Totalitarisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Totalitarisme is een politiek systeem waarbij de gehele maatschappij ondergeschikt wordt gemaakt aan het staatsidee en de politiek de gehele samenleving tot in de diepste geledingen doordringt. Dit gebeurt meestal in staten die als dictatuur zijn ingericht.

Nadere definiëring[bewerken]

Adolf Hitler

Bij totalitarisme wordt de heersende ideologie in een totalitaire staat gepropageerd als de enig mogelijke weg naar een betere toekomst. Het is een systeem waarbij de staat bijna volledige controle heeft op het dagelijks leven van mensen, zowel in politiek, cultureel, filosofisch, godsdienstig als in sociaal en economisch opzicht. Eén en ander moet worden onderscheiden van autoritarisme. Autoritaire stelsels zijn stelsels waarbij de overheid geen politieke en culturele vrijheid toelaat, en er geen vrije verkiezingen zijn. Maar in zo'n autoritaire staat kan het zijn dat andere terreinen van maatschappelijk leven niet worden gereguleerd door de overheid.

Totalitarisme wordt ook gezien als het tegenovergestelde van de democratie, al bestaat er volgens sommige politicologen ook zoiets als een totalitaire democratie, waarbij een democratisch verkozen overheid alles tot in de details wil gaan reguleren, bijvoorbeeld wat de kinderen op school moeten leren (te stringente en allesbepalende onderwijsnormen of eindtermen).[bron?] Deze kritiek op de democratie zou ook ooit geformuleerd zijn door Mussolini.[bron?]

De standaardvoorbeelden van totalitaire regimes zijn het nationaalsocialisme in Duitsland onder Hitler (1933-1945) en de Sovjet-Unie onder Stalin (1928-1953). Kenmerken van het totalitaire nationaalsocialisme in Duitsland waren: censuur (controle op kranten, kunst et cetera.), het verbod op andere politieke partijen, de vervanging van oude schoolboeken door werk waarin Duitsland in een goed daglicht werd gezet, voornamelijk op het gebied van de geschiedenis en de controle door de Gestapo, de geheime politie.

Begripsgeschiedenis[bewerken]

Het begrip totalitarisme gaat terug op de Italiaanse denker Giovanni Gentile, die pleitte voor een stato totalitario, een staat die in alle geledingen van het maatschappelijk leven zou ingrijpen. Mussolini nam dit pleidooi van hem over en maakte het tot doel van zijn fascisme, maar zou nooit een werkelijk totalitaire staat vestigen: in de praktijk berustte de machtsuitoefening in fascistisch Italië op strijd en compromissen tussen staat, kerk, leger, monarchie en de Fascistische Partij.[1]

Tijdens en vooral na de Tweede Wereldoorlog kreeg "totalitarisme" zijn nieuwe betekenis: het diende vanaf dat moment vooral om overeenkomsten tussen nazi-Duitsland en het stalinisme mee aan te wijzen. De eersten die deze overeenkomst opmerkten waren Leon Trotski, die in 1937 een "dodelijke gelijkheid" tussen beide beschreef (maar nog niet repte van totalitarisme), en Rudolf Hilferding, die er kort voor zijn dood een artikel aan wijdde (en daarin wel sprak van het 'totalitaire' nazibewind).[2]

Met haar boek uit 1951, The Origins of Totalitarianism, gaf Hannah Arendt het woord zijn hedendaagse betekenis. De voornaamste theorie van het totalitarisme werd echter die van C. J. Friedrich en Z. Brzezinski, die vanaf 1953 zes criteria van totalitaire stelsels aanwezen:[3]

  • de aanwezigheid van één staatsideologie, waarin het gehele volk dient te geloven;
  • een eenpartijstaat, vooral indien geleid door één persoon;
  • een geheime politie met verregaande bevoegdheden;
  • een staatsmonopolie op de communicatiemiddelen;
  • een geweldsmonopolie in handen van de staat;
  • staatscontrole over de economie.

