Tinpest

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
α-tin (rechts) en β-tin (links)

Tinpest is een verandering in de kristalstructuur van tin. Daarbij gaat de zilverwitte metallieke β-fase, die van 16°C tot 181 °C stabiel is, bij temperaturen onder 13,2 °C over in het grijszwarte α-tin. Het is dus geen corrosie; als men het poederige α-tin omsmelt en bij kamertemperatuur laat stollen, keert de zilverwitte tin gewoon terug.

De faseovergang begint meestal op een beperkt aantal plekken van het tinnen voorwerp en breidt zich langzaam uit. Er ontstaan donkere plekken met blaasjes en oneffenheden.

Bij verdere daling van de temperatuur verloopt het proces sneller, maar bij al te lage temperaturen neemt de groeisnelheid van de nieuwe fase af. De optimale temperatuur voor de overgang ligt rond -48 °C. Bij legeringen van tin met andere metalen kan de overgang zowel bevorderd (legering van tin met Zn of Al) als geremd (tinlegering met Sb of met Bi) worden. Ook een oplossing van tinammoniumchloride (NH4)2SnCl6) in alcohol bevordert het proces.

Tinpest was in de Middeleeuwen een onbegrepen en gevreesd verschijnsel omdat het orgelpijpen in stof deed uiteenvallen. De oorzaak van tinpest werd uiteindelijk in het begin van de 20e eeuw door Ernst Julius Cohen en C. van Eyk vastgesteld.

Munten[bewerken]

Men spreekt hier van tinpest wanneer er witte plekken op een tinnen munt te zien zijn. Het proces kan de munt vernietigen en kan overslaan naar andere tinnen voorwerpen als de munt daarmee in contact komt. Men kan het voorkomen door de munt in een munthouder te stoppen.

Literatuur[bewerken]

Tinpest is tevens de titel van een roman van de Nederlandse schrijver Louis Ferron uit 1997.

Zie ook[bewerken]