Naar inhoud springen

Tiemen Wijbrand Attema

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Tiemen Wijbrand Attema
Plaats uw zelfgemaakte foto hier
Geboren 5 september 1927Bewerken op Wikidata WildervankBewerken op Wikidata
Overleden 9 juni 1992Bewerken op Wikidata HaarlemBewerken op Wikidata

Tiemen Wijbrand Attema (Wildervank, 5 september 1927Haarlem, 9 juni 1992) was een Nederlandse jurist en rechter. Hij was rechter in Middelburg, vicepresident van de arrondissementsrechtbank in Haarlem en president van de arrondissementsrechtbank in Alkmaar.[1]

Na het Gravenhaagsch Christelijk Gymnasium, waar hij in 1946 zijn diploma behaalde, studeerde hij rechten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, die hij, na de vervulling van zijn dienstplicht in Nederlands-Indië, in februari 1953 succesvol afsloot met het doctoraal examen.[1]

Nederlands-Indië

[bewerken | brontekst bewerken]

Na als dienstplichtige in 1948 een opleiding tot reserveofficier der artillerie te hebben gekregen, werd Attema in 1949 uitgezonden naar Nederlands-Indië, waar hij in oktober aankwam in Batavia. Hij maakte op Java deel uit van de eerste afdeling van het 43e regiment veldartillerie, een onderdeel van de 43e Zelfstandige Infanterie Brigade, met als commandant J.A.N. van den Brandhof. Attema’s afdeling arriveerde na het staakt het vuren van augustus 1949 en zodoende werd zijn onderdeel niet meer ingezet.[1]

Na de soevereniteitsoverdracht van december 1949 had de afdeling in het geheel geen militaire taak meer ‘als gast’ in het nieuwe land Indonesië. Naast de militaire training was er alle tijd voor excursies naar bezienswaardigheden of een reisje naar een vulkaan.[2] In de nazomer van 1950 keerde de eerste luitenant met het emigranten- en troepentransportschip Skaugum, genoemd naar een landgoed van de Noorse koninklijke familie, na twaalf maanden terug in Nederland.[1]

Na een jaar lang als advocaat werkzaam te zijn geweest in Den Haag, begon hij in 1954 als ‘beëdigd klerk’ bij de griffie van het kantongerecht in Middelburg, om gedurende een halfjaar uitgeleend te worden als ‘waarnemend-griffier’ bij het kantongerecht in Tilburg.[3] Waarna in februari 1956 de benoeming volgde tot griffier van het kantongerecht in Middelburg.[4]

In de Zeeuwse hoofdstad volgden de promoties elkaar snel op: in 1957 kantonrechter-plaatsvervanger, in 1950 rechter-plaatsvervanger en in september 1960 rechter bij arrondissementsrechtbank.[5] Terugkijkend op deze periode vertelde Attema dat Middelburg een ‘uiterst nuttige leerschool’ was geweest omdat hij daar met vijf andere rechters alles deed wat met rechtspraak maken had.[6]

Halverwege de jaren zeventig verhuisde Attema naar Noord-Holland, volgend op een benoeming tot vicepresident van de arrondissementsrechtbank in Haarlem.[7] In Haarlem was hij onder meer {mede)verantwoordelijk voor de berechting van twee Palestijnse vliegtuigkapers (ze kregen vijf jaar)[8] en het weigeren van een verblijfsvergunning aan een 54-jarige Surinaamse aangezien de vrouw hem niet duidelijk had kunnen maken dat zij aanspraak had op een verblijfsvergunning. Ook had hij onvoldoende de overtuiging gekregen dat de vrouw voldeed aan de eis van de richtlijnen voor naturalisatie dat zij in de Nederlandse samenleving was ingeburgerd.[9] Ondanks deze voorbeelden, bestonden zijn werkzaamheden in Haarlem vooral uit civiel-rechtelijke zaken.

Begin 1979 werd Attema benoemd tot president van de arrondissementsrechtbank in Alkmaar als opvolger van Harry van den Haak (1929-2019), die was benoemd tot president van de rechtbank in Haarlem en na zijn pensionering de commissie zou leiden die onderzoek deed naar de beveiliging van de vermoordde politicus Pim Fortuyn.[10] In Alkmaar had Attema veel te maken met de spraakmakende hoofdofficier van justitie en columnist van HP/De Tijd Jan Jacobus Abspoel, die de functie bij het openbaar ministerie in Alkmaar van 1976 tot zijn pensionering in 1982 bekleedde.

Op 1 mei 1988 ging Attema met pensioen.[11] Vier jaar later overleed hij in Haarlem op 64-jarige leeftijd.

Nevenfuncties

[bewerken | brontekst bewerken]

Attema was reserve-majoor van de militaire juridische dienst.[1]

Tijdens zijn periode in Zeeland was hij onder meer voorzitter van de Reclasseringsraad. Voorzitter van Pro Juventute en lid van het Ambtenarengerecht in Rotterdam. Als vicepresident in Haarlem was hij als docent verbonden aan het Studiecentrum Rechtspleging, belast met de opleiding van rechters en officieren van justitie.[1]

Onderscheidingen

[bewerken | brontekst bewerken]

Hij stamde af van een Fries geslacht, maar aangezien zijn vader bij zijn geboorte predikant was bij de gereformeerde kerk in Wildervank, werd hij in de provincie Groningen geboren. Op vierjarige leeftijd verhuisde hij met zijn ouders naar Den Haag, waar zijn vader beroepen was.[1]

Hij was een zoon Jacob Attema (Heeg, 29 mei 1900 – Den Haag, 30 december 1956), predikant bij de gereformeerde kerk in Den Haag, en Trijntje Attema-Nooitgedagt (1903), telg van de ondernemersfamilie die eigenaar was van de schaatsen- en gereedschapsfabriek Nooitgedagt in IJlst. Hij is vernoemd naar zijn grootvader Tiemen Nooitgedagt (1873-1957).[14]

Op 25 oktober 1957 trouwde hij in Middelburg met de kunstenares[1] Louise Jacobine Adriane van Vliet (Den Haag, 1 juli 1933), een kleindochter van het Tweede Kamerlid voor de ARP Pieter van Vliet (1858-1941) en zus van de cabaretier Paul van Vliet (1935-1923).

Hij ligt begraven op de Algemene Begraafplaats in Heemstede.[15]