ingewikkelder omdat gluonen ook met elkaar kunnen interageren.[1]

Gebonden toestanden[bewerken | brontekst bewerken]

Quarks kunnen dus niet afzonderlijk voorkomen, maar er zijn nog meer beperkingen: de groep moet kleurneutraal zijn. Gewoonlijk worden de woorden groen, rood en blauw gebruikt voor quarks, en antigroen, antirood en antiblauw voor antiquarks. De eenvoudigste kleurneutrale groepen zijn dan enerzijds paren van een quark met een antiquark van de juiste tegenkleur (mesonen) en drietallen van quarks (of van antiquarks) met verschillende kleuren (baryonen). In deeltjesversnellers zijn aanwijzingen gevonden voor het bestaan van complexere combinaties van vier (tetraquark) of vijf quarks (pentaquark).

Het feit dat er zes soorten quarks bestaan (aangeduid met de letters u, d, s, c, t en b) en evenveel antiquarks, én het feit dat hadronen in aangeslagen toestand een aanzienlijk hogere massa kunnen hebben dan in de grondtoestand (waardoor ze als afzonderlijke deeltjes benoemd zijn), geeft aanleiding tot de grote verscheidenheid aan hadronen. Een proton heeft de structuur uud en een neutron bestaat uit de quarks ddu.

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Al in 1815 had de Britse chemicus William Prout de hypothese geformuleerd dat alle atoomsoorten uit waterstof waren opgebouwd; het was te zijner ere dat Ernest Rutherford in 1920 de naam proton voorstelde voor de waterstofkern. Hij (Rutherford) realiseerde zich dat de kern van zwaardere atomen ook nog neutrale componenten moest bevatten, en zijn assistent James Chadwick zou later in 1932 het neutron identificeren. De verstrooiingsexperimenten waarbij Rutherford alfadeeltjes (heliumkernen) op andere atoomkernen afvuurde, leken echter niet helemaal in overeenstemming met de Coulombkracht tussen de positieve protonen in beide kernen en het was Chadwick die samen met Etienne Bieler in 1921 het bestaan vooropstelde van de sterke kernkracht. In 1932, na de ontdekking van het neutron, formuleerde Werner Heisenberg het begrip isospin. Uit de isospin-symmetrie volgt de bijna-gelijkheid van de massa's van het proton en het neutron, maar ook de bijna-gelijkheid van de krachten tussen protonen onderling, tussen neutronen onderling en tussen protonen en neutronen. Al deze voorspellingen waren goed in overeenstemming met de waargenomen energiespectra van atoomkernen.[3]

In 1937 publiceerde Hideki Yukawa het vermoeden dat de zwakke en sterke kernkracht niet werden geregeerd door een klassieke potentiaal, maar dat ze gekwantiseerd optraden net zoals elektromagnetische interactie wordt overgebracht door afzonderlijke fotonen. Voor de sterke kernkracht voorspelde hij een deeltje met spin 0 dat 200 keer zwaarder dan het elektron zou zijn. Tien jaar later werden mesonen ontdekt in de kosmische straling. Mesonen geven aanleiding tot een sterke kernkracht die aantrekt over grote afstanden en afstoot op kleine afstanden, en verklaren goed de stabiliteit van atoomkernen en andere verschijnselen bij lage snelheid. Bij relativistische snelheden was het wachten op het quarkmodel van Murray Gell-Mann (1964) om de waargenomen fenomenen in overeenstemming te brengen met de theorie.[3]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]