Abdijvorstendom Burtscheid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Sticht Burtscheid)
Ga naar: navigatie, zoeken
Abdijvorstendom Burtscheid
Fürstabtei Burtscheid
Land in het Heilige Roomse Rijk Wapen Heilige Roomse Rijk
Abdijvorstendom van het Heilige Roomse Rijk

996 – 1795 Eerste Franse Keizerrijk 
Kaart
Kornelimünster 1789 Fabricius.jpg
Algemene gegevens
Hoofdstad Burtscheid
Talen Platdiets, Duits
Religie Rooms-katholiek
Politieke gegevens
Regeringsvorm Rijksabdij met prelauur
Staatshoofd abdis/prelaat
Kreits Kreitsvrij
Kreitsdag 1 stem op de Rijns Geestelijke Bank van de Rijksvorstenraad

Het abdijvorstendom Burtscheid of sticht Burtscheid was een rijksabdij of rijksstift gelegen vlak bij de stad Aken in de tegenwoordige deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen in Duitsland.[1] In de 10e eeuw werd deze abdij gesticht en in 1138 werd het een wereldlijk sticht waarvan de abten en later abdissen uiteindelijk prelaten werden. Burtscheid was niet ingedeeld bij een kreits en was rijksvrij en viel hierdoor direct onder de keizer van het Heilige Roomse Rijk.

Geschiedenis[bewerken]

Stichting en vroege ontwikkeling[bewerken]

De abdij van Burtscheid bij Aken werd tussen 996 en 1000 gesticht als rijksabdij voor benedictijnen door keizer Otto III in samenwerking met de basiliaanse abt Gregorius van Burtscheid.[2] Keizer Hendrik II schonk het klooster in 1018 goederen uit de bezittingen van het rijk rond Aken. De villa Porceto (Burtscheid) werd daarmee afgescheiden uit het gebied van de villa Aquisgrana (Aken) van de Karolingische koningspalts. De grenzen van het later [bron?] abdijvorstendom werden reeds in de oorkonde van keizer Hendrik II van 1018 beschreven en zijn in de loop der tijd niet veranderd.

Een oorkonde van keizer Hendrik III uit 6 juni 1040 splitste de "koningsmannen" uit het tiendengebied af van de Mariakapel van de Akener koningspalts, de latere Dom van Aken, de hoofd- en moederkerk van de keizerstad. Hij maakte hen tot "kloosterlieden", die nu hun tienden moesten betalen en diensten schuldig waren aan de abdij van Burtscheid. In 1138 legde koning Koenraad III in een oorkonde vast dat het klooster rijksvrij was. De hertog van Limburg stond als voogd in voor de bescherming van de abdij, maar stelde de heren van Merode-Frankenberg aan als ondervoogd om dit in zijn plaats te doen. Bij de Rijkshervorming op de Rijksdag van 1495 werd het abdijvorstendom Burtscheid niet bij een kreits ingedeeld en werd het kreitsvrij. Het grondgebied van het ministaatje kwam exact overeen met de grenzen van de latere stad Burtscheid.

Na 1100 werd de abdij hervormd onder inspiratie van de hervormingsbeweging van Cluny en beleefde tot het einde van de 12e eeuw een bloeitijd. In 1190, onder abt Arnold, werd het gebeente van de stichter-abt van de abdij Gregorius van Burtscheid feestelijk verheven. Gregorius overlijdensdag, 4 november 999, werd tot de opheffing van de abdij als gedenkdag gevierd.

Cisterciënzer vrouwenklooster[bewerken]

Abdij van Burtscheid ca. 1790
Kasteel van Frankenberg
Abdijkerk van Burtscheid

In het jaar 1220/21, onder keizer Frederik II, werden de monniken door aartsbisschop Engelbert I van Keulen, die gelijktijdig ook aartskanselier van het Heilige Roomse Rijk was, verdreven uit de abdij en werd het benedictijnenklooster omgezet in een abdij voor cisterciënzerinnen. De nieuwe zusters waren afkomstig van de Sint-Salvatorabdij in Aken. In het jaar 1248 werden Aken en Burtscheid door graaf Willem II van Holland, die op dat moment Rooms-koning was, belegerd. Hierbij liepen de adbijgebouwen zware schade op.

