Trammuseum Rotterdam

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Motorwagen 504 bij Diergaarde Blijdorp
Oud RET-tramhaltebord

Het Trammuseum Rotterdam bevindt zich in de voormalige remise Hillegersberg van de Rotterdamse Electrische Tram (RET) aan de Kootsekade in de Zuid-Hollandse stad Rotterdam Hillegersberg.

Het museum geeft een representatief beeld van de tramtypes die in Rotterdam gereden hebben. Ook is er een werkplaats gevestigd waar museumtrams worden gerestaureerd en onderhouden. In het museum wordt op verzoek door vrijwilligers een rondleiding gegeven. Ook kan men een ritje met een oude tram maken. Het complex is bereikbaar met tramlijn 4 & 8.

Van Delfshaven naar Hillegersberg[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf 1968 stonden er Rotterdamse museumtrams in de tramremise uit 1904 aan de Nieuwe Binnenweg te Delfshaven. Nadat de RET in de jaren tachtig de remise Delfshaven sloot werd een groot deel van het gebouw door de gemeente Rotterdam gesloopt. Een klein deel bleef echter bewaard en in 1986 opende de Tramweg-Stichting hier een eigen Rotterdams trammuseum.

De gemeente Rotterdam wilde uiteindelijk toch het restant van de remise ontruimen (daar zit nu een winkel), daarom was in 2010 een verhuizing noodzakelijk naar de vrijgekomen remise Hillegersberg. De heropening vond plaats in april 2011. De in het museum aanwezige trams zijn van verschillende eigenaren waaronder de Tramweg-Stichting en de Stichting RoMeO. Er zijn een 25-tal museumtrams aanwezig, waarvan de meeste in gerestaureerde en rijvaardige staat. In het museum is een verkooppunt gevestigd waar diverse tram-gerelateerde items te koop zijn, de Delmez-motorwagen 210 is het verkooppunt wanneer het museum naar buiten gaat.

Na een grote opknapbeurt van de remise Hillegersberg is het museum op 5 april 2014 heropend. Het is nu voor publiek geopend op elke eerste zaterdag van de maand, tussen 11.00 uur en 17.00 uur. In september is het museum niet op de eerste zaterdag, maar op de tweede zaterdag geopend vanwege Open Monumentendag.

Behalve trams is er meer te zien: een verzameling van historische foto’s, kaartjes, petten, kniptangen, borden, oorkondes, geldwisselaars en al het andere dat met trams en openbaar vervoer van vroeger te maken heeft. In de museumwinkel zijn ansichtkaarten, boeken, pennen en nog veel meer te koop.

Lijst van rollend materieel[bewerken | brontekst bewerken]

Er zijn totaal circa 50 historische Rotterdamse trams, variërend in bouwjaar tussen 1905 en 1986. Een deel hiervan heeft de status van museumtram, andere hebben een functie voor gezelschapsvervoer, instructiewagen of werkwagen.

Zie Rotterdamse museumtrams voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Beschrijving van het trammaterieel in het museum[bewerken | brontekst bewerken]

Motorwagens[bewerken | brontekst bewerken]

Tweeassers[bewerken | brontekst bewerken]

