Truus Wijsmuller-Meijer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Truus Wijsmuller-Meijer
Truus Wijsmuller-Meijer in 1965
Truus Wijsmuller-Meijer in 1965
Algemeen
Geboortedatum 21 april 1896
Sterfdatum 30 augustus 1978
Geboorteplaats Alkmaar
Plaats van overlijden Amsterdam
Portaal  Portaalicoon   Tweede Wereldoorlog

Geertruida (Truus) Wijsmuller-Meijer (Alkmaar, 21 april 1896Amsterdam, 30 augustus 1978) was een Nederlandse verzetsvrouw die voor en in de Tweede Wereldoorlog Joodse kinderen en volwassenen in veiligheid bracht. Ze ontving van Yad Vashem de onderscheiding Rechtvaardige onder de Volkeren. Samen met anderen die voor het vooroorlogse Kindertransport werkten, heeft ze de levens van meer dan 10.000 Joodse kinderen, op de vlucht voor antisemitisme, gered.

Jeugd[bewerken | brontekst bewerken]

Truus Meijer wordt geboren in Alkmaar aan de Mient nr. 14 als eerste kind in het gezin Meijer. Haar vader, Jacob Meijer, werkt in een drogisterij annex apotheek; haar moeder, Bertha Hendrika Boer, is zelfstandig modiste.

Truus komt uit een hervormd-liberaal gezin. Zij herinnert zich, dat haar ouders haar leerden, om altijd als het nodig is op te komen voor de mensen, die het meest verdrukt zijn. En daarom is zij naar eigen zeggen van huis uit gewend om op te komen voor mensen die het verdienen en nodig hebben.[1] Haar ouders voegen de daad bij het woord door bijvoorbeeld rond 1918 een Oostenrijkse jongen in huis op te nemen. Truus volgt in Alkmaar twee jaar de Handelsschool. De leraren beschrijven haar aanvankelijk als "een wanhopig geval", "ook al is zij ijverig".[2] Gaandeweg gaat het beter.

In 1913 verhuist het gezin naar Amsterdam. Het jaar daarop krijgt Truus haar eerste baan bij een bank. Later leert ze Johannes (Joop) Franciscus Wijsmuller (geboren in Amsterdam op 25 februari 1894), bankier bij de Javaasche Bank, kennen. Ze trouwen in 1922 en betrekken een verdieping van een huis aan de Nassaukade. Truus stopt met werken, zoals toen gebruikelijk was. Als het huwelijk kinderloos blijft, besluit ze sociaal werk te gaan doen.

Van haar man zal ze steeds ondersteuning en aanmoediging ondervinden. Ze kunnen altijd rekenen op hun inwonende huishoudelijke hulp Cietje Hackmann. Zij voert het huishouden, doet de administratie van Truus, en zorgt mede voor Joodse kinderen die vóór mei 1940 bij de Wijsmullers' logeren.

Truus Wijsmuller-Meijer, datum onbekend
Foto Truus Wijsmuller, Stadsarchief Amsterdam, datum en maker onbekend

Sociaal en politiek werk[bewerken | brontekst bewerken]

Truus wordt bestuurslid en coördinator voor instellingen op neutrale grondslag. Zo is ze coördinator bij de Vereniging van Huiszorg en beheerder van een bewaarplaats voor kinderen van werkende vrouwen. Het werk is onbezoldigd. Ze is bestuurslid/directielid van sanatorium "Beatrixoord" in het Oosterpark. Ze wordt lid van de Nederlandse Vereniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatsburgerschap. De latere verzetsvrouw Mies Boissevain-van Lennep is er voorzitter. Voor de Liberale Staatspartij staat Truus in 1935 als nummer 6 op de kandidatenlijst voor de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen.

Vanaf 1933, als Hitler in Duitsland aan de macht komt, reist Truus naar Duitsland om familieleden van Joodse kennissen op te halen naar dan het veilige Nederland. In 1938 richt ze in verband met de dreigende oorlogssituatie het Korps Vrouwelijke Vrijwilligers op, het secretariaat is bij haar thuis gevestigd. Truus bouwt een uitgebreid netwerk op en heeft contacten in alle lagen van de bevolking.

