Tarimbekken

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Tarim Bekken)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het Tarimbekken met de Taklamakanwoestijn, ten zuidwesten van de Gobiwoestijn

Het Tarimbekken is een groot geologisch bekken in de autonome regio Sinkiang in het uiterste westen van de Volksrepubliek China. Het wordt omsloten door drie hooggebergten: de Tiensjan in het noorden, de Pamir in het westen en de Kunlun in het zuiden. Een groot deel van het bekken wordt ingenomen door de Taklamakanwoestijn. De zijderoute splitste zich hier in twee routes, langs de noordelijke en zuidelijke randen van Taklamakan. Het laagste punt is Lop Nor in het oosten, een voormalig zoutmeer. Lop Nor was vroeger aanzienlijk groter, 'Groot Lop Nor' en voor díe tijd maakte het deel uit van het 'Tarim meer', dat waarschijnlijk zo groot was als de Kaspische Zee.[1] Dat verklaart het zout in de woestijn, dat bijdroeg aan de mummificatie van bewoners die werden begraven (Tarim-mummies).

De naamgever van het bekken is de rivier de Tarim, die langs het noorden van het bekken stroomt er er ook eindigt. Het Tarimbekken is een endoreïsch bekken en heeft dus geen afvoer naar zee.

De Zijderoute liep door en ten noorden van het Tarimbekken:

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Sinkiang, Rood bekken van Dzjoengarije. Blauw het Tarimbekken

Bronnen[bewerken | brontekst bewerken]

De trek van de Yuezhi door Centraal-Azië,
tussen 176 v.Chr. en 30 na Chr.
N.B.: De Wusun woonden oorspronkelijk verder naar het oosten
  • Zhang Qian (ca. 195 - ca. 114 v.Chr.) Zhang Qian was ambassadeur van de Chines keizer Han Wudi, een van de grote heersers van de Han dynastie, die naar de (Grote) Yuezhi werd gestuurd om hen over te halen, samen met de Chinezen de Xiongnu in te sluiten middels een tangbeweging en te overwinnen.

Op de heenreis (die vlak voor 140 v.Chr. begon), vergezeld door 100 man en Ganfu als gids, een voormalige slaaf van de Xiongnu, werd hij door de Xiongnu gevangengenomen en voor de koning, 'de Shanyu', geleid. Zhan Qian trouwde met een Xiongnu vrouw en kreeg een zoon. Na tien jaar wist Zhang Qian te ontkomen en vluchtte naar het westen. Na een maand kwam hij in Dayun (modern Fergana) aan en de heerser stuurde hem met gidsen en tolken door naar het land, dat de Chinezen Daxia noemden, en de Grieken Bactria, toen ze het gebied precies 200 jaar eerder veroverden. Maar de zoon van de onfortuinlijke Yuezhi koning, wiens schedel door de Xiongnu in een drinkbeker was veranderd, was met zijn Grote Yuezhi 1500 mijl verderop een aangename en veilige vallei binnengetrokken en had geen belangstelling om samen met de Chinezen de bloeddorstige Xiongnu in de tang te nemen. Na een jaar gaf Zhang Qian het op, maar viel op weg naar huis opnieuw in handen van de Xiongnu. De Shanyu stierf een jaar later, er brak een burgeroorlog onder de Xiongnu uit en Zhang Qian keerde in 126 v.Chr. met zijn vrouw in China terug. Zhang Qian verzamelde veel informatie tijdens zijn reis. 'De Yuezhi leefden van oorsprong in het gebied tussen Qilian of Hemelse Bergen en Dunhuang.' Het gebergte in het westen werd door de vroege Chinezen zonder onderscheid Heilige Bergen en Qilian genoemd, van het Tochaarse woord voor 'heilig, hemels' (Tochaars A: klyom, Tochaars B: klyomo). Het gebied tussen Dunhuang en het tegenwoordige Tien Shan, het gebied van honderden mijlen rond Kroraina/Loulan en Kucha, zullen de Yuezhi ruimte hebben gegeven om te leven.[2] '...maar toen ze [de Yuezhi] waren verslagen door de Xiongnu trokken ze ver weg naar het westen, voorbij Dayun [Fergana], waar ze het volk van Daxia [Bactrië] aanvielen en overwonnen en hun koninklijk hof oprichtten op de noordelijke oever van de rivier Gui [Oxus, of Amu]. Een klein deel van hun volk, dat niet in staat was de reis naar het westen te maken zocht haar toevlucht onder de Qiang barbaren in de Zuidelijke Bergen [van Tien Shan], waar ze bekendstaan als de Kleine Yuezhi.' De Grote Yuezhi trokken na de splitsing begin 2e eeuw v.Chr. eerst naar het gebied rond de rivier Ili en het meer Issyk, dan als tweede stadium naar Fergana, vervolgens naar Bactria en Gandhara. De Kleine Yuezhi bleven waarschijnlijk in de bergen in het Tarimbekken. Toen Zhang Qian er doorheen reisde zag hij 'de Loulan en Gushi volken wonen in versterkte steden bij het Zoutmoeras.' Gushi komt taalkundig overeen met Kucha en het Zoutmoeras is het gebied van Lop Nor.[3] Uit Zhang Qians verslag komt ook naar voren dat ten westen van de achtergebleven (Kleine) Yuezhi de Yumi woonden en daarna de Yutian. Yutian is dan de westelijke grens van het Tarimbekken.