In het jaar 1306 werd het op het grondgebied van Burtscheid staande Kasteel van Frankenberg voor het eerst genoemd in een oorkonde. Vermoedelijk werd het kasteel echter reeds omstreeks 1270 door ridder Arnold gebouwd. Dit kasteel was tot ongeveer begin 17e eeuw de zetel van de voogd van de Abdij van Burtscheid. Een van zijn nakomelingen, jonkheer Adam III van Merode-Frankenberg streed aan de kant van de Staatse zijde in de Tachtigjarige Oorlog tegen de koning van Spanje. Als vergelding werd zijn Kasteel Frankenberg door koninklijke troepen gedeeltelijk verwoest. Toen Adam III als laatste afstammeling van de familie Merode-Frankenberg bij de Spaanse verovering van Maastricht stierf, zonder mannelijk nageslacht te hebben nagelaten, verviel het Kasteel Frankenberg en zijn grondgebied en het onder-voogdijschap van het abdijvorstendom in 1583 aan zijn oom Johan van Merode-Houffalize, hertog Willem V van Gulik, bijgenaamd Willem de Rijke.

Het toezicht op het geestelijke leven in de abdij lag bij de Abdij van Heisterbach en vanaf de 14e eeuw bij de Abdij van Himmerod waarna het in de 16e eeuw overging naar de Abdij van Clairvaux (in het huidige Luxemburg) in het bijzonder naar de onderhorige Abdij van Godsdal in Aubel in het huidige België. De wereldlijke voogdij over de abdij was nog steeds in handen van de hertogen van Limburg. In 1649 kocht de abdij van Burtscheid echter de ondervoogdij af van de heren van Merode-Frankenberg. De (hoofd)voogdij bleef verbonden met het hertogdom Limburg, dat was opgegaan in het hertogdom Brabant en later in de Habsburgse Nederlanden.

1rightarrow blue.svg Zie Lijst van abdissen van Burtscheid voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Binnen het Heilige Roomse Rijk behoorde de abdis niet tot de vorsten maar tot de prelaten. Zij ontving als prelaat een oproep voor de zitting in de Rijksdag maar had slechts met 18 andere prelaten één gezamenlijke stem.

Vanaf de tijd dat Burtscheid stadsrechten verkreeg [bron?] gold de Worm als de grens tussen Burtscheid en haar buren. Tussen zowel de zich zelfstandig en concurrerend ontwikkelde vrije rijksstad Aken als tussen het prinsbisdom Luik en het keurvorstendom Keulen. In de tijd van de Akener godsdienstonrusten vluchtten veel tot het protestantisme bekeerde families zoals bijvoorbeeld families Pastor, Peltzer en Amya uit het uiteindelijk door katholieken gedomineerde Aken en vestigden zich onder andere in Burtscheid. Hier konden zij hun godsdienst relatief vrij uitoefenen en ook in rust werkzaamheden beoefenen. In het bijzonder deze families die in Burtscheid een toevlucht gevonden hadden stichtten talrijke molens, timmerwerkplaatsen, ververijen, slijperijen, lakenmakerijen en andere fabrieken en gebruikten daarbij het water van de Worm en ze gebruikten deze rivier ook als aandrijfkracht voor hun watermolens en later voor hun machines.

Secularisatie[bewerken]

In december 1772 vond de eerste bezetting van het abdijvorstendom Burtscheid door Franse troepen plaats. Door de tweede Franse bezetting van 1795 verloor het klooster zijn wereldlijk gebied, dat in 1797 bij Frankrijk werd ingelijfd in het Roerdepartement. Burtscheid werd de hoofdplaats van het kanton Borcette. De abdij zelf werd in augustus 1802 opgeheven. Alle abdijgoederen werden genationaliseerd. De aanwezige stichtdames kregen een lijfrente en keerden voor een deel naar hun families terug. Slechts twee stichtdames bleven in Burtscheid en woonden tot hun dood in het jaar 1829 en 1830 in de abdijtoren. Zij maakten plantaardige zalven voor gewonden en zieken en vonden ondanks hun karige pensioen toch middelen om de armen van Burtscheid te ondersteunen.

Het gebied van de voormalige abdij werd door het Congres van Wenen in 1815 aan het koninkrijk Pruisen toegekend. Het gebied werd net zo als de naburige Oostkantons snel verduitst. In een deel van de abdijgebouwen was vanaf 1850 een ziekenhuis gevestigd, het Marienhospital. De zuidvleugel werd in 1874 verbouwd tot school. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd een groot deel van de abdij verwoest. Met name het bombardement van 11 april 1944 was desastreus, waarbij bovendien tientallen mensen het leven verloren. In 1950 werd één van de hoektorens van de abdijkerk wegens instortingsgevaar afgebroken.

Zie ook[bewerken]