Enkele dagen na de Kristallnacht reist ze naar de Nederlands-Duitse grens om te zien wat zich daar afspeelt. Onder haar rokken neemt ze een jiddisch sprekende Poolse jongen mee naar Amsterdam. Haar eerste groep van 6 kinderen neemt ze na 17 november mee uit de overvolle wachtkamer van het Nederlandse consulaat in Hamburg. De douane wil de kinderen uit de trein zetten, maar Truus dreigt met het zestal naar prinses Juliana - die in de coupé naast haar blijkt te zitten - te stappen. Dat is afdoende.

December 1938: Een verzoek uit Engeland[bewerken | brontekst bewerken]

De Britse regering besluit in november 1938 om Joodse kinderen tot 17 jaar uit nazigebied op te nemen voor een tijdelijk verblijf. Verschillende organisaties in Engeland bundelen hun krachten in het "Refugees Children Movement" (RCM).[3]

Op 2 december wordt Truus uitgenodigd om langs te komen bij het pas opgerichte Nederlandse Kinder Comitee. Daar is Norman Bentwich uit Londen aanwezig, die haar vraagt naar Wenen te reizen om er een zekere Dr Eichner te ontmoeten. Ze dachten toen dat Eichmann zo heette. Eichmann is de nazi die dan verantwoordelijk is voor de gedwongen "emigratie" van Joodse Oostenrijkers. Misschien zal het Truus als niet-Joodse vrouw lukken om toestemming te krijgen voor het vertrek van Joodse kinderen naar Engeland. Zij vertrekt nog dezelfde dag.

Bezoek aan Eichmann[bewerken | brontekst bewerken]

Eichmann snauwt haar - een vrouw- eerst af, maar Truus treedt hem onverschrokken tegemoet. "Ongelofelijk, "so rein-arisch und dann so verrückt"[4] ("100% arisch en toch zo gek") concludeert hij. Eichmann denkt haar voor een onmogelijke opgave te stellen door toestemming te geven om op "shabbat"- de joodse rustdag - binnen vijf dagen met 600 kinderen af te reizen. Als eerste gaat Truus naar het station om treinen te reserveren. Het lukt de ouders, de Joodse organisaties en Truus om voor elkaar te krijgen, dat op zaterdag 10 december een trein uit Wenen vertrekt met 600 kinderen. Vijfhonderd kinderen reizen via Hoek van Holland naar Engeland, de andere 100 worden in een school in Den Haag opgevangen en zullen in Nederland blijven. In Engeland heeft Truus contact met onder anderen Lola Hahn-Warburg van de RCM[5], die verbaasd opmerkt: "ja, maar u bent toch alleen gestuurd om te praten?"[4]

In Nederland werkt Truus samen met sociaal werkster Gertrude van Tijn[1][6] van het "Comité voor Bijzondere Joodse Belangen" (behorend bij het "Comité voor Joodsche Vluchtelingen"), Mies Boissevain-van Lennep en vele anderen. In Wenen was Truus getuige van de mensonterende behandeling van Joodse inwoners. In Nederland echter wil niemand haar geloven.

December 1938-september 1939: Kindertransport[bewerken | brontekst bewerken]

Tussen december 1938 en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september 1939 organiseert Truus meerdere keren per week reizen met kinderen tot 17 jaar vanuit nazigebied; meestal naar Engeland, maar ook naar Nederland en later naar België en Frankrijk. Een treinreis van Wenen naar Hoek van Holland duurt zo'n 30 uur. Truus regelt, dat de controles van grenspolitie en douane zo mogelijk vóór de grens in de trein worden gedaan. En wel onder haar leiding, of van een van de andere Nederlandse vrijwilligsters. Dat voorkomt oponthoud.[7] Via Emmerik komen op dinsdag en woensdag de treinen uit het zuidoosten, via Bad Bentheim op donderdag de treinen uit het noordoosten. Bij elke reis gaan er zo'n 150 kinderen mee.

Eénmaal reist er een groep verzwakte kinderen en vrouwen van Sudeten-Duitsers mee. De kinderen mogen één koffer meenemen, 10 Duitse Marken en geen foto's of kostbaarheden. De ouders moeten buiten het station afscheid nemen. Meestal - maar dat wordt niet altijd toegestaan - reizen Joodse begeleidsters mee tot in Engeland, op voorwaarde dat deze allemaal terugkeren: anders is het afgelopen met de Kindertransporten.