  • Motorwagens 1 en 11 zijn uit de serie 1-20 uit 1905; dit waren de eerste Rotterdamse elektrische trams. De bestuurder deed zijn werk in de open lucht maar had wel grote zonne-/regenschermen. In 1908 werden deze trams van gesloten balkons voorzien. De meeste wagens zijn in 1931 gesloopt maar de 1 en 11 werden al in de jaren dertig voor museumdoeleinden apart gehouden en zijn daarmee de eerste museumtrams van Nederland.
  • Uit de grote motorwagenseries 21-151 zijn de wagens 86 en 119 bewaard gebleven. Net als in Den Haag (Fordjes 21-150) en Amsterdam (Union-wagens) bestelde de RETM voor de elektrificatie van het paardentramnet meer dan 100 nieuwe wagens ineens. De series zijn door diverse fabrikanten geleverd tussen 1906 en 1908. Tussen 1931 en 1935 zijn de wagens buiten dienst gegaan, op de serie 127-151 na. Deze wagens werden in 1932 verbouwd en kregen onder andere filmkasten en een nieuw onderstel met sterkere motoren. Vanzelfsprekend kregen ze ook de RET-kleuren: okergeel en zwart. Aan het eind van de jaren dertig zijn vrijwel al deze trams tot bijwagen verbouwd. De motorwagens 86 en 119 zijn al in 1938 opgenomen in het museumbestand en zijn nog rijvaardig. De 86 is in de oorspronkelijke donkerblauwe kleur, de 119 in de latere crème uitvoering.
  • De serie 'Parkwagens' 152-201 uit 1913/1921 wordt vertegenwoordigd door museumtram 192. In plaats van het donkerblauw waren deze trams bij aflevering direct crème gelakt. De bijnaam kregen de trams omdat zij als eerste werden ingezet op lijn 1, die naar het Park reed. Na de overname door de RET zijn de wagens rond 1931 gemoderniseerd. Er werden een schaarbeugel, filmkasten en sterkere motoren ingebouwd maar het interieur bleef ongewijzigd. In 1946 zijn veertien rijtuigen verkocht aan de HTM in Den Haag, waar ze de bijnaam 'Rotterdammertjes' kregen en onder het personeel niet geliefd waren. Ze zouden te traag remmen. Na de buitendienststelling is rijtuig 192 verbouwd tot zandtransportwagen 2403. Vanaf 1980 is dit rijtuig door de Tramweg-Stichting (TS) gerestaureerd in de oorspronkelijke uitvoering.
  • Van de 'Delmez'-motorwagens serie 202-221 zijn de wagens 210 en 220 bewaard gebleven. De trams van dit type zijn in 1924 door de Allanfabriek aan de RETM geleverd. De bijnaam dankten zij aan het feit dat hun onderstellen van het Belgische type Delmez waren; dit zijn eenassige draaistellen die zich enigszins op bogen konden instellen. Rond 1931 zijn deze trams gemoderniseerd waarbij een geheel nieuw vast onderstel geplaatst werd. Filmkasten, een schaarbeugel, nieuwe schakelkasten met een schakelrad en het optisch signaal werden ook ingebouwd. Alleen het interieur met de houten banken bleef ongewijzigd. De 210 is door de Tramweg-Stichting helemaal terugverbouwd in de uitvoering van 1924 en nummer 220 in de situatie van rond 1935.
Zie Rotterdamse tweeasser voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Vierassers[bewerken | brontekst bewerken]

De grote serie vierassige motorwagens 401-570 wordt vertegenwoordigd door vele bewaard gebleven exemplaren. Deze trams zijn in twee series in 1929 en 1931 in dienst gesteld en waren voor die tijd zeer modern. Vooral het feit dat het een fors vierassig type was met een voor die tijd lage instap en een groot middenbalkon, maakte de serie als stadstram in Nederland uniek. De wagens hebben jarenlang het straatbeeld en het gezicht van de RET bepaald. In de crisisjaren waren de trams uit deze serie, met hun grote reizigerscapaciteit, bijna voldoende voor de gehele dienstuitvoering en reden ze op alle lijnen, soms met bijwagens. De trams hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog het enorme passagiersaanbod, ondanks slecht onderhoud, zonder problemen verwerkt. In de winter 1944/'45 zijn een aantal wagens naar Duitsland afgevoerd. Na de bevrijding zijn de wagens na revisie tot in de jaren zestig gebruikt. De wagens met zwakkere motoren reden zonder bijwagen; de overige vaak met bijwagen op de drukke lijnen 2 en 3 naar Rotterdam-Zuid, of de lange lijn 10, of bij voetbalwedstrijden. De laatste wagens reden tot 1969 in de lijndienst.

