Straatnaam

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Oude straatnaam in natuursteen (Infirmerijstraat te Diest)
Straatnaambord in Groningen

Een straatnaam of hodoniem is een woord om openbare ruimten (straten, lanen, wegen, stegen enzovoort) te kunnen aanduiden. Hij vormt een onderdeel van de toponymie. Een straatnaam dient voor oriëntatie en voor het vormen van adressen. Er is niet altijd sprake van een straat (verharde weg), maar desondanks spreekt men steeds van een straatnaam, niet van wegnaam of pleinnaam. Hij wordt in veel landen gebruikt voor het adresseren van post.

Soms kan de naamgeving van straten leiden tot controverses.

In Nederland en Vlaanderen[bewerken | brontekst bewerken]

De vorming van straatnamen in het Nederlandse taalgebied in Nederland en Vlaanderen kan niet van elkaar worden onderscheiden.

Vorming van straatnamen[bewerken | brontekst bewerken]

Zie ook afzonderlijke verklarende lijsten voor Amsterdam, Rotterdam, Groningen en andere lijsten van straten.

‘Vanouds heeft de mens de behoefte gehad om de dingen uit zijn leefwereld een naam te geven. Naamgeving is niets anders dan de talige uitdrukking van het menselijke vermogen om over zichzelf en de wereld na te denken en van de behoefte om de kennis van het buitentalige te ordenen rond oriëntatiepunten’, aldus professor Magda Devos, hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan de universiteit van Gent, de autoriteit op het terrein van naamkunde in het Nederlandse taalgebied.[1]

Soortnaam en eigennaam[bewerken | brontekst bewerken]

Straatnamen zijn in het Nederlandse taalgebied bekend sinds de middeleeuwen. Ze worden gevormd uit een soortnaam plus een eigennaam. Het weglaten van de soortnaam is sinds ca. 1970 niet ongebruikelijk.

De soortnaam geeft aan wat voor type openbare ruimte we voor ons hebben. ‘Straat’ is een min of meer neutrale aanduiding voor een openbare ruimte. ‘Steeg’, ‘gang’, ‘pad’ of ‘hofje’ zijn kleiner dan een straat. ‘Passage’ heeft is een specifieke aanduiding voor een overdekte winkelstraat. ‘Laan’, ‘dreef’ en ‘allee’ hebben een groen karakter. Pleinachtige structuren heten ‘plein’, ‘markt’, ‘hof’ of ‘plantsoen’. Een ‘weg’ of een ‘baan’ zijn langer en breder dan een straat. Ook parken hebben namen.

Soortnamen voor autoloze straten kunnen bijvoorbeeld zijn: ‘domein’, ‘erf’, ‘wijk’, ‘buurt’, ‘goed’ of ‘plaats’. Ontleend aan oude arbeidersbuurten: ‘hof’, ‘plaats’, ‘gang’, ‘rijtje’ en ‘beluik’. Met een groen karakter: ‘tuintjes’, ‘boompjes’, ‘pad’, ‘wandeling’, ‘laantje’, ‘groentje’, ‘veld’, ‘wandelweg’, ‘allee’ of ‘promenade’. Vrijstaande bebouwing in het groen: ‘blokken’, ‘terras’ of ‘villa’.

De eigennaam onderscheidt de straat, het pad of de laan van andere straten, paden en wegen.

Een straatnaam vormen uit één woord kan wel, maar komt zelden voor. Dit heet proprialisering, de ontwikkeling van soortnaam tot eigennaam: dé Dreef, dé Markt, dé Kaai, hét Park, hét Plein, dé Brink.

Straatnamen zijn meestal samengesteld uit maximaal drie woorden. Meer woorden geeft problemen met het onthouden van de naam en met de uitspraak (Zeebodemkolonistenweg, Almere).

Benoemingsmotief[bewerken | brontekst bewerken]

Een soortnaam wordt meestal om onderscheid te maken gekoppeld aan een eigennaam. Dit heet het benoemingsmotief.

Een straat is bijvoorbeeld genoemd naar een natuurlijk landschapselement (zand, donk, berg) of herinnert aan de agrarische ontstaansperiode (Akkerstraat, Katerstraat).

Een straat kan een bepaalde vorm of fysieke eigenschap hebben (breed – smal, recht – krom, kort – lang, groot – klein, wijd – eng, Kromme Elleboog, Gebed zonder End, Eeuwig Laantje), hij is oud of nieuw of hij heeft een specifieke ligging (hoofdstraat, dorpsstraat, eind).

Een straat wordt vaak genoemd naar een gebouw in die straat of waar die straat naartoe loopt (kerk, toren, burcht, school, (tol)brug, molen, hal, gasthuis of kraan). In de middeleeuwen ontleende een straat vaak zijn naam aan een huisnaam (Morenstraat, Maastricht, naar het hoekhuis In den Moriaan, Potkanstraat, Breda, Achter de Engelse Pispot, Den Bosch). Een recent voorbeeld is het Moskeeplein, Utrecht. Verder denken we aan een Fabrieksstraat, een Watertorenstraat of een Vliegveldweg.

Straat in Oostende

Handel en nijverheid is belangrijk (Haven, Kaai, Markt, ook Vismarkt, Houtmarkt, Turfmarkt enzovoorts, Smedenstraat enzovoorts, tegenwoordig ook namen als Industriestraat en Nijverheidsstraat).

