Tractuur

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Tractuur

Onder de tractuur van een orgel wordt de overbrenging verstaan, die de mechanische acties van de bespeler aan de speeltafel of klaviatuur doorgeeft naar de onderdelen in het orgel, die de acties moeten uitvoeren. De mechanische acties van de organist kunnen zijn:

  • Het indrukken van een toets van een manuaal of het pedaal
  • Het trekken, schuiven of anderszins bedienen van een register
  • Het bedienen van speelhulpen, zoals koppels, zwelwerken en dergelijke

Toets- en registertractuur[bewerken | brontekst bewerken]

De term tractuur wordt vooral gebruikt voor nadere duiding van de toetstractuur en de registertractuur.

  • De inrichting die de beweging van de toetsen naar de ventielen brengt, is de toetstractuur.
  • De inrichting die de registers in- en uitschakelt, dus die de positie van de registerknop overbrengt naar de sleep, is de registertractuur. Bij een sleeplade betekent dit het verschuiven van de sleep.

Samen noemt men beide tracturen ook wel het Regeerwerk.

Tractuurtypes[bewerken | brontekst bewerken]

Er zijn vier tractuurtypes:

  • Mechanisch, met trekstangen ("abstracten"). De speeltafel is dan als een geheel met de positieven gebouwd.
  • Pneumatisch, met orgelwind. Werkt trager dan mechanisch.
  • Elektrisch, maakt een grote afstand tussen speeltafel en orgel mogelijk, en waarbij een flinke bundel kabels nodig is tussen orgel en speeltafel. Maakt lichte toetsaanslag en snelle aanspreektijd mogelijk.
  • Elektronisch, maakt eveneens een grote afstand tussen speeltafel en orgel mogelijk, maar heeft slechts een dun kabeltje tussen de speeltafel en het orgel nodig door de zowel in de speeltafel als in het orgel verwerkte elektronica. Maakt lichte toetsaanslag en snelle aanspreektijd mogelijk.

Klokkenspel[bewerken | brontekst bewerken]

Bij een klokkenspel, ook wel beiaard of carillon genoemd, maakt men gebruik van tracturen om de toetsen en pedalen te verbinden met de klepels van de klokken.