In verschillende steden werken de speciaal opgerichte "Kindercomités", sociaal werkers en vrijwilligers samen om de kinderen in veiligheid te brengen. Het zijn vooral vrouwen die de uitvoering van reis en verblijf van de kinderen op zich nemen. Voor haar werk accepteert Truus nooit geld.

Zij draagt steeds in haar handtas een tandenborstel, een stuk zeep en een handdoek mee, daar ze elk ogenblik het verzoek kan krijgen op reis te gaan. In Nederland blijven zo'n 1800 kinderen uit het Derde Rijk.[8]

Truus is doordrongen van de urgentie van haar werk en geeft vaart en omvang aan het "Kindertransport", zoals de evacuatiereizen gaan heten. Ze onderhoudt contacten met alle bij de reizen betrokken partijen in meerdere landen, waaronder de hoofdcomités in o.a. Wenen, Hamburg, Frankfurt en Berlijn en vanaf maart 1939 in Praag en Dantzig[7] en ook de trein- en bootondernemingen. Ze neemt, wanneer ze meereist, de verantwoordelijkheid voor de reisdocumenten.

Op 24-08-1939 passeert ze voor de vijftigste keer de grens bij Bentheim. Op initiatief van een Gestapo-delegatie wordt dit "jubileum" gevierd, met blaaskapel en al. Truus ziet zich genoodzaakt hieraan mee te doen. Ook anderen, zoals de Britse zakenman Nicholas Winton, en de Berlijnse Recha Freier, organiseren reizen met kinderen uit nazigebied.

Truus herinnert zich dat de organisatie eigenlijk meteen voor elkaar was dankzij de Joodse comités in Wenen en Frankfurt en Hamburg en Breslau en Berlijn (en later Praag, Danztig en Riga[9]) die de transporten met grote zorgvuldigheid voorbereiden. In haar ogen een wonder van zelfbeheersing omdat zij bedenkt hoe bang de mensen geweest moeten zijn om hun kinderen de wereld in te sturen.[10]

Kinderen in het Burgerweeshuis[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf maart 1939 is Truus als bestuurder betrokken bij het Amsterdamse Burgerweeshuis (het huidige Amsterdam Museum), waar vanaf dan Duitse vluchtelingenkinderen worden ondergebracht. De kinderen noemen haar 'tante Truus'. Zowel zij als haar man tonen zich nauw betrokken bij de kinderen. Ze komen in groepjes bij hen thuis logeren en Joop Wijsmuller neemt de kinderen mee op uitjes, bijvoorbeeld naar dierentuin Artis.

Staande vrouw links, die naar de kinderen van het Burgerweeshuis kijkt, is Truus Wijsmuller

Juni-juli 1939: Schepen de St. Louis en de Dora[bewerken | brontekst bewerken]

In juni 1939 wordt aan bijna 1000 Joodse vluchtelingen op het schip de St. Louis door de Verenigde Staten, Canada en Cuba de toegang geweigerd. Uiteindelijk worden ze toegelaten in een aantal Europese landen. Het schip mag binnenlopen in de haven van Antwerpen. Als lid van de Nederlandse delegatie gaat Truus aan boord. Na de onderhandelingen verwelkomt ze de 181 vluchtelingen die in Nederland zijn toegelaten.[11] In juli 1939 is zij betrokken bij het vertrek van kinderen met het vrachtschip de "Dora", dat met 450 vluchtelingen clandestien aan wal zal gaan in het Engelse mandaatgebied Palestina.

September-december 1939: Laatste reizen vanaf de Duitse grens[bewerken | brontekst bewerken]

De mobilisatie ontwricht het treinverkeer en de grens bij Bad Bentheim wordt in september 1939 gesloten. Als Truus op 31 augustus te horen krijgt dat er in Kleef een groep kinderen van de jeugdaliya is gestrand, regelt ze reisdocumenten, haalt de groep met bussen op en brengt ze naar de boot in Hoek van Holland. Op 1 september krijgt ze een telefoontje uit Duitsland, dat er op hetzelfde station 150 jongens van een ORT-school niet verder kunnen. De NS stellen een trein voor haar samen bestaande uit restauratiewagens. Op het station treft ze ook een groep van 300 orthodoxe mannen uit Galicië aan. Truus geeft de Duitsers te verstaan, dat ze niet moeten zeuren over de laatste groep: "dit zijn tenslotte toch ook jongens."[12] Het is de laatste grote groep die via Vlissingen naar Engeland vertrekt.