De straat of weg kan in de richting van een naburig dorp of een wat verder weg gelegen stad leiden. Iedere stad of dorp heeft dit soort namen: Wassenaarseweg, Gronausevoetpad, Hinthamerstraat. Recent voorbeeld: de Oosterhoutse Busbaan in Breda.

Soms heeft een straat zijn naam ontleend aan de mensen die er woonden (Barteljorisstraat, Minnebroederssteeg). In de middeleeuwen werden straten weleens genoemd naar de eigenaar van de grond en dat konden ook vrouwen zijn, zoals het Vrouwjuttenland in Delft (1432) en het Nonnenveld in Breda (1533). Heiligen (ook vrouwelijke) gaven in de middeleeuwen nogal eens hun naam aan een straat.

Verder kunnen we een straat noemen naar elke andere eigenschap die de straat onderscheidt van andere straten. ‘Alles wat ook maar kenmerkend kan worden bevonden voor de unieke naamdrager, vormt een valabel motief’, zegt Magda Devos. Sommige mensen vinden de Apendans, Den Haag, de Duivelshoek, Breda of de Poepershoek, Steenwijkerland rare namen, maar deze zijn heel wel te verklaren.

Straatnamen kunnen afslijten en daarmee veranderen. Soms wordt de oorspronkelijke herkomst daarmee onduidelijk.

Straatnamen dienen ter oriëntatie. Ook straten en wegen waar geen huizen staan moeten dus een naam hebben.

Huisnummering en straatnamen[bewerken | brontekst bewerken]

Merkwaardigerwijs heeft de overheid eerst een officiële huisnummering ingevoerd en daarna pas officiële straatnamen met straatnaamborden.

In de middeleeuwen en daarna waren huizen te vinden met een straatnaam en een huisnaam (gevelsteen of uithangbord). Op de dorpen werden de huizen aangeduid met een eigennaam of de naam van een buurtschap, wijk of gehucht.

In de loop van de achttiende eeuw is in verschillende Europese landen geëxperimenteerd met huisnummersystemen in verband met belastingheffing of het inkwartieren van troepen.[2] Huisnummering werd het eerst toegepast in de steden en pas later uitgebreid tot het platteland. Ten gevolge van de Franse Revolutie is de huisnummering standaard ingevoerd in heel Europa. Aanvankelijk werden alle huizen in een stad achter elkaar genummerd, soms werden ze genummerd per wijk, met een wijkletter. De huisnummering en straatnamen stonden dus een tijdlang los van elkaar en vormden twee gescheiden systemen. Al spoedig ging men straatnamen en huisnummers combineren tot adressen. In 1805 werd in Parijs het huidige nummersysteem ingevoerd met een straatnaam en een nummering per straat met aan de rechterkant van de straat de even nummers en aan de linkerkant de oneven.

In de Franse Tijd werden in de meeste steden in Nederland de huizen genummerd in verband met de Franse inkwartiering. In 1807 werd een nieuwe belastingwet ingevoerd, de Verpondingswet, en moesten ook in de dorpen de huizen worden genummerd. De huizen werden genummerd per wijk (A, B, C, D enzovoorts).[3] Al snel werden in de steden straatnaambordjes aangebracht en ging men adressen gebruiken, samengesteld uit een combinatie van straatnaam en wijkletter plus huisnummer. In de dorpen gebruikte men een combinatie van buurtnaam plus huisnummer. In de loop van de negentiende eeuw werd het postverkeer steeds intensiever en de druk op een goede adressering werd steeds groter.

Uiteindelijk werd in de ene na de andere stad het systeem ingevoerd waarbij de huizen per straat werden genummerd volgens het Parijse systeem met even en oneven nummers: Brussel in het begin van de negentiende eeuw, Antwerpen 1856, Amsterdam 1875, Utrecht 1879 (in de buitenwijken) en in 1891 (in de binnenstad), Dordrecht tussen 1883 en 1885, Breda 1897 en Den Bosch pas in 1909.

Het heeft nog geduurd tot ná de Tweede Wereldoorlog totdat overal in Nederland het systeem van straatnaam plus huisnummering per straat was ingevoerd. Het dorp Ottoland in Zuid-Holland is waarschijnlijk nog de enige plaats met de huizen genummerd in twee wijken, A en B. Met het invoeren van de huisnummering per straat moesten overal officiële straatnamen worden vastgesteld en moesten straatnaamborden worden aangebracht.

Overheid stelt straatnamen vast[bewerken | brontekst bewerken]

Door de invoering van een adressysteem van straatnamen en huisnummers was de overheid gedwongen alle straten te voorzien van een officiële naam, met een straatnaambord. Ook nieuwe straten moesten voortaan meteen van een officiële naam worden voorzien.

Deze gang van zaken is nooit formeel vastgelegd. Pas met de Wet Basisregistraties Adressen en Gebouwen, de Wet BAG, uit 2008, is de straatnaamgeving in Nederland door de overheid van een wettelijke grondslag voorzien. In Vlaanderen geldt het Decreet van de Vlaamse Raad tot bescherming van de namen van de openbare wegen en pleinen van 28 januari 1977, laatst gewijzigd op 29 november 2002.