Tochaars[bewerken | brontekst bewerken]

Aan het begin van de bronstijd hebben een aantal migratiegolven naar het bekken plaatsgevonden. De eerste migranten kunnen de sprekers van het Tochaars, een Indo-Europese taal, zijn geweest.

Iraans[bewerken | brontekst bewerken]

Latere migraties brachten sprekers van Iraanse talen naar het bekken. Dat moeten herders geweest zijn. De laatste migraties moeten pastoraal nomaden geweest zijn. Deze en andere migranten brachten een vorm van agrarische technologie en enkele rituele aspecten van een sedentaire samenleving naar het gebied. De oorsprong daarvan moet gelegen hebben in de gordel van agrarisch gebied dat zich uitstrekte van het noorden van Afghanistan naar het Aralmeer. Het handelt dan om regio's als bijvoorbeeld Bactrië en Margiana.

Tarim-mummies[bewerken | brontekst bewerken]

In het gebied zijn vanaf begin twintigste eeuw enkele honderden Tarim-mummies gevonden. De mummies zijn door het droge klimaat met desiccatie van de lichamen als gevolg zeer goed geconserveerd. De meeste van die vondsten zijn gedaan in het oostelijk deel van het bekken in het gebied rondom Lob Nuur bij vestigingen en steden als Hami, Turpan, Xiaohe en Kroraina. Andere vondsten waren langs de zuidelijke rand van het bekken bij Khotan, Cherchen en Niya. De oudste mummies dateren uit de periode rondom 1800 v.Chr. De jongste rondom 200 na Chr. De oudste mummies worden toegeschreven aan sprekers van het Tochaars, een Indo-Europese taal en zouden van europide oorsprong zijn.

Etnische groepen en meerderheden in Sinkiang

Tijdens de Han-dynastie (206 v.Chr.- 220 na Chr.) begon China zijn invloed geleidelijk naar het Tarimbekken uit te breiden en wist daar een aantal militaire voorposten te vestigen. Na de val van de Han-dynastie kreeg het Kushanrijk toenemende invloed in het zuiden van het bekken. De Chinese culturele invloed bleef echter aanzienlijk. 'De eerste koningen [van het Kushanrijk] (vooral Kanishka I, vanaf 127/8 n.Chr.) voegden in de loop van de eerste en tweede eeuw n.Chr. grote gebieden toe, lopend van Midden-India tot oostelijk Cenraal-Azië, zodat ze de zuidelijke tak van de Zijderoute beheersten.'[4]

Yuezhi en Kushana's[bewerken | brontekst bewerken]

