Tjaroe

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het fort van Tjaroe
in hiërogliefen
G41 G1 Aa1
X1
G17 Z7 S20 O1
N35
G47 Z1 E23 Z1 M17 Z7 T14 N25 O49

Pa-chetem-en-Tjaru
Tjaroe
in hiërogliefen
G47 r
t O49

Tjaroe was een versterkte stad in het oude Egypte op de Weg van Horus van Egypte naar Kanaän. De stad lag in de Nijldelta.

De naam van de stad[bewerken]

Tjaroe wordt ook wel vertaald als Zaru, Tharu, Djaru of Tjel genoemd. In het Grieks heette ze Σελη, Zele, Sile of Silu. De vermoedelijke plaats is Tell el Habua bij Kantara in de oostelijke Nijldelta bij het huidige Suezkanaal.

Omvang van de stad[bewerken]

De vesting was 500 m x 250 m groot[1] en omgeven door muren van 13 m dik uit verhitte leemtegels.[2] In de muur waren 24 wachttorens gebouwd.[3] Rond de vesting lag nog een gracht met water.

Religie[bewerken]

Te Tjaroe werd de Horus van Mesen aanbeden onder vorm van een leeuw en vanwege het theologisch verband met Edfu wordt Tjaroe weleens Edfu van Neder-Egypte genoemd.

Historie van de stad[bewerken]

Tjaroe was een grensstad en lag in een onherbergzame woestijn. Daarom was het een ballingsoord voor misdadigers. Horemheb nam in zijn Groot Edict voor verschillende vergrijpen een verbanning naar Tjaroe op als straf. Zo werd corrupte ambtenaren de neus afgesneden en werden ze dan naar Tjaroe verbannen.

De Rhind-papyrus vermeldt, dat farao Ahmose I op 25 Achet tijdens de Nijlvloed dus midden augustus in het elfde regeringsjaar van Chamoedi dus 1539 v.Chr. Sile heroverde.

Silu komt tweemaal voor in nr. 382 van de Amarna brieven uit 1350 - 1335 v.Chr. De geschriften verwijzen naar Turbazu de heerser van Silu, die is gedood aan de stadspoort van Silu. Twee andere heersers werden ook gedood aan de stadspoort. De dood van Turbazu staat ook vermeld in brief EA 335 van de Amarna brieven.

Brieven van Abdi-Heba aan de Egyptische farao gaan over intriges in de steden bij Jerusalem. Brief 288 met als titel "schuldig verzuim" zegt vanaf regel 17:

"Ik gaf hem tien slaven, Šuta, de ambtenaar van de farao kwam naar mij, Ik gaf de Šuta 21 meisjes en 80 gevangenen als een welkomstgeschenk Šulmānī voor de farao, mijn heer. De farao moge denken aan dit land, het land van de koning is verloren. Heel het land heeft mij aangevallen. Ik ben in oorlog tot aan het land van Šeru en tot aan Ginti-kirmil. Alle heersers leven in vrede, maar ik ben in oorlog. Ik word behandeld als een Habiru en ik bezoek de farao, mijn heer, niet, omdat ik in oorlog ben. Ik ben als een schip midden op zee. De sterke hand van de farao nam het land van Mittani en het land van de Koning van Kush, maar nu hebben de Apiru de steden van de farao zelf ingenomen. Geen enkele heerser van de farao, mijn heer, is er nog, ze zijn allemaal verloren. Kijk, Turbazu werd gedood aan de stadspoort van Silu. De farao deed niets. Kijk, dienaren die overliepen naar de Apiru doodden Zimredda van Lachis en Yaptih-Hadda werd gedood aan de stadspoort van Silu. De farao deed niets. Waarom heeft hij geen rekenschap van hen geëist? Moge de farao voor zijn land zorgen en moge hij erop toezien dat er boogschutters komen naar zijn land. Als er dit jaar geen boogschutters zijn, dan zijn alle landen van de farao, mijn heer, verloren."