Thematische straatnaamgeving[bewerken | brontekst bewerken]

Straat in de Vogelbuurt

Vanaf het midden van de negentiende eeuw gingen de steden in Nederland en België enorm groeien vanwege de Industriële Revolutie. Er werden heel veel nieuwe straten aangelegd. Vanwege de bevolkingsadministratie, het kadaster en andere administraties was de overheid gedwongen om voor al die nieuwe straten (en zelfs hele wijken) snel namen te verzinnen. Telkens vond de overheid weer nieuwe manieren en boorde men weer nieuwe bronnen aan om maar voldoende namen in voorraad te hebben. Aanvankelijk borduurde men voort op de volksmond: straten worden genoemd naar buurten, gebouwen, de richting waarin ze liepen enzovoorts. Een margarinefabriek wou in deze tijd wel eens graag aan de Boterstraat staan.

Op een gegeven moment ging men hele wijken voorzien van straatnamen volgens één thema. Rond 1900 brak, onder invloed van de Woningwet en de Engelse Tuinstadgedachte, het tijdperk aan van de Ot- en Sienstraatnamen, de bloemen- en plantenwijken, de vogelbuurten en de landbouwstraten.[4] Voorbeelden zijn de Vogelwijk in Den Haag en de Kruidenbuurt in Eindhoven. Brouwer en Ten Kroode geven in de richtlijnen van de VNG, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het commentaar: ‘Het is de idylle van de aangeharkte tuin, het sappige gras en de goudglanzige akker, kortom van de schoolplaten van Jetses, die ons uit deze straatnamen toelacht.’

Tot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw heeft men zo straatnamen kunnen vormen. Tijdens de bouwexplosie na de Tweede Wereldoorlog hebben de straatnaamgevers hun toevlucht gezocht tot samenstellingen met aanduidingen voor bijzondere dieren, planten, abstracta en objecten, waarbij men er niet voor schroomde hele aquaria, herbaria, schepen of orkesten uit elkaar te halen om er de straten in nieuwbouwwijken mee te benoemen: de typische saaie Wederopbouw-straatnamen. Het beste voorbeeld van dit systeem is Almere, dat geheel bestaat uit een Muziekwijk, een Literatuurwijk, een Kruidenwijk, een Stripheldenbuurt enzovoorts.

Na de oorlog heeft men ook geprobeerd alle namen in een wijk te laten eindigen op -horst, -rode en -gaarde. Dit systeem is voor het eerst toegepast in Rotterdam en spoedig overgenomen door andere gemeenten. Sindsdien is het land overstroomd met dreven, steden, oorden, zichten, kampen, burgen, horsten, landen en steinen, aldus de publicatie van de VNG.

Er werden ook een tijd lang namen gegeven die enkel bestonden uit een soortaanduiding of een aardrijkskundige naam, zoals Koperwiek, Schokker, Abberdaan en Geestakker. Deze mode van straatloze straatnamen is weer voorbij. Straatnamen worden in principe gevormd uit een soortnaam plus een eigennaam.

Soms zijn de straten op beginletter geordend. De Vastertlanden, Vrielinklanden en Veldhoflanden bevinden zich in hetzelfde deel van Enschede-Zuid, terwijl de Braamlanden ergens anders in de wijk is. De bewoners spreken vaak over de V-landen.

Straten, genoemd naar personen[bewerken | brontekst bewerken]

Het noemen van straten naar personen heeft een lange geschiedenis. In de Romeinse tijd noemden Romeinse keizers hele steden naar zichzelf. De Franse koning Lodewijk XIV heeft in Parijs meerdere standbeelden van zichzelf laten oprichten en meerdere pleinen naar zichzelf laten noemen. Tijdens de Franse Revolutie werden deze standbeelden omvergetrokken en werden de pleinen en straten genoemd naar de waarden en de helden van de revolutie.

In de negentiende eeuw moest de zelfstandigheid van Nederland worden verdedigd, met name tegen Duitsland. België moest zijn zelfstandigheid bewijzen ten aanzien van Frankrijk en Vlaanderen ten aanzien van Wallonië. In Nederland ontstond in deze tijd een symbolisch landschap van standbeelden en straatnamen ter ere van personen uit de Gouden Eeuw. Willem van Oranje en diverse andere Oranjes symboliseren de Nederlandse onafhankelijkheid. Vondel en Vader Cats staan voor de zelfstandige Nederlandse taal. De schilders Rembrandt en Frans Hals symboliseren de Nederlandse cultuur en welvaart tijdens de Gouden Eeuw en Michiel de Ruyter, Piet Hein en Jan Pieterszoon Coen worden geëerd als de bouwers van het Nederlandse imperium overzee.

Monumenten en straatnamen in Vlaanderen werden gewijd aan Ambiorix en de Guldensporenslag. De Belgische koningen kregen hun standbeelden. Egmont en Horne herinneren in Brussel aan de Tachtigjarige Oorlog. Rubens vertegenwoordigt de schilderkunst en de cultuur en Guido Gezelle de Nederlandse taal. Van de leden van het Belgische vorstenhuis is vooral de op tragische wijze omgekomen koningin Astrid populair.