In november en december 1939 haalt Truus geregeld gevluchte Joden, uit o.a. Wenen, in Bentheim op, die papieren hebben voor Amerika. Ze vertrekken met de Holland Amerika Lijn uit Rotterdam.

September 1939-mei 1940: Reizen naar Engeland en Zuid-Frankrijk[bewerken | brontekst bewerken]

Van september 1939 tot mei 1940 begeleidt Truus groepen Joodse kinderen en volwassenen die in Nederland, België, Denemarken en Zweden gestrand zijn. Met hen gaat ze per vliegtuig naar Amsterdam en vandaar met het vliegtuig naar Engeland of per trein naar het onbezette Zuid-Frankrijk. Truus zorgt ook voor de zo moeilijk verkrijgbare reisdocumenten. Ze wordt beschreven als een geboren reisleidster, die de volwassenen kan geruststellen[13] en de kinderen tijdens de lange treinreis uitnodigt tot zingen en toneelspel.[14][15]

In november 1939 wordt Truus in Marseille gearresteerd en hardhandig verhoord: de Fransen denken met haar de gezochte Duitse spion "Erika" in handen te hebben. Maar er is geen bewijs en ze wordt vrijgelaten. Vanuit Marseille proberen groepen vluchtelingen Palestina te bereiken, destijds een Engels mandaatgebied.

Mei 1940: Kinderen Burgerweeshuis met de "Bodegraven" naar Engeland[bewerken | brontekst bewerken]

Truus is in Parijs om een kind weg te brengen als de Duitse troepen Nederland binnenvallen op 10 mei 1940. Zij wist wanneer de invasie zou plaatsvinden en heeft hiervoor ook gewaarschuwd in Den Haag. In drie dagen reist ze terug naar Amsterdam, waar ze bij aankomst onmiddellijk wordt ondervraagd, op verdenking van spionage, door politiefunctionarissen. Vervolgens gaat zij naar het Burgerweeshuis om met de vluchtelingenkinderen te praten.

De garnizoenscommandant van Amsterdam geeft haar een verzoek uit Londen door om de 74 kinderen uit het Burgerweeshuis in veiligheid te brengen. Zij weet hen aan boord van het vrachtschip de Bodegraven (schip, 1929) te brengen. Het is het laatste schip dat de haven van IJmuiden verlaat, slechts enkele minuten voor de overgave van de Nederlandse regering. Zelf besluit Truus in Nederland te blijven, omdat ze haar echtgenoot niet alleen wil laten.[14][16] Bovendien weet ze dat er meer werk te doen is.

Mei 1940-1943: Hulp voor Joodse kinderen tijdens bezetting[bewerken | brontekst bewerken]

Truus legt zich tijdens de bezetting van Nederland voornamelijk toe op gezinshereniging. Zij brengt kinderen wier ouders naar België of Frankrijk zijn gevlucht naar hun ouders en neemt op de terugweg kinderen mee wier ouders in Nederland verblijven. Soms brengt zij kinderen terug naar de ouders in Duitsland. Ze brengt kinderen van Joodse vrouwen vlak na de geboorte onder bij veilige gezinnen. In de maanden en jaren die volgen op het uitbreken van de oorlog houdt Truus nooit op overal heen te gaan waar werk verricht moet worden.

Na de capitulatie van Nederland reist ze naar Brussel en overlegt daar met het Belgische Rode Kruis en het Kindercomité. In Parijs heeft ze contact met het Franse Rode Kruis en met het OSE (Oeuvre Secours aux Enfants), een Joodse hulporganisatie voor kinderen. In Brussel legt zij contact met Benno M. Nijkerk (1906-1944 Neuengamme),[17] een Nederlandse zakenman, die firmant is van een groothandel in metalen in Amsterdam met een filiaal in Brussel. Hij is penningmeester van het "Comité de Defense des Juifs" [18]en later medewerker van Dutch-Paris, een ondergronds netwerk van het Nederlandse, Belgische en Franse verzet. Met Nijkerk spreekt Truus af zoveel mogelijk kinderen naar het zuiden te brengen, met én zonder papieren. Ook laat Nijkerk in Brussel identiteitspapieren vervalsen en Truus zal ze naar Nederland smokkelen. Dit werk gaat door tot zeker 1943. In juni 1943 reist zij voor het laatst met Joodse kinderen op weg naar de Spaanse grens.[19]