Als oudste exemplaar van deze grote serie kreeg motorrijtuig 408 de A-status in het Nationaal Register Mobiel Erfgoed. Dit motorrijtuig wacht nog op restauratie. Het vertoefde jarenlang in Engeland en was eigendom van dhr. J.L. Bowes. Hij wilde met de wagen op een terrein bij zijn kantoor, niet ver van Tower Bridge in Londen, een privé-tramlijntje over 60 meter spoor aanleggen. Van het plan kwam niet meer terecht dan de verscheping van de tram naar Engeland. In het museum zijn naast de 408 onder andere de wagens 303, 491, 504, 515, 522, 523, 537, 556 en 565 te bewonderen. Bij de Electrische Museumtramlijn Amsterdam bevindt zich de 507. Bij de Tramlijn Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem bevinden zich de 520, 535 en 536. (Tevens zijn hier bijwagen 1050 en gelede wagen 631.)

Zie Rotterdamse vierasser voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Allanwagens[bewerken | brontekst bewerken]

De naoorlogse periode wordt gerepresenteerd met een gerestaureerd exemplaar uit de in jaren 1950/'51 gebouwde serie 102-135, de 123. Ze waren een eenheid met de bijwagens uit de serie 1021-1056 uit 1948/'49 en reden door hun grote capaciteit vooral op drukke lijnen. Hun bijnaam was 'Allan-treinen' naar de naam van de fabrikant. Het grote motorvermogen maakte de trams snel en comfortabel en als eerste Rotterdamse trams waren ze voorzien van tl-verlichting en verwarming. Het ontwerp met middelbalkon is echter een kopie van de vooroorlogse vierassers. In de jaren zestig, met sterk stijgende personeelskosten, een 'trein' moest worden bediend door 1 bestuurder en 2 conducteurs, was dit niet modern meer. De laatste vijf Allan-treinen werden in 1983 buiten dienst gesteld. Bewaard gebleven zijn de motorwagens 109, 115, 123 en 130.

Zie Rotterdamse Allanstellen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Schindlers[bewerken | brontekst bewerken]

De RET had twee series motorwagens uit 1956/'57, die (naar de fabrikant) de bijnaam 'Schindlers' kregen: vierassige trams in de serie 1-15 en zesassige enkelgelede wagens uit een serie 231-244; de eerste gelede trams van Rotterdam. Met de aanschaf van deze series heeft de RET voor het eerst een order in het buitenland (Zwitserland) geplaatst, wat politiek veel discussie heeft opgeleverd, omdat de Nederlandse rijtuigfabrieken niet bij de bouw betrokken werden. De Schindlers hadden een lichtgewicht bouwwijze en waren kwetsbaar. Bij aanrijdingen ontstond vaak grote schade. De rijeigenschappen waren niet optimaal, bij hogere snelheden slingerden de wagens. Uniek was de hellende wagenvloer waardoor bij de achterdeur een lage instap ontstond. De eerste jaren reden de 'enkeltjes' (1-15) op lijn 22, de gelede op lijn 3. Er moest achter worden ingestapt waar zich een ruim balkon bevond met een zittende conducteur. De trams zijn in de loop van de jaren aangepast voor eenmanbediening. In 1982-1985 is de serie buiten dienst gesteld. Van beide series bleef één exemplaar bewaard. Het museum heeft de motorwagens 15 en 242. Motorwagen 15 heeft inmiddels een opknapbeurt ondergaan en wordt nu geëxposeerd. De 242 wordt nog gerestaureerd.

Zie Rotterdamse Schindlers voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Düwags[bewerken | brontekst bewerken]