De Tocharen (Yuezhi), trokken van Bactrië naar het Gandhararijk in Noord-India, stichtten het Kushanrijk en versmolten Griekse en Indiase tradities (denk aan Greco-Boeddhistische kunst). Kushanen verspreidden hun cultuur via de Karakorampas naar Khotan en andere oasen van het zuidelijke Tarimbekken. 'Tijdens de heerschappij van de Kushanen werd de gehelleniseerde Indo-Iraanse cultuur op grote schaal geïmporteerd in het Tarimbekken. In dezelfde periode drong hier ook het boeddhisme door, om er bijna duizend jaar te blijven.'[5] Oorspronkelijk kwamen, volgens Barber, de Tocharen uit deze regio, voordat ze in de tweede eeuw v.Chr. voor de Xiongnu naar Bactrië waren gevlucht.[6] De dominante militaire macht in het noorden van het bekken was tot in het midden van de vijfde eeuw de Rouran. Daarna waren tot aan het midden van de zesde eeuw de Hephthalieten de dominante macht.

Tang-dynastie en Tibetaanse rijk[bewerken | brontekst bewerken]

Ook de Tang-dynastie (618-907) heeft het gebied tot aan ongeveer 760 beheerst. Daarna maakte het tot midden negende eeuw deel uit van het Tibetaanse rijk. Na de val van het Oeigoerse Rijk in het midden van de negende eeuw wisten groepen Oeigoeren het bekken te veroveren, die daar het koninkrijk Qocho vestigden. De basis van dat koninkrijk was een aantal oasesteden zoals Hami, Kucha, Turpan, Gaochang en Bezeklik.

Vanaf omstreeks het jaar 1000 zijn de Karachaniden de dominante macht in het bekken. In de 12e eeuw zijn dat de Kara-Kitan.

Islam[bewerken | brontekst bewerken]

De islam werd vanaf de 11e eeuw de dominante religie in het gebied.

Dzjengis Khan[bewerken | brontekst bewerken]

In de 13e eeuw werd het gebied veroverd door Dzjengis Khan.

Daarna maakte het deel uit van Kanaat van Chagatai, het Timoeridenrijk en het kanaat van Moghulistan.

Vanaf ongeveer 1400 werd het noorden van Sinkiang het woongebied van de stamfederatie van de Oirat-Mongolen.

Vanaf de tweede helft van de 17e eeuw werden ook delen van het zuiden van het gebied - het Tarimbekken - beheerst door de toentertijd dominante stam binnen de federatie, de Dzjoengaren.

Chinese rijk[bewerken | brontekst bewerken]

Na de definitieve val van het kanaat van Dzjoengarije in het midden van de achttiende eeuw ging Dzjoengarije en het Tarimbekken deel uitmaken van het Chinese rijk.

In 1865 brak een opstand van Hui, Chinese moslims, uit tegen het Chinese gezag. In een later stadium voegden zich Turkstalige moslims zich bij de opstand, die uiteindelijk werd gekaapt door Yakub Beg, een avonturier van Tadzjiekse afkomst. Hij stichtte in het bekken een emiraat. In 1878 wist de Qing-dynastie het gebied te heroveren.

Sinkiang[bewerken | brontekst bewerken]

Na die opstand werden in 1884 het Tarimbekken en Dzjoengarije samengevoegd in de nieuwe provincie Sinkiang. In 1933/1934 wisten Oeigoeren een kortstondige onafhankelijke Eerste Oost-Turkestaanse Republiek in een deel van het bekken te vestigen.

Chinese migratie[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf de 18e eeuw tot aan het eind van de twintigste eeuw was de migratie van Han en Hui vooral gericht op het bekken van Dzjoengarije, het noordelijk deel van de provincie Sinkiang. In 2005 woonde 90% van de Han in dat noordelijk deel van de provincie. Pas vanaf 1985 is er sprake van enige significante migratie van Han en Hui naar het Tarimbekken, het zuidelijke deel van de provincie. In 2005 waren de Oeigoeren met 80% van de daar aanwezige bevolking nog de grootste etnische groep.