Tientje van Lieftinck

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De naam van de Nederlandse oud-minister van Financiën Piet Lieftinck is voor veel mensen nog steeds bekend door het tientje van Lieftinck.

Vlak na de Tweede Wereldoorlog, op 26 september 1945, kregen alle Nederlanders tien gulden tijdens de grote geldzuivering die Lieftinck op touw zette. In de week waarin alle oude bankbiljetten en munten moesten worden ingeleverd - om vervolgens te worden geruild voor nieuw geld - moest men rondkomen van deze tien gulden.

Daaraan vooraf ging op 6 juli 1945, het ongeldig verklaren van de 100 gulden biljetten en op 26 september 1945 werd al het Nederlandse papiergeld in één klap ongeldig. Tegelijkertijd werden alle banktegoeden bevroren.

Deze geldzuivering was nodig om een einde te maken aan de geldcirculaties, die tijdens de Duitse bezetting werden uitgezet. Het was een oplossing voor het zogenaamde zwart geld-probleem. Enkele mensen hadden (zwart) geld verdiend tijdens de Tweede Wereldoorlog en de regering in 1945 vond achteraf gezien niet alles even legaal. Al het papiergeld werd ongeldig verklaard en men moest een verklaring afgeven over hoe men het verkregen had.

Het tientje van Lieftinck maakte hem niet bij alle burgers populair. Naar een anekdote zou hij een man om een dubbeltje hebben gevraagd om een vriend op te bellen, waarop de man reageerde: neemt u er maar twee, dan kunt u ze allemaal bellen.[1] Niettemin leidde de invoering van het tientje ook tot waardering, wat onder meer tot uiting werd gebracht met een beeldje dat in 1991 werd onthuld in Muiderberg, ter nagedachtenis het tientje.

Op de achterzijde van het biljet stond een afbeelding van de Oranje-Nassau 1 mijn afgebeeld. Deze en de andere Limburgse steenkolenmijnen waren belangrijke pijlers van de economie, specifiek tijdens de wederopbouw periode.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Parlement & Politiek, Mr.Dr. P. (Piet) Lieftinck