In de jaren zestig plaatste de RET een bouwopdracht voor een in (West-)Duitsland veelvuldig beproefd en succesvol tramtype: de Düwag-standaardtram. In 1964/'65 is de eerste serie enkel- en dubbelgelede trams aan de RET geleverd en in 1969 volgde nog een serie door Werkspoor gebouwde enkelgelede trams. De 251-274 en 351-386 hadden bij hun indienststelling nog een vaste conducteursplaats, de 601-635 waren direct geschikt voor eenmanbediening, de overige zijn later aangepast. De 251-274 werden, na de opening van de metro, ingezet op de nieuwe lijnen 2 en 12 in Rotterdam-Zuid, van 1972 tot 1983 aangevuld met Allantreinen, de 351-386 reden op de lijnen 1, 6 en 8. De serie 601-635 op de in 1969 naar Schiebroek verlengde lijn 5. Omdat de delen van de trams en de draaistellen eenvoudig onderling uitwisselbaar waren, ontstonden nogal eens 'nieuwe' trams. De enkelgelede serie 251-274 kreeg in 1975 een extra middenbak met in-/uitstapdeur en werd vernummerd in 301-324. Een deel van de serie 601-635 is in de jaren tachtig verlengd met deze middenbakken en werd vernummerd in 1601-1635; de 301-324 werden toen 1301-1324. Na buitendienststelling van de oudste series in de jaren 1984-1988 zijn de elektrische installaties en draaistellen opnieuw gebruikt om een nieuwe serie ZGT-trams te bouwen (serie 801-850). Veel van de 1600-en zijn een tweede leven in Roemenië begonnen. In het museum zijn de 385, 608 en 1624 opgenomen.

Zie Rotterdamse Düwag-trams voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

ZGT's[bewerken | brontekst bewerken]

In de jaren 1982-1985 werden vijftig enkelgelede trams van het type Zwevend Geleed Tramrijtuig geleverd door Duewag (nu: Siemens). Zij vervingen een groot deel van de in de jaren vijftig en zestig gebouwde trams. De eerste serie, 701-750, had draaistroommotoren. Tussen 1984 en 1988 werden er nog vijfig ZGT's gebouwd (de serie 801-850), maar hier werd gebruikgemaakt van draaistellen en elektrische installaties van de Rotterdamse Düwag-trams. Deze honderd trams vormden in de jaren tachtig en negentig de kern van het wagenpark. Aanvankelijk waren zij geel/bruin, maar bij modernisering in het kader van TramPlus werd een aantal groen/wit geschilderd. Later werden de trams in de nieuwe zilvergrijze kleur geschilderd. Ook waren er veel in reclame-uitmonstering te zien. Met de komst van de nieuwe Citadis-trams werden de ZGT's overbodig en zijn tussen 2004 en 2014 buiten dienst gesteld. Een deel van de serie 800 kreeg een tweede leven in Roemenië, de rest werd afgevoerd. Van dit tramtype maken de 717, 741, 749, 819, 834 en 840 in verschillende uitvoeringen nu deel uit van de collectie van Stichting RoMeO.

Zie Zwevend Geleed Tramrijtuig voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Bijwagens[bewerken | brontekst bewerken]

Bijwagens serie 261-290 (RET 1261-1290)[bewerken | brontekst bewerken]

Van deze open bijwagens uit 1907 zijn er in 1930/'31 twaalf stuks gemoderniseerd. Dit betrof het aanbrengen van nieuwe kleuren en een looppad midden in de wagen, zodat de conducteur zich niet meer via de treeplank hoefde te verplaatsen. De wagens reden in de RET-tijd op zomerse dagen op lijn 1 en later op lijn 14. Na 1937 zijn ze niet meer ingezet. In 1942 zijn tien rijtuigen verplicht verkocht aan het Duitse Bremen. Museumwagen (1)284 is in 1938 weer in de oude crème kleur geschilderd, maar verder niet terug verbouwd naar de oorspronkelijke uitvoering.

Bijwagens serie 351-360 (RET 1351-1360)[bewerken | brontekst bewerken]

Van deze serie bijwagens werden de 351 en 352 als proefwagens in 1911 aan de RETM geleverd. Dit voor Nederland unieke type was een zogenaamde semi-convertible, hetgeen inhoudt dat deze wagens voor alle jaargetijden te gebruiken waren. De drie grote zijruiten konden van de bovenzijde half naar binnen worden geklapt. In 1912 werden nog acht gelijke wagens geleverd. In de jaren dertig zijn de wagens gemoderniseerd. De serie is afgevoerd in de jaren 1949 tot 1960. De 1355 is behouden als museumwagen, door de Tramweg-Stichting gerestaureerd, en nu in de RET-uitvoering te bewonderen.