Contacten met nazi's[bewerken | brontekst bewerken]

Ook bij de nazi's, van hoog tot laag, heeft Truuscontacten. Ze maakt er gebruik van wanneer ze iets gedaan wil krijgen. Zo krijgt ze van een Gestapo-medewerker, die vindt dat kinderen bij hun ouders horen, reisdocumenten voor Joodse kinderen om het land te verlaten. Eerder had zij zijn uitnodiging geaccepteerd om met hem iets op een Amsterdams terras te drinken, nadat hij haar luidkeels herkende op straat. Daarvoor werkte hij als grensbeambte tijdens de Kindertransporten. Na de oorlog heeft Truus Duitse officieren geprezen, die haar hielpen in benarde situaties tijdens haar reizen.

In mei 1941 roept de SS'er Rajakowitsch haar naar Den Haag. Ze moet opschrijven wat ze doet en ophouden met haar hulp: anders gaat ze eraan. Truus houdt zich van den domme en doet, alsof ze niet begrijpt hoe ernstig de situatie is. Ze staat bij de Duitsers bekend als "die verrückte Frau Wijsmuller":[20] omdat ze Joden helpt, voor niets.

Tot maart 1941: Werk namens Amsterdamse Rode Kruis in Frankrijk[bewerken | brontekst bewerken]

Truus reist met voedsel en medicijnen naar Gurs en St. Cyprien, interneringskampen in Frankrijk, voor het Amsterdamse Rode Kruis, ook omdat dit werk haar de mogelijkheid geeft kinderen weg te brengen. De financiering van voedsel en medicijnen wordt gedeeltelijk door Truus georganiseerd. Via het Belgische Rode Kruis in Brussel en het Amsterdamse Rode Kruis verkrijgt zij de vereiste Duitse reis- en passage vergunningen. De reizen eindigen als het Nederlandse Rode Kruis haar dit werk in maart 1941 onmogelijk maakt, nadat Truus haar kritiek kenbaar heeft gemaakt op hun Parijse vertegenwoordiger.[21]

Eind 1941 tot juni 1942: Spanje-reizen[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf eind 1941 tot juni 1942 is zij betrokken bij het reisbureau Hoyman & Schuurman's als liaison tussen Joden die emigreren, de SS en het reisbureau. Op verzoek van de Duitse SS reist ze mee met Joodse Nederlanders, die voor veel geld via Spanje en Portugal Europa nog kunnen verlaten. Truus' voorwaarde om hieraan mee te werken is, dat Joodse kinderen met geldige visa kosteloos mogen meereizen. Hiermee brengt ze ongeveer 150 mensen in veiligheid.

De Spanje-reizen gaan vanaf juni door. Dankzij de inspanning van meerdere betrokkenen ontkomen hiermee in totaal 341 mensen aan de nazi's.

1941 tot juni 1942: Hulp aan Franse soldaten[bewerken | brontekst bewerken]

Van 1941 tot juni 1942 regelt Truus hulp voor Franse soldaten, die willen vluchten. Op verzoek van Nijkerk legt ze hiertoe contact met een Duitser vlak over de Duitse grens. Ze zorgt met vele anderen voor burgerkleding, een vluchtroute, en een schuilplaats in Nispen. Daar moeten de soldaten zeggen dat ze van "Madame Odi" komen.[22]

Mei 1942: arrestatie Truus Wijsmuller[bewerken | brontekst bewerken]

In mei 1942 wordt ze gearresteerd en in bewaring gesteld in de gevangenis op de Amstelveenseweg. De Gestapo verdenkt haar van het smokkelen van valse identiteitspapieren en vluchtinformatie voor Joodse Nederlanders die via België en Frankrijk naar Zwitserland ontkomen. Op een onderduikadres in de grensplaats Nispen worden een groep Joden en hun onderduikgevers opgepakt. Truus werkt inderdaad samen met Benno M. Nijkerk van het "Comité de Defense des Juifs". De vluchtelingen kennen echter alleen haar schuilnaam 'Madame Odi' en zij moet na enkele dagen weer worden vrijgelaten. Ze houdt contact met Nijkerk. Eind 1943 wordt reizen naar het buitenland onmogelijk.