De belangrijkste internationale theorievormer op het gebied van het noemen van straten naar personen is professor Maoz Azaryahu van de Universiteit van Haifa. ‘Herdenkingsstraatnamen zijn een algemeen kenmerk van de moderne politieke cultuur (…). De overgrote meerderheid van de herdenkingsstraatnamen vereeuwigt in het stadsbeeld de herinnering aan historische figuren en gebeurtenissen die, naar de mening van de verantwoordelijke bestuurders, het waard zijn te worden geëerd. 'Historische' straatnamen zijn de onderscheidende 'lieux de memoire' van de moderniteit. Vanuit het perspectief van degenen die verantwoordelijk zijn voor het vormen van de symbolische infrastructuur van de samenleving, is het de belangrijkste verdienste van herdenkingsstraatnamen dat ze een geautoriseerde versie van de geschiedenis introduceren in de gewone omgeving van het dagelijks leven. Herdenkingsstraatnamen vormen, samen met herdenkingsmonumenten en historische museums, niet alleen een zeer bepaalde versie van de geschiedenis, maar zijn ook deelnemers aan de voortdurende culturele productie van een gedeeld verleden. (…) Mogelijk betwist en uiteindelijk uitgedaagd, vormen herdenkingsstraatnamen de concrete neerslag van hegemonische structuren van macht en gezag.’[5]

Lokale persoonlijkheden[bewerken | brontekst bewerken]

Ook lokale persoonlijkheden werden geëerd. De publicatie van de VNG spreekt van ‘naamkundige mannetjesmakerij’, nationale beroemdheden uit de politiek of de cultuur of die op de een of andere manier met een stad verbonden zijn geweest: staatslieden, zeehelden, militairen, schilders, dichters, schrijvers, geleerden of musici. Vaak greep men ook terug op personen die alleen een rol hadden gespeeld in de lokale of regionale geschiedenis en cultuur. De achterliggende gedachte daarbij was dat het opvijzelen van de lokale Vondel of Rembrandt het belang van de plaats of streek in het verleden bevestigde en zo wellicht kon bijdragen tot de versterking van het gemeentelijk zelfbewustzijn. Dan waren er de mannen die zich voor de gemeente verdienstelijk hadden gemaakt als bestuurder, arts of ambtenaar en als beloning daarvoor, soms zelfs nog tijdens hun leven, een straat naar zich genoemd kregen.

Bij uitzondering worden straten wel genoemd naar nog levende personen: Arjan Erkelpad (Westdorpe, gemeente Terneuzen), Jochem Uytdehaageplantsoen (Utrecht) of Erik Dekkerpassage (Landgraaf). Dit levert telkens discussies op waar precies de grens ligt bij het vernoemen van personen.[6]

Koloniale straatnamen[bewerken | brontekst bewerken]

De opbouw van het Nederlandse en het Belgische koloniale imperium in de negentiende eeuw viel samen met de grote stadsuitbreidingen in die tijd. De koloniën hebben opvallende sporen nagelaten in de straatnaamgeving: de zogenaamde Indische en Zuid-Afrikaanse buurten in Nederland met een Jan Pieterszoon Coenstraat en een Van Heutszstraat en heel wat Java-, Sumatra- en Borneostraten, de Lange en Korte Kongostraat in Antwerpen en de Stanleystraat in verschillende steden. De onbetwiste hoofdstad van de koloniale straatnamen is ongetwijfeld Brussel, met zeker 39 straten die naar het kolonialisme verwijzen.

Twee wereldoorlogen[bewerken | brontekst bewerken]

In tegenstelling tot Nederland heeft de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen diepe sporen nagelaten, ook in monumenten en in de straatnaamgeving. In Leuven vinden we vóór het station op het Martelarenplein het Vredesmonument uit 1925. In augustus 1914 vonden hier tientallen terechtstellingen plaats door de Duitsers. Daar vlakbij ligt de Bondgenotenlaan, genoemd naar de Geallieerden. Veel straatnamen in Vlaanderen herinneren aan de verwoeste gewesten en verwijzen naar de IJzer, Ieper en Diksmuide. In elk dorp werd een monument opgericht voor de gevallen helden.

In Nederland en Vlaanderen zijn veel straten genoemd naar mensen die verzetsdaden gepleegd hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog. Aanvankelijk was weinig aandacht voor de vrouwen in het Verzet.

Met enige regelmaat moeten straatnamen, die zijn ontleend aan personen, worden gewijzigd. Kortgeleden werd in verschillende Vlaamse gemeenten de naam Cyriel Verschaevestraat door andere namen vervangen. Die in Lanaken kreeg de naam Anne Frankstraat.

Rechtvaardigheid in straatnamen[bewerken | brontekst bewerken]

Na de Tweede Wereldoorlog werden er minder straten ouderwets naar personen genoemd. De verzetshelden worden geëerd, maar er is minder aandacht voor ministers en burgemeesters. De thematische straatnaamgeving liep nog een tijd door, maar vaak worden toponiemen (oude veldnamen) hergebruikt als straatnamen en is er plaats voor meer creativiteit.

In de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw kwamen de actiegroepen op, wat consequenties heeft voor de straatnaamgeving. De Provobeweging ontstond in 1965 in Amsterdam. Het Van Heutsz-monument in Amsterdam werd beklad. Martin Luther King werd vermoord op 4 april 1968 en meteen werden veel parken en straten naar hem genoemd. In de jaren tachtig stonden ook de straatnamen in de Utrechtse wijk Lombok ter discussie (de Jan Pieterszoon Coenstraat onder andere).

Na de aflopende golf van mannenstraatnamen volgde nog een nieuwe golf van vrouwenstraatnamen. In 1970 werd in Amsterdam de actiegroep Dolle Mina opgericht, genoemd naar de feministe Wilhelmina Drucker. De vrouwen eisen hun aandeel op in de openbare ruimte. Veel gemeenten in Nederland kregen hun vrouwenbuurt, een nieuwbouwwijk met een Aletta Jacobsstraat en een Wilhelmina Druckerstraat.

