Toonbrood

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Levieten vervangen het toonbrood in de tabernakel.
De tafel met de toonbroden afgebeeld op de Boog van Titus (rechts)

Het toonbrood was in het jodendom een graanoffer in de vorm van twaalf platte broden, of koeken, dat op een speciale tafel in de tabernakel en de latere tempels werd geplaatst. De instructies voor het gebruik van de toonbroden staan opgetekend in de Hebreeuwse Bijbel, met name in de boeken Exodus en Leviticus.

Het woord toonbrood is een vertaling van het Hebreeuwse לחם הפנים (lechem haPānīm), wat letterlijk 'Brood des Aangezichts' betekent,[1] maar in deze context ook vertaald kan worden als 'Brood van Tegenwoordigheid'. Enkele Bijbelvertalingen hanteren in sommige passages alternatieve namen, zoals stapelbrood.[2]

Bijbelverslag[bewerken]

In het Bijbelboek Exodus wordt voor de eerste maal melding gemaakt van de toonbroden in de instructies aan Mozes voor het vervaardigen van de tabernakel en haar onderdelen. Er wordt uitgebreid beschreven hoe de tafel voor de toonbroden en de attributen voor het plengoffer gemaakt moet worden. De tafel voor de toonbroden was een van de attributen die in het 'Heilige' stonden, het voorste gedeelte van de tabernakel. Het stond voor het gordijn dat het 'Heilige der Heiligen' afschermde, het achterste gedeelte van de tabernakel dat symbool stond voor de tegenwoordigheid van God. De toonbroden op de tafel bevonden zich derhalve voor het aangezicht van God, of in zijn tegenwoordigheid.[3]

Ook nadat de tabernakel werd vervangen door de Tempel van Salomo bleef het toonbrood een rol spelen in de aanbidding van de Joden.[4] Met het verwoesten van de laatste Tempel, gebouwd door Herodes de Grote, kwam in 70 na Christus het gebruik van het toonbrood te vervallen.

De Kehattieten waren Levieten die de verantwoordelijkheid hadden voor het toonbrood en het vervoeren van de tafel.[5] Zij waren nakomelingen van Kehat, de zoon van Levi, kleinzoon van de aartsvader Jakob.[6] De priesters vervingen op elke sabbat het toonbrood op de tafel door twaalf verse ringvormige broden, die de Kehattieten bakten van meelbloem.[7] Volgens de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus werd er geen zuurdeeg aan het meel gevoegd,[8] net zoals bij het bakken van matzes. De vervangen toonbroden waren volgens de voorschriften heilig en mochten derhalve alleen door de Kehattitische hogepriester Aäron en zijn nakomelingen worden gegeten.[9] Zij waren ook de enigen die de tabernakel mochten binnenkomen wanneer deze opgebouwd was.[10]

David ontvangt het toonbrood van Achimelech.[11]

David eet van het toonbrood[bewerken]

In het Bijbelboek 1 Samuël staat het verslag opgetekend van David die op de vlucht is voor Koning Saul. Wanneer hij met zijn mannen in de tabernakel te Nob aankomt, vraagt hij de hogepriester Achimelech om wat voedsel. Daar er niets anders voorhanden is dan het toonbrood, krijgen ze het vervangen toonbrood te eten, nadat ze Achimelech hebben verzekerd rein te zijn volgens de Joodse wetten.[12]

Jezus Christus verwees later naar deze gebeurtenis in een discussie met de Farizeeën. Deze bekritiseerden Jezus' discipelen omdat zij graan plukten op de sabbat.[13] Jezus antwoordde aan hen:

Aanhalingsteken openen

Hebt gij niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hem hongerde, en hun, die met hem waren? Hoe hij gegaan is in het huis Gods, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar den priesteren alleen.

Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat de priesters den sabbat ontheiligen in den tempel, op de sabbatdagen, en [nochtans] onschuldig zijn? En Ik zeg u, dat Een, meerder dan de tempel, hier is.

Aanhalingsteken sluiten
— Matteüs 12:3-6 (Statenvertaling)

Tafel met de toonbroden[bewerken]

Volgens Exodus 37:10-15 was de tafel met de toonbroden gemaakt van met goud beslagen acaciahout, net als de draagbomen. De gouden ringen en het plenggerei kunnen van massief goud zijn geweest. Na de verovering van Jeruzalem in 70 n.Chr. brachten de Romeinen de tafel als trofee naar Rome. Dit is afgebeeld op de Titusboog, waar acht man de tafel dragen. Volgens Flavius Josephus liet keizer Vespasianus de tafel bewaren in de nieuwe Vredestempel.[14] De Visigothen plunderden Rome in 410 en namen de tafel mee. Ze belandde eerst in Carcassonne en dan in Toledo. Toen de Visigothische koning Roderik in 711 moest vluchten voor Tariq ibn Zijad, zou hij de tafel achtergelaten hebben in Medinaceli.[15] Volgens moslimkronieken stuurde Tariq de trofee naar de Omajjadenkalief in Damascus, Al-Walid I. Een Mekkaanse kroniek vertelt dat Walid de "tafel van Salomo" liet omsmelten en het goud ter waarde van 36.000 dinar naar Mekka zond om de deuren van de kaäba te bekleden.[16] Rond de tafel bestonden tal van Spaanse en Arabische legenden.[17]