1942-1944 Voedselhulp[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf 1942 is Truus tevens lid van de verzetsgroep Groep 2000 onder leiding van Jacoba van Tongeren. Zij is er "Hoofd Rode Kruisdiensten en verbindingsofficieren" en richt zich op het verzenden van levensmiddelenpakketten. Alle kinderen in Westerbork ontvangen een pakketje met Kerstmis 1943. Van februari tot september 1944 worden er drie dagen in de week pakketten gemaakt in de Nieuwe Kerk voor mensen in het doorgangskamp Westerbork, en de concentratiekampen Bergen-Belsen en Theresienstadt.[23] In totaal worden er 7000 pakketten op naam verzonden. "....maar het is aan de arbeid van mevrouw Wijsmuller te danken dat dit werk zo'n vlucht heeft kunnen nemen".[23] Ook brengen mensen haar voedsel aan huis om te verdelen, en een eierenhandelaar uit Landsmeer brengt haar elke week 1000 eendeneieren, die ze vervolgens bezorgt bij rust- en en ziekenhuizen in de stad. Truus noemt het haar "levensmiddelen-business".

September 1944 Weeskinderen uit Westerbork[bewerken | brontekst bewerken]

In september 1944 verneemt Truus dat 50 Joodse "weeskinderen" (kinderen die zonder hun ouders zijn opgepakt) uit Westerbork gedeporteerd zullen worden. Een aantal van hen bracht ze eerder voedsel in het Amsterdamse Huis van Bewaring. Met een wetsartikel van eigen makelij stapt ze naar de nazi's. Ze bepleit een "voorkeursbehandeling": Truus houdt vol dat het om kinderen gaat van Nederlandse moeders en Duitse soldaten. Volgens haar wetsartikel zijn de kinderen Nederlands. De kinderen zullen in Theresienstadt terechtkomen, steeds als groep bij elkaar blijven, en na de oorlog terugkeren.

Hongerwinter 1944-1945[bewerken | brontekst bewerken]

Als het versturen van voedselpakketten niet meer mogelijk is, richt Truus tijdens de Hongerwinter haar aandacht weer op kinderen. Ze organiseert als lid van een interkerkelijk overleg de evacuatie van verzwakte kinderen naar pleeggezinnen. Uit Amsterdam worden 6649 kinderen per boot over het IJsselmeer naar Friesland, Groningen, Overijssel en Drenthe gebracht om aan te sterken.[19]

Op 7 april 1945 laat de Amsterdamse politie Truus weten, dat er in het klooster in Aalsmeer 120 geallieerde soldaten gevangen worden gehouden die er slecht aan toe zijn. De politie krijgt er echter geen toegang. Misschien kan mevrouw Wijsmuller iets doen? Truus fietst, de eerste keer met medicijnen, naar Aalsmeer. Zij geeft de Duitsers te verstaan, dat het ze weleens aangerekend kan worden als de oorlog voorbij is. Direct na de capitulatie legt Truus contact met de Duitsers in Utrecht, die haar naam als "die verrückte Frau Wijsmuller"[1][24] kennen. Deze verwijzen haar door naar de Canadezen in Hilversum. De Canadezen sturen auto's en Truus levert de soldaten bij ze af.[25]

Beschrijving Truus Wijsmuller[bewerken | brontekst bewerken]

Truus Wijsmuller wordt beschreven en herinnerd als een indrukwekkende persoonlijkheid. Een dame met een krachtige stem, die warmte en energie uitstraalt.[3][25][26][27][28][29] Een kordate, praktische vrouw met een groot hart voor kinderen. Iemand die kan organiseren en netwerken; vreselijk brutaal maar nooit grof. Ze kan mensen voor zich innemen en overtuigen, onderhandelen en improviseren, ze bespelen, overdonderen en omkopen als dat noodzakelijk is. Voor haar werk accepteert ze geen geld. Truus werkt het liefst in haar eentje, ook omdat ze dat het veiligste acht. In de naoorlogse jaren wordt ze daarnaast getypeerd als een dominant[19] en eigengereid mens en, terugblikkend, als een avonturierster.[30] In het Amsterdamse krijgt zij na de oorlog twee bijnamen: zowel "Tante Truus" als "Stoomwals".[31]