De jaren zeventig en tachtig zijn tevens de tijd van de protesten tegen het Apartheidsregime in Zuid-Afrika. De protesten richtten zich onder andere op straatnamen in de alomtegenwoordige Zuid-Afrikaanse buurten: de Paul Krugerlanen en de Jan Smutsstraten. Enkele straatnamen werden veranderd.

Kritische toponymie[bewerken | brontekst bewerken]

Internationale wetenschappers introduceerden in 2010 de term ‘kritische toponymie’. Zij bekijken de culturele politiek van naamgeving, hoe mensen streven naar controle over hun omgeving en hoe zij onderhandelen met andere groepen en strijden over de naamgeving als ze deelnemen aan een bredere strijd voor legitimiteit en zichtbaarheid. In het zuiden van de Verenigde Staten is in de loop van de negentiende eeuw een symbolisch landschap opgebouwd van standbeelden en straatnamen ter herdenking van de ‘helden’ die tijdens de Burgeroorlog de slavernij verdedigen. De zwarte bevolking wordt duidelijk gemaakt dat zij leeft in een land dat niet het hunne is. Vanaf de jaren tachtig worden deze monumenten kritisch bestudeerd. Na een schietpartij in een Afrikaans-Amerikaanse kerk in 2015 was de maat vol. De term Black Lives Matter wordt gemunt. Overal worden dit soort monumenten omvergetrokken en straatnamen veranderd. Ook in Nederland worden kritische kanttekeningen geplaatst bij de nationale collectie standbeelden. De openbare ruimte moet worden gedekoloniseerd, klinkt het. Ook de monumenten vertellen hun verhaal van nationalisme, Europese superioriteit en raciale zuiverheid. Deze discussie is intiem verstrengeld met de zogenaamde Zwarte-Pietendiscussie.

In 2019 werden de straatnamen in een nieuw gedeelte van IJburg gewijd aan 27 personen die hebben gestreden tegen kolonialisme en aandacht hebben gevraagd voor het slavernijverleden. In 2019 kreeg ook de straatnaamcommissie in Rotterdam de opdracht van het college van burgemeester en wethouders om voorrang te verlenen aan vrouwen en mensen met diverse culturele achtergronden. Ook in veel andere gemeenten zijn in 2019 moties aangenomen van deze strekking. De dood van George Floyd in Amerika in 2020 leidde tot een wereldwijde golf van protest. In België worden met name de monumenten en straatnaamborden ter ere van Leopold II omvergetrokken en beklad.

Straatnamen hebben een hoge symboolwaarde, ook voor vrouwen. Men eist nu op korte termijn een gelijkwaardige aanwezigheid van de vrouw in de openbare ruimte, zowel wat betreft aantallen als wat betreft opvallende elementen als stedelijke assen, pleinen en lanen. Een symbolische vrouwenbuurt is niet meer voldoende.

Vinex[bewerken | brontekst bewerken]

De Amersfoortse wijk Kattenbroek is in de jaren negentig ontworpen door de architect en stedenbouwkundige Ashok Bhalotra. Hij legt sterk de nadruk op structuren, waarvoor hij hier namen hanteerde als de Ring, de Laan der Hoven, de Verborgen Zone, het Masker en de Kreek. Woonthema’s kregen namen als de Gesloten Stad, het Fort, de Boerderijenkamer, de Brugwoningen en Wonen aan Wintertuinen. Landschappen werden onderscheiden als Water, Vijver, Bos, Veld en Moeras en stedelijke morfologiën als Laan, Singel, Plein, Steeg en Straat.

Brandevoort, een Vinex-wijk van Helmond, gebouwd in 2000-2021, is ontworpen door onder andere Rob Krier. De stadskern de Veste, gedeeltelijk opgeleverd in 2005, is historiserend aangelegd in de stijl van een zeventiende-eeuws Brabants stadje, met herenhuizen aan grachten. Veel straten hebben nostalgisch klinkende namen als Broederwal, Neerwal, Emandsgangske en Sterkenstraatje.

In Vinexwijken is er soms veel moeite gedaan om bepaalde wijken een eigen identiteit te geven.[7] Een gebiedsspecifieke identiteit omvat elementen uit het recente verleden zoals wegen, lanen, dijken, kreken, vaarten en plassen, bebouwing, zoals boerderijen en kastelen en beplanting, zoals bos, bomenlanen en heggen. Identiteiten kunnen ook ontleend zijn aan een ver verleden, zoals archeologische vondsten. Een ‘geleende identiteit’ kan ontleend worden aan stedelijke elementen, zoals straten, grachten, muren en poorten, of dorpselementen, zoals pleintjes en woonstraatjes. Een gekozen identiteit kan verwijzen naar Tuinwijk of Dorp. ‘Bijzondere effecten’ zijn bijvoorbeeld het kleurgebruik in Almere-Buiten Vinex.

Een goed voorbeeld van een themawijk is Le Medi in de wijk Bospolder in het stadsdeel Delfshaven in Rotterdam. De architectuur en stedenbouwkundige opzet zijn geïnspireerd op de architectuur van de landen rond de Middellandse Zee, met onder andere kleurige huizen en mozaïek. De namen Oaseplein, Kasbahhof, Agadirhof en Medinastraat ondersteunen dit beeld.

