Tandformule

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De tandformule wordt gebruikt om de samenstelling van een gebit in het dierenrijk aan te geven. Het is van het type I|C|P|M, waarbij I het aantal snijtanden (Incisivi) in een gebitskwadrant aangeeft, de C het aantal hoektanden (Canini), de P het aantal Premolaren en de M het aantal Molaren.

Enkele tandformules:

  • Bij de mens: 2|1|2|3 (zowel in de boven- als in de onderkaak)
  • Bij de hond:
    • Melkgebit: 3|1|3 (boven en onder)
    • Permanent gebit: 3|1|4|2 (in de bovenkaak) en 3|1|4|3 (in de onderkaak)
  • Bij de kat:
    • Melkgebit: 3|1|3 (boven) en 3|1|2 (onder)
    • Permanent gebit: 3|1|3|1 (in de bovenkaak) en 3|1|2|1 (in de onderkaak)
  • Bij het paard:
    • Permanent gebit: 3|1|3|3 (boven en onder, bij de meeste merries ontbreken de canini)
  • Bij de bruine beer: 3|1|3|2 (zowel in de boven- als in de onderkaak)

De vleerhondensoort Myonycteris brachycephala, die endemisch is op het eiland Sao Tomé, is het enige bekende zoogdier waarvan de hele populatie een asymmetrische tandformule heeft.[1] In de onderkaak ontbreekt links of rechts een van de snijtanden. De onderzoekers speculeren, dat dit een aanpassing is aan de beperkte ontwikkelingsmogelijkheden op eilanden,[2] te vergelijken met eilanddwerggroei.