Theo Brouns

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Theo Brouns (Kessenich, 20 november 1911Hasselt, 28 maart 1946) was een politicus voor het VNV tijdens het interbellum en de Duitse bezetting.

Schoolloopbaan[bewerken | brontekst bewerken]

Brouns loopt school aan het Don Boscocollege in Hechtel en aan het Heilig Kruiscollege in Maaseik. Al in zijn jeugd komt hij in aanraking met de ideologieën die België sterk polariseren. Zelf wordt hij een aanhanger van de Vlaamse Beweging en het grootneerlandisme. Tegelijkertijd verfoeit hij het communisme, het unitaire België en het buitensporige kapitalisme dat hij vereenzelvigt met een Waalse en Joodse elite. Hij wordt een actief lid van diverse culturele en sociale (studenten)verenigingen met een Vlaamse achtergrond. In 1936 studeert hij af aan de Universiteit Gent, met een doctoraat in de Rechten en een licentiaat in de Staats- en Sociale Wetenschappen. In de daaropvolgende jaren is hij o.m. mederedacteur van flamingantische bladen zoals De Schelde, advocaat bij de balie van Hasselt en hoogleraar aan het Hoger Limburgs Handelsinstituut.

Gouwleider van VNV-Limburg[bewerken | brontekst bewerken]

Na de Achttiendaagse Veldtocht wordt België een Reichskommissariat van Nazi-Duitsland. Brouns wordt eerst kabinetschef van gouverneur Romsée, vervolgens provinciaal voorzitter ("gouwleider") van het VNV. Deze functies duwen hem echter tussen twee vuren: hij moet het hoofd bieden aan de Duitse eisen (o.m. de verplichte tewerkstelling in Duitsland) én aan de terreur vanwege "de Witten". Eind 1943 dreigt hij ermee af te treden. Hij ontsnapt dan ternauwernood aan een aanslag op zijn leven, bevolen door de SS. Hierna stemt de overheid toe in de oprichting van een VNV-inlichtingendienst. Brouns helpt actief bij de opsporingen. Bij de overheid dringt hij bovendien aan op de gijzelneming van vermoede verzetslieden, die dan terechtgesteld worden indien er opnieuw geweld uitbreekt. Volgens Bouveroux speelt Brouns ook een grote rol in de gewelddadige represailles (de zgn. "tegenterreur" of "inzet"), hoewel hij zich verzet tegen de acties van de zgn. "groep-Blommaert" in Limburg.

Rechtszaak en terechtstelling[bewerken | brontekst bewerken]

Bij de Bevrijding (september 1944) duikt Brouns onder bij pastoor Spitz van Ophoven. Hij wil zich pas overgeven wanneer de zware naoorlogse repressie, door Justitie maar ook op straat, afzwakt. Op 28 oktober waagt hij een bezoek aan zijn ouderlijk huis maar wordt onderschept door Amerikaanse soldaten die er de wacht optrokken. Zijn Dagboek van mijn gevangenisleven wordt een relaas van de chaos en onrechtvaardigheid in België en Europa: de unitaristen schilderen alle Vlaamse elementen af als nazistisch, de communistische groeperingen eisen hun aandeel in de overwinning op, de Koningskwestie plaatst Vlaanderen en Wallonië tegenover elkaar, de Sovjet-Unie vergroot haar invloedssfeer. In de postume uitgaves van het Dagboek wordt het proces tegen Brouns, terecht of ten onrechte, beschouwd als een gevolg van die woelige tijd.

Eind 1945 gaat de rechtszaak wegens Brouns' oorlogshandelingen van start. De krijgsraden van Hasselt en Luik spreken de doodstraf uit. Het Krijgshof in Luik bevestigt dit vonnis. Brouns schrijft een genadeverzoek, met de handtekeningen van prominenten zoals Frans Van Cauwelaert, August de Schryver en Camille Huysmans. Helaas is Brouns' terechtstelling, volgens prof. Raymond Derine, van symbolische waarde voor de socialistische minister Rolin. De regering geeft dan ook een negatief advies aan regent Karel. Op 28 maart 1946 wordt Brouns te Hasselt gefusilleerd. Overeenkomstig zijn laatste wens wordt hij begraven op het Schoonselhof.