Tramlijn Groenlo - Lievelde

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Tramlijn Groenlo - Lievelde
Tramlijn Groenlo - Lievelde op de kaart
Totale lengte 4 km
Spoorwijdte normaalspoor, na 1915 smalspoor 750 mm
Aangelegd door Stoomtramweg-Maatschappij Lichtenvoorde-Groenlo
Geopend 1883
Gesloten 1922
Geëlektrificeerd nee
Aantal sporen 1
Traject
BSicon .svguexKBHFa Groenlo
STRrguxmKRZ spoorlijn van Winterswijk
BHFuexHST Lievelde, Station Lichtenvoorde-Groenlo
STRrfuexSTR spoorlijn naar Zutphen
BSicon .svguexSTR tramlijn naar Zeddam

De tramlijn Groenlo - Lievelde liep van 1883 tot 1922 van de stad Groenlo naar het spoorstation Lichtenvoorde-Groenlo in Lievelde. Het station Lichtenvoorde-Groenlo was bij de aanleg van de spoorlijn Zutphen - Winterswijk door de Nederlandsch-Westfaalsche Spoorweg-Maatschappij bij het dorp Lievelde tussen de beide kernen Lichtenvoorde en Groenlo in geplaatst. Beide plaatsen grepen dus naast een eigen treinstation bij de eigen kern. Met de tram van de Stoomtramweg-Maatschappij Lichtenvoorde-Groenlo kreeg Groenlo een verbinding met het spoorwegstation in Lievelde.

De tram werd eerst geëxploiteerd door de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM). Onder andere door de concurrentie van de eveneens door de HIJSM geëxploiteerde spoorlijn Winterswijk - Neede met een station in Groenlo bleek de tramlijn onrendabel en werd de dienst per 1 januari 1911 gestaakt. De tram werd vervangen door een paarden-omnibusdienst. Verscheidene jaren bleef de tramlijn ongebruikt liggen. In 1913 werd er een overeenkomst gesloten met de Geldersch-Overijsselsche Stoomtramweg Maatschappij (G.O.S.M.), waarbij de lijn zou worden overgedragen, om deze vervolgens te exploiteren samen met de ontworpen tramlijn Borculo - Groenlo - Winterswijk. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwam van al deze plannen niets terecht.

De gemeente Groenlo wilde de verbinding graag behouden en richtte op 6 augustus 1915 de NV Groenlose Tram (GT) op. Van 1915 tot 1922 reed hier het kleinste trambedrijf van de Achterhoek. Het bestond uit slechts drie personeelsleden: een bestuurder (tevens conducteur), een werkmeester en een wegwerker. Uit oude paardentramrijtuigen waren twee nogal merkwaardige tramstellen samengesteld van elk drie wagens, waarvan de middelste was gemotoriseerd. De bestuurder zat in de middelste bak. Doordat de bediening in het middenrijtuig plaats vond werd het uitzicht op de baan ernstig belemmerd en had men alleen wat zicht wanneer het hoofd uit het raam werd gestoken. Omdat het Rijkstoezicht het uitzicht op de baan als onvoldoende beschouwde moest het worden verbouwd: aan weerszijden van het middelste motorrijtuig kwam een uitbouw welke 40 cm aan weerszijden buiten de wagenbak uitstak. Op deze wijze kreeg de bestuurder wat meer zicht langs de baan. Men kreeg toestemming om ze in gebruik te nemen, als er niet sneller dan 12 km/h mee werd gereden. In 1916 ging men over op een losse motorwagen. In 1922 werd de tram vervangen door een busdienst.

Zie ook[bewerken]