De theorie van Friedrich en Brzezínski, opgesteld op het hoogtepunt van de Koude Oorlog, was tegelijk een wetenschappelijk project en een poging om antifascistische sentimenten om te vormen tot anticommunisme. In navolging van Friedrich en Brzezínski formuleerden de neoliberalen Hayek en Friedman het idee dat bureaucratisering en toenemende macht van de overheid de weg naar een totalitaire staat vormden. De westerse verzorgingsstaten zouden op deze weg zijn geweest.

Diverse historici van de naziperiode in Duitsland en de stalinistische Sovjet-Unie hebben hun twijfels geuit bij de bruikbaarheid van het begrip totalitarisme, omdat het in beide gevallen te sterk de indruk zou wekken van de staat als effectieve, geoliede terreurmachine. Volgens bijv. Hans Mommsen blijkt nazi-Duitsland bij nadere beschouwing veel minder georganiseerd dan het gebruikelijke beeld wil en ontstond de terreur juist door het gebrek aan organisatie. Ook Ian Kershaw heeft zich kritisch uitgelaten over het concept totalitarisme en de toepassing ervan op nazi-Duitsland, hoewel hij hier minder ver in gaat dan Mommsen.[4] Soortgelijke analyses zijn gemaakt van de Sovjet-Unie.

Een andere theorie van het totalitarisme gaat terug op Leonard Shapiro en werd in Nederland verdedigd door Bart Tromp. In hun visie is niet bureaucratie het wezenskenmerk van Hitler-Duitsland en het stalinisme, maar juist anarchie: wetten, regels en instituties lijken voort te bestaan, maar in werkelijkheid regeert een grote leider naar willekeur. Men dient dan ook niet te spreken van een totalitaire staat, maar van een totalitair bewind, gestoeld op een combinatie van staat, partij en leider, met vijf belangrijke kenmerken:[5]

Hedendaags totalitarisme[bewerken]

Doordat het woord een zeer negatieve bijklank heeft, moet men voorzichtig zijn om een regime of een ideologie totalitair te noemen.

  • Noord-Korea is een totalitaire staat.[bron?] Er wordt vastgehouden aan een Juche systeem onder de "Briljante Kameraad" en "de Geweldige Leider", Kim Jong-un, die bijna de status van allesbepalende godheid heeft.
  • Myanmar[bron?] was van 1962 tot 2011 een militaire dictatuur. Op 9 november 2015 werden de verkiezingen gewonnen door oppositiepartij NLD (Nationale Liga voor Democratie) en in maart 2016 koos het parlement Htin Kyaw als president.
  • Hoewel Iran tamelijk vrije verkiezingen kent, is het met name op ethisch-religieus gebied nog op zekere hoogte totalitair,[bron?] met name door de macht van de Raad der Hoeders. De mogelijkheden voor politieke meningsverschillen zijn beperkt en er wordt streng opgetreden tegen demonstranten en politieke tegenstanders.

Van andere eenpartijstaten als Cuba, de Volksrepubliek China en Vietnam kan men wellicht zeggen dat ze eerder dictatoriaal dan totalitair zijn.

Bronnen[bewerken]

  • Bart Tromp, De wetenschap der politiek: verkenningen, DSWO Press, 1993.

Noten[bewerken]

  1. Tromp (1993, p. 316): "Mussolini's totalitaire staat was in feite noch totalitair, noch een staat: het was de chaos en de verwarring die één man veroorzaakte met behulp van de massale aanhang die hij door terreur en demagogie op de been had gebracht."
  2. Tromp (1993), p. 317.
  3. Tromp (1993), p. 318.
  4. In Duitsland draait deze discussie ten dele om de vraag, of het naziregime meer overeenkomsten vertoonde met het fascisme of met de Sovjet-Unie onder Stalin. Zie ook Historikerstreit, Sonderweg.
  5. Tromp (1993), pp. 323-328.