Veel mensen die zich bezighouden met straatnaamgeving vragen zich af of de huidige straatnaamgeving niet ‘ouderwets’ is. Is ‘modernisering’ noodzakelijk en zo ja, hoe dan? Sommigen stellen dat de straatnaamgeving geen monopolie van de overheid mag zijn en vragen meer aandacht voor de volksmond en inspraak van de bevolking.[8]Er worden ook vraagtekens gezet bij het systeem van eerbetoon aan personen door middel van straatnamen.

Anderen willen straatnamen moderniseren door ze te noemen naar huidige zaken en personen als de Computerweg met de Printerstraat, de Scannerstraat en de Modemstraat in Amsterdam of een Beatlestraat en een John Lennonstraat in Nijmegen-Noord.

Wettelijke grondslag[bewerken | brontekst bewerken]

Met de Verpondingswet van 1807 waren alle steden en gemeentes in Nederland verplicht de huizen te nummeren. Langzaam maar zeker is een systeem ontstaan van officieel vastgelegde straatnamen, gecombineerd met een huisnummering per straat. Vaak wordt de Gemeentewet van 1851 genoemd als wettelijke grondslag voor de straatnaamgeving in Nederland.

In Nederland wordt de vaststelling en de registratie van de straatnamen geregeld door de Wet BAG, de Wet Basisregistraties Adressen en Gebouwen, uit 2008. Deze wet is zeer technisch van karakter, louter gericht op het registreren van adressen en gebouwen en eist het tijdig vaststellen van adressen (oftewel naamgeving en nummering). Deze inmiddels in 2018 vernieuwde wet zegt, naast vaststelling door het bevoegde gemeentelijke orgaan, verder niets over de eisen waaraan een straatnaam zou moeten voldoen. ‘De gemeenteraad deelt het grondgebied van de gemeente in een of meer woonplaatsen in, stelt de openbare ruimten vast en kent nummeraanduidingen toe aan de op het grondgebied van de gemeente gelegen verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen.’ Bij verordening kan deze bevoegdheid ook (deels) worden gegeven aan het college van burgemeester en wethouders. Dit laat zich meestal bijstaan door een commissie straatnaamgeving of een commissie naamgeving openbare ruimten. Vrijwel alle Nederlandse gemeenten hebben regelgeving hieromtrent vastgelegd in een straatnaamverordening.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de VNG, heeft richtlijnen opgesteld, de publicatie ‘Benoemen, nummeren en begrenzen’ uit 2002. Dit boekje heeft geen status van wet, maar omdat veel gemeentelijke verordeningen op dit boekje gebaseerd zijn gaat er een grote invloed van uit.[9] In Vlaanderen geldt het Decreet van de Vlaamse Raad tot bescherming van de namen van de openbare wegen en pleinen van 28 januari 1977, laatst gewijzigd op 29 november 2002. ‘Bij het vaststellen van de naam van openbare wegen en pleinen of het wijzigen van deze naam wordt bij voorkeur geput uit gegevens van de plaatselijke geschiedenis, het kunst- en cultuurleven, de toponymie en de volkskunde.’ Tot 1977 waren de gemeenten verplicht om bij de creatie en wijziging van straatnamen advies in te winnen bij de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie (KCTD). Sinds 1977 is het vragen van advies niet meer verplicht, maar wel nog facultatief.

Als een straat naar een persoon wordt genoemd, kiest de gemeente vrijwel altijd voor overledenen. De periode tussen de naamgeving en de sterfdatum verschilt per gemeente. Bij sommige gemeenten is dat minimaal 25 jaar, bij anderen minimaal 5 jaar. Door deze periode in te stellen, wordt de kans kleiner dat de gemeente een straat naar iemand vernoemt die een besmet verleden blijkt te hebben. Een pijnlijk voorbeeld hiervan was de in 1945 vernoemde Stalinlaan in Amsterdam-Zuid, die na de Hongaarse inval in 1956 werd omgedoopt in Vrijheidslaan.[10] Een uitzondering op deze regel wordt overal gemaakt voor leden van het Koninklijk Huis. Er zijn echter meer uitzonderingen; zo werd al in 1964 in Enschede een straat naar Jozef Cals genoemd en in Utrecht naar judoka Anton Geesink. Daar ging de judoka later ook nog eens zelf wonen.

In het buitenland wordt ook wel naar data van belangrijke historische gebeurtenissen genoemd (de Via XX Settembre in veel Italiaanse steden; het gaat daar om de Inname van Rome in 1870), maar dat is in Nederland niet zo gebruikelijk, met uitzondering van enkele pleinen (zoals Plein 1960 in Amstelveen naar het opleveringsjaar van het plein, Plein '40-'45 in Amsterdam-Slotermeer naar de Tweede Wereldoorlog, Plein 1813 in Den Haag naar het einde van de Franse overheersing (er staat een gedenkteken op het plein), Plein 1944 in Nijmegen ter herinnering aan het bombardement en de bevrijding van die stad, Plein 1992 in Maastricht, naar het Verdrag van Maastricht en Plein 1953 in de Rotterdamse wijk Pendrecht naar de Watersnoodramp).