Wijsmuller-Meijer als gemeenteraadslid

Na 1945[bewerken | brontekst bewerken]

Na de oorlog spoort Truus als KVV-ster en medewerkster van UNRRA (een voorloper van de VN) ontheemde kinderen in Duitsland op. Daarna volgen uitzendingen naar Engeland, Zwitserland en Denemarken van ondervoede kinderen uit Nederland.[32]

In oktober 1945 wordt in Amsterdam een noodgemeenteraad in het leven geroepen; Truus Wijsmuller wordt gevraagd hier lid van te worden. In 1949 wordt ze voor de VVD met de meeste voorkeurstemmen in de gemeenteraad verkozen. Zij zal er lid van blijven tot 1966. Daarnaast gaat ze door met haar sociale werk in binnen- en buitenland, onder andere voor de stichting Diogenes en voor de oprichting van een ziekenhuis in Suriname. Het sanatorium "Beatrixoord" laat zij ombouwen tot een algemeen ziekenhuis, waar ook abortus mogelijk is.[19] In 1957 is ze een van de oprichters van de Anne Frank Stichting waarvan ze tot 1975 bestuurslid blijft.

Joop Wijsmuller overlijdt op 31 december 1964. Cietje Hackmann blijft bij Truus wonen tot haar overlijden op 30 augustus 1978. Haar lichaam stelde ze ter beschikking aan de wetenschap.

In een advertentie na haar dood wordt zij beschreven als "de moeder van 1001 kinderen, die van het redden van Joodse kinderen haar werk had gemaakt". De meeste Joodse kinderen vernemen na de oorlog dat hun ouders de Shoah niet hebben overleefd, maar ook worden enkelen herenigd met hun familie. Tot haar dood heeft "tante Truus" contact onderhouden met kinderen die zij heeft gered: van Enkhuizen[33] tot Engeland en Israël.[25]

Monumenten[bewerken | brontekst bewerken]

  • Het Gedenkteken Truus Wijsmuller-Meijer gemaakt door Herman Janzen wordt in 1965 onthuld in het sanatorium Beatrixoord in het Oosterpark. Wanneer het latere ziekenhuis in 1976 wegens bezuinigingen moet sluiten, neemt Truus het beeld mee naar huis. Na haar dood wordt het in december 1978 opnieuw onthuld, ditmaal op het Bachplein.[34]
  • In Alkmaar, Gouda, Leiden, Pijnacker en Coevorden zijn straten naar haar genoemd. In Leiden draagt een tunnel haar naam.
  • Amsterdam kent een Truus Wijsmullerbrug.[35] Op een plaquette staat "Aktief in het Nederlandse verzet/ 40-45/ bracht vele Joodse kinderen in veiligheid en bood hulp aan gevangenen".
  • Planetoïde (15296) Tantetruus is naar haar vernoemd.
  • Truus Wijsmuller-boom in Yad Vashem.
  • In Hoek van Holland herinnert een beeldengroep, door burgemeester Aboutaleb onthuld in 2011, aan de 10.000 Joodse kinderen die van hieruit ontkwamen naar Engeland. Het is ontworpen door Frank Meisler: één van hen.
  • Op 8 maart 2020 kwam de documentaire "Truus' Children" uit, een productie van Pamela Sturhoofd en Jessica van Tijn van "Special Eyes". Het is een ode aan Truus Wijsmuller met de herinneringen van meer dan 20 "kinderen" die zij 80 jaar geleden redde.
  • Sinds 1 juli 2020 staat in het centrum van haar geboorteplaats Alkmaar een standbeeld van Truus Wijsmuller. Het eerbetoon is een initiatief van de Historische Vereniging Alkmaar en werd gemaakt door Annet Terberg-Pompe en Lea Wijnhoven.
Truus Wijsmuller, omringd door 28 kinderen, standbeeld Alkmaar

Onderscheidingen[bewerken | brontekst bewerken]

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]