Susanna du Plessis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search

Maria Susanna du Plessis, ook bekend als Maria Susanna Duplessis, (Paramaribo, 10 maart 1739 - aldaar, 6 oktober 1795) was Nederlandse plantagehouder in Suriname. Ze is een legende in de geschiedenis van Suriname en een symbool van Hollandse wreedheid jegens Surinaamse slaven.[1] Ze is onderwerp van verschillende liederen, toneelstukken en verhalen.[2]

Levensloop[bewerken]

Plantages 'Nijd en Spijt' (beheerd door Susanna du Plessis) en 'Alkmaar' in nabijheid van de Commewijne rivier

Du Plessis werd op 10 maart 1739 geboren te Paramaribo als dochter van Salomon du Plessis (1705-1785), advocaat, en Johanna Margaretha van Strijp (1706-1769), plantagehouder. Ze was afstammeling van Franse Hugenotenvluchtelingen. Du Plessis trouwde op 1 maart 1754, vlak voor haar vijftiende verjaardag, met Frans Laurens Willem Grand (ca. 1730-1762). Grand werd eigenaar van de plantage Grand Plaisir, welke later door hem werd omgedoopt tot Nijd en Spijt, waar hij vooral koffie en cacao verbouwde. Na zijn overlijden in 1762 kwam de plantage in bezit van Susanna, waardoor zij al op 23-jarige leeftijd plantagehouder werd.

In oktober 1767 hertrouwde Du Plessis op de plantage Nijd en Spijt met Frederik Cornelis Stolkert (ca. 1747-ca. 1804), eigenaar van de plantage Hecht en Sterk en zoon van Elisabeth Buys. In de huwelijksvoorwaarden liet ze vastleggen dat zij alle zeggenschap over haar eigendommen bleef houden waardoor Stolkert moest afzien van het recht van administratie en beheer van Du Plessis' goederen. Haar hele leven heeft ze de plantage met groot succes zelf beheerd.

Na ruim vijftien jaar huwelijk vroeg ze op 23 mei 1783 scheiding van tafel en bed aan, omdat Stolkert volgens haar schuldig was aan mishandeling en buitensporig gedrag. Ze had het gevoel dat haar leven in gevaar was. Voor zover bekend bleef dit huwelijk ook kinderloos. Ze verhuisde naar een huis dat vandaag de dag in Paramaribo nog bekend staat als het Du Plessis-huis, op de hoek van het Plein en de Gravenstraat.

Du Plessis stierf op 6 oktober 1795 te Paramaribo en ze werd begraven op de begraafplaats De Oude Oranjetuin, waar ook haar moeder en haar eerste echtgenoot lagen. De tekst op haar grafsteen heeft ze zelf opgesteld en luidt als volgt: 'Eindelijk ben ik tot rust gekomen'. De grafsteen ligt sinds 1835 ingemetseld in de vloer van de hervormde kerk in Paramaribo.[2]

Reputatie van wreedheid[bewerken]

De reputatie van wrede slavenhouder komt mede tot uiting in mondeling overgeleverde verhalen, geschreven verhalen, toneelstukken en liederen. In 1790 publiceerde A. Barrau een artikel in het tijdschrift Bijdragen tot het menselijk geluk waarin hij het verhaal vertelt van een slavenmeesteres die het kind van een slaaf verdrinkt omdat het niet wilde ophouden met huilen. Datzelfde verhaal verscheen in 1796 in een boek van John Gabriël Stedman. Hoewel Du Plessis' naam in beide publicaties niet werd genoemd, is het zeker dat zij de hoofdpersoon (de slavenmeesteres) is.[2]

Een ander verhaal dat nog voortleeft, is het verhaal over Du Plessis en haar huisslavin, het mulattenmeisje Alida. Du Plessis zou Alida meermaals hebben gestoken met een mes, omdat zij meende dat haar man Stolkert een oogje op het meisje had. In de loop van de tijd is het verhaal steeds meer aangevuld en voorzien van details en is het uitgegroeid tot het verhaal over de wrede plantagehouder die uit jaloezie de borsten van de slavin Alida afsneed en die aan haar echtgenoot als maaltijd voorzette.[3] Inmiddels is Alida een begrip in Suriname en is de jaarlijkse Miss Alida-verkiezing naar haar vernoemd. In deze verkiezing gaat het niet om uiterlijke schoonheid, maar om maatschappelijke ambities en kennis van cultureel erfgoed.[1] Een Miss Alida is daarmee een voorbeeld voor vele andere meisjes en symboliseert de trots van de Afro-Surinaamse vrouw.[4]

Van alle wrede verhalen over Du Plessis is er tot op heden niet een bewezen. Er zijn geen documenten gevonden die erop wijzen dat zij werkelijk zo wreed is geweest als in de verhalen wordt verondersteld. Het is mogelijk dat er sprake was van een haatcampagne tegen Du Plessis vanwege een oude ruzie tussen haar vader en de gouverneur. Anderen vermoeden dat haar tweede echtgenoot Stolkert erachter zat, vanwege een strijd om het bezit van Nijd en Spijt.[2] Hilde Neus-van der Putten suggereert in haar boek Susanna du Plessis. Portret van een slavenmeesteres. eveneens dat mannelijke jaloezie wellicht een rol heeft gespeeld bij de negatieve beeldvorming. Ze was immers een krachtige vrouw, onafhankelijker dan gebruikelijk voor iemand in haar positie: ze liet zich scheiden van haar echtgenoot, bleef kinderloos en was zeer vermogend.[1]

Literatuur[bewerken]