Namen en nummers[bewerken | brontekst bewerken]

Het is een hardnekkig misverstand dat de straten in de Nijmeegse stadsdelen Dukenburg en Lindenholt en in sommige wijken in Wijchen geen naam zouden dragen, maar alleen genummerd zouden zijn. Het aantal straatnamen is tot een minimum beperkt. Alle straten waarvoor geen andere namen zijn vastgesteld, hebben dezelfde naam als de wijk of de buurt. In deze straatnamen komen geen cijfers voor. De huisnummers die hieraan gekoppeld zijn bestaan uit vier of in uitzonderlijke gevallen vijf cijfers. Bij het adres Malvert 3316 is de straatnaam Malvert en het huisnummer 3316. Aan de openbare ruimte van het type weg met de naam Zwanenveld zijn 2378 adressen gekoppeld (huisnummers 1219 t/m 90126).

In Lelystad eindigt een aantal straatnamen wel op een getal van twee cijfers. Dit levert een aantal straatnamen op waarbij alleen de laatste twee cijfers verschillen. De combinatie met lage huisnummers is tamelijk verwarrend. In de wijk Kempenaar vindt men het adres Kempenaar 06 6. De straatnaam is Kempenaar 06 en het huisnummer 6.

Een soortgelijk systeem treft men aan in 's-Hertogenbosch, maar dan begint de straatnaam met een voluit geschreven nummer. In de wijk Rompert vindt men de straatnamen Eerste Rompert en Achtste Rompert.

De Hoofddorpse wijk Graan voor Visch kent grootschalige huisnummers, zonder streepje. Aan de openbare ruimte van het type weg met de naam Graan voor Visch zijn 1632 huisnummers gekoppeld (huisnummers 13711 t/m 19924). De gedachte hierachter stamt uit de jaren 70 van de 20e eeuw, toen werd besloten dat nieuw te bouwen wijken alleen nog voorzien zouden worden van een wijknaam en huisnummers. Graan voor Visch, als eerste nieuwbouwwijk in de stad, kreeg nummers die alle met 1 begonnen. Bij later gebouwde wijken is de systematiek niet voortgezet, en in de wijk Graan voor Visch zijn decennialang stemmen opgegaan om alsnog tot gewone straatnaamgeving over te gaan. Nog steeds bestaan er in bepaalde computersoftware invulformulieren waarbij voor het huisnummer slechts vier posities zijn gereserveerd.

Straatnaam veranderen[bewerken | brontekst bewerken]

Het veranderen van een straatnaam kost een gemeente veel geld. Niet alleen moet de Gemeentelijke Basisadministratie worden aangepast, ook veranderingen in kadastrale en andere bestanden zijn nodig. Ten slotte doet zich de vraag voor of bewoners de gemeente zelfs niet kunnen aanspreken voor de kosten die de vervanging van huisnummerborden en briefpapier met zich meebrengt.[bron?]

Het komt weleens voor dat er fouten worden gemaakt bij de toekenning van straatnamen en vanwege de kosten wordt dan toch besloten de fout te handhaven.

In Rotterdam heeft men besloten de spelfout in Melanchtonweg (het moest Melanchthonweg zijn) niet officieel te verbeteren.

Op elkaar lijkende straatnamen kunnen in de praktijk weleens voor vergissingen zorgen.

  • In Hengelo is er een Parijsstraat (in de stedenbuurt) en een Patrijsstraat (in de vogelbuurt), wat garant staat voor vergissingen. Toch kiest men er niet voor een van deze namen te veranderen.
  • In Almere is een plein met de naam Markt en een plein met de naam Grote Markt, die beiden ook nog eens in een ander stadsdeel liggen.
  • Vaak komt het voor dat er straten zijn die in het achtervoegsel verschillen. In de Regentesselaan bevindt zich een plein dat Regentesseplein heet. Plein en laan hebben onafhankelijke huisnummers. Nog verwarrender is dat de -laan niet bij het -plein eindigt: aan de andere kant van het -plein gaat de -laan weer verder.
  • In de gemeente Apeldoorn bevinden zich de straten Hooiland, Gooiland en Goorland. Dit gaf in 2007 verwarring bij de brandweer.[11]

Bij kleine veranderingen worden niet altijd de oude bordjes weggehaald. Zo is er in Hilversum de Bosdrift maar op diverse plaatsen langs de weg hangen nog steeds straatnaambordjes met de oude spelling Boschdrift. Ditzelfde geldt voor de Zeedijk in Hilversum: er hangen nog steeds straatnaambordjes met de oude spelling Zeedyk.

Tweetalige straatnaamborden[bewerken | brontekst bewerken]

Haags straatnaambord met traditioneel Chinees eronder

In Nederland en Vlaanderen is hier en daar sprake van tweetalige straatnaamborden. Volgens de Taalwet Bestuurszaken van 1966 is de deelstaat Vlaanderen eentalig Nederlands en de ‘region’ Wallonië eentalig Frans. Brussel Hoofdstedelijk Gewest is tweetalig Nederlands en Frans. Enkele gemeenten in Vlaanderen hebben een beschermde Franstalige minderheid, enkele gemeenten in Wallonië een Nederlandtalige, de zogenaamde faciliteitengemeenten.

De straatnaamborden in Brussel zijn derhalve tweetalig Nederlands en Frans. In de praktijk komt het daarop neer dat eerst de Franse naam wordt vermeld en daarna de Nederlandse. In de Nederlandse variant wordt de straatnaam vaak incorrect niet aan elkaar geschreven, bijvoorbeeld Rue de la Montagne Berg Straat of Rue Joseph Claes Straat. In de faciliteitengemeenten zijn de straatnaamborden in het Nederlands met daaronder de Franse naam in een kleiner corps of Frans met de Nederlands naam in een kleiner corps.