Bijwagens serie 361-406 (RET 1361-1406)[bewerken | brontekst bewerken]

In 1915, 1917/’18 en 1921 werd deze serie in drie subseries aan de RETM geleverd. Zij geleken op de voorgaande serie 351-360, doch hadden vier zijramem i.p.v. drie. In de jaren dertig werden zij door de RET gemoderniseerd en deden nog dienst tot het einde van de jaren vijftig. Er bleven geen wagens als museummaterieel bewaard. Uit teruggevonden wagenbakken die als tuinhuisje waren gebruikt is de Tramweg-Stichting nu bezig bijwagen 387 te restaureren, hij wordt teruggebracht in de afleveringstoestand van 1921. Hierbij is gebruikgemaakt van de bak van motorwagen 178 en voorts diverse onderdelen van de bijwagens 1364 en 1387.

Bijwagens serie 1001-1020[bewerken | brontekst bewerken]

Deze serie is twee maal geleverd, de eerste serie uit 1929, was voorbestemd om tot motorwagen te worden verbouwd en dit is in 1931 uitgevoerd. Zij werden de motorwagens 451-470. De tweede serie is in 1931 geleverd en heeft dienstgedaan tot 1965. De wagens zijn veel ingezet op de lijnen 2 en 3 en sporadisch op de lijnen 4 en 10. Deze serie heeft altijd dienstgedaan achter de motorwagens 471-570. Met een tramstel konden circa 125 passagiers vervoerd worden. Museumwagen 1008 is terugverbouwd uit een motorwagen naar de toestand zoals de eerste serie in 1929 is afgeleverd.

Bijwagens serie 1021-1056[bewerken | brontekst bewerken]

Deze eerste naoorlogse trams zijn geleverd in de jaren 1948/'50. Bij de bouw is veel aluminium gebruikt, waardoor de wagens een lager gewicht hebben. Het ontwerp is gebaseerd op de vooroorlogse vierassers. De eerste wagens zijn in 1972 gesloopt, de laatste in 1983. Er zijn drie rijtuigen bewaard voor museumdoeleinden, in Rotterdam bevinden zich de 1040 en 1042; de 1050 is bij de Tramlijn Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem.

Werkwagens[bewerken | brontekst bewerken]

De slijpmotorwagen 2302 werd door de RET in 1933 gebouwd. Er werd gebruikgemaakt van onderdelen uit het magazijn en het onderstel van een tram uit de serie 71-90, die rond die tijd buiten dienst werd gesteld. Er bestond ook een zusterwagen, de 2301. De trams hadden een donkergroene kleur en de cijfers waren rood. Van eind jaren veertig tot begin jaren vijftig waren er reclamebeschilderingen aangebracht. Bij een revisie in 1956 veranderde de kleur in een lichtere groene versie en werden de cijfers grijs van kleur en van een groter type. Bij de 2301 werden er in de loop der jaren diverse verbouwingen en aanpassingen uitgevoerd. De 2302 bleef in de oorspronkelijke staat. In april 1982 werd de 2302 overgedragen aan de Tramweg-Stichting, Werkgroep Rotterdam, en ondergebracht in de remise Delfshaven. De 2301 vertrok in 1984 naar Den Haag, ging daar als H 311 door het leven, en werd onderdelenleverancier van te restaureren NZH-trams. In mei 1989 werd deze tram gesloopt. Motorwagen 2302 is in het trammuseum Rotterdam te bewonderen.

Voorts beschikt het trammuseum nog over twee zoutwagens. Dit zijn bijwagens, die met zout gevuld, vroeger gebruikt werden bij de sneeuwbestrijding. De 545 en 2025 zijn als museumwagens in de collectie opgenomen.

Metrotreinstellen[bewerken | brontekst bewerken]

Naast het trammaterieel zijn er ook twee metrotreinstellen als museummaterieel ondergebracht in de Remise Hillegersberg. Dit betreft de metrorijtuigen 5024 (uit 1968) en 5217 (uit 1982).

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]

Afbeeldingen[bewerken | brontekst bewerken]

Museumtrams in de Remise Hillegersberg[bewerken | brontekst bewerken]

Museumtrams op straat in Rotterdam[bewerken | brontekst bewerken]

Zie de categorie Trammuseum Rotterdam van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.