Straatnaamborden in het Frans-Vlaamse dorp Oxelaëre (département du Nord, Frankrijk), met rechts een tweetalig bord Vlaams-Frans

In Frans-Vlaanderen, het gedeelte van Frankrijk waar ook een Nederlands dialect gesproken wordt, staan wel tweetalige straatnaamborden, bijvoorbeeld Rue du Champ du Coutre – Kouterveldstraete in Ochtezele.

In Friesland zijn de straatnaamborden soms eentalig Nederlands, soms eentalig Fries en soms tweetalig Fries en Nederlands. Het doel van het ‘Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden’, in 1995 door de leden van de Raad van Europa gesloten en door Nederland in 1995 ondertekend en in 2005 geratificeerd, is de juridische erkenning van nationale minderheden en het beschermen van hun rechten. Nederland heeft aangegeven de Friezen als nationale minderheid in de zin van dit verdrag te beschouwen. Volgens het verdrag zouden eigenlijk alle straatnaamborden in het Friese taalgebied tweetalig moeten zijn, maar de Wet BAG is blijkbaar niet ingesteld op tweetaligheid.

Ook namen die in de volksmond gebruikt worden, worden wel op de straatnaamborden geplaatst. Maastricht, Leuven, Aalst en Geraardsbergen hebben op bescheiden schaal straatnaamborden ingevoerd met namen in het Nederlands en in het Limburgs dan wel het ter plaatse gesproken dialect. Soms wijkt de naam in de volksmond af van de officiële en is er sprake van dubbelnamigheid (het De Bosquetplein – Heksenhook of Heksenhoek in Maastricht en het Pater Damiaanplein – Pottekesmèt of Pottekensmarkt en de De Beriotstraat – Kattestroot of Kattenstraat in Leuven).

In de Nieuwmarktbuurt in Amsterdam en in de Chinese wijk van Den Haag zijn een aantal straatnaambordjes niet alleen van een straatnaam in het Nederlands voorzien, maar ook in Chinese karakters. Dit vanwege de vele Chinezen in deze buurt.

In het Nederlands-Limburgse Kerkrade bevindt zich een straat die tevens de grens met de Duitse plaats Herzogenrath vormt. Hierdoor heeft deze straat ook een dubbele naam: Nieuwstraat/Neustraße.[12] Eenzelfde verschijnsel is de Heelweg/Hellweg die de grens vormt tussen het Nederlandse Dinxperlo en het Duitse Suderwick.

Straatnamen internationaal[bewerken | brontekst bewerken]

Tweetalige straatnamen[bewerken | brontekst bewerken]

Straatnaambordje in Spanje
Straatnaam in het Engels en Frans, op Guernsey

In regio's met minderheidstalen zijn de straten vaak in twee talen aangeduid zoals in Catalonië en Perpignan in het Spaans resp. Frans en Catalaans; in Bretagne in het Bretons en Frans. In Friesland zijn veel straatnamen in zowel het Fries als het Nederlands aangegeven.

Straatnamen noch huisnummers[bewerken | brontekst bewerken]

In Midden-Amerikaanse landen, zoals Nicaragua[13], is het fenomeen straatnaam nauwelijks bekend of in gebruik. Straten hebben namen noch nummers, maar worden aangeduid met lokaal bekende herkenningspunten zoals een school, kerk, of bioscoop. Huisnummering ontbreekt ook; dus de plaatsaanduiding wordt aangevuld met hoeveel meter ten noorden of enige andere windstreek, van het herkenningspunt het pand gelegen is. Deze vorm van adressering, die eigenlijk meer een routebeschrijving is, vult vaak de gehele voorzijde van een envelop, zodat de postbode noodzakelijkerwijs veel moet lezen. Deze adressering leidt in het algemeen tot een hoop gezoek en gegis, zeker voor vreemdelingen die de algemeen bekende herkenningspunten niet kennen. Bovendien komt het voor dat de herkenningspunten zijn afgebroken of van functie veranderd.

Twee voorbeelden uit Managua:

  • de Nederlandse ambassade is weliswaar gevestigd aan een straat met een naam - de Calle Erasmus de Rotterdam - maar het adres is Carretera a Masaya km 5, del Colegio Teresiano 1c sur, 1c abajo. Dat is: "5 kilometer over de weg naar Masaya, bij het Colegio Teresiano 1 blok naar het zuiden en dan 1 blok naar beneden".
  • het Belgische consulaat is gevestigd aan een straat met naam die ook gebruikt wordt; maar een huisnummer heeft het niet: Calle 27 de Mayo, frente a gasolinera Esso: tegenover de Esso-pomp op Calle 27 de Mayo.

Straatnummers per blok[bewerken | brontekst bewerken]

Hoek van Fifth Avenue en East 57th Street in New York

In veel Noord- en Zuid-Amerikaanse steden, zoals New York, Denver, San Francisco en Bogota zijn veel van de straten genummerd. In dit systeem is het in sommige opzichten makkelijker om een straat te vinden.

Straatnaam J7 in Mannheim

In het in een schaakbordpatroon gebouwde centrum van Mannheim in Duitsland zijn de straten sinds 1811 benoemd door middel van een letter en een cijfer (A3, B5 enzovoort) in plaats van